Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BD4432

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
25-09-2009
Zaaknummer
07/10476
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BD4432
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Conclusie PG:

Belanghebbende heeft in 2001 goederen onder een verkeerde tariefpost voor het vrije verkeer aangegeven. De douane heeft de aangiften aanvaard zonder opname van de goederen waarop deze betrekking hadden. Jaarlijks heeft de douane enkele aangiften voor het vrije verkeer voor soortgelijke goederen - welke niet in deze procedure zijn betrokken - wél gecontroleerd, inclusief opname van de goederen. Ook in deze gevallen zijn de aangiften zonder op- of aanmerkingen van de douane aanvaard. Pas bij een administratieve controle in 2004 komt de verkeerde indeling van de goederen aan het licht. Voor het Hof was - voor zover in cassatie nog van belang - in geschil of het bepaalde in artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW aan navordering in de weg stond. Het Hof oordeelde dat dit niet het geval was. Belanghebbende stelt beroep in cassatie in.

Bij de conclusie hoort een bijlage die ziet op drie min of meer gelijksoortige zaken. In de bijlage gaat A-G Van Hilten aan de hand van jurisprudentie van het HvJ EG na onder welke omstandigheden op grond van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW, moet worden afgezien van boeking achteraf. In vogelvlucht geeft zij het systeem van heffing en navordering van douanerechten weer. Daarna komen de drie voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om van navordering af te zien uitgebreid aan de orde: (i) er moet sprake zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten, (ii) die de belastingschuldige, die te goeder trouw is, redelijkerwijze niet kon ontdekken en (iii) de belastingschuldige heeft voldaan aan alle voorschriften inzake de douaneaangifte. Aansluitend komt aan de orde onder welke omstandigheden een zaak moet worden voorgelegd aan de Europese Commissie. In het laatste onderdeel van de bijlage besteedt de A-G aandacht aan de vraag of naast voormelde bepaling nog ruimte is voor toepassing van het ongeschreven nationale vertrouwensbeginsel. Zij meent dat dit niet het geval is en voelt zich daarin gesterkt door de communis opinio in zowel Nederlandse als Duitse literatuur en jurisprudentie.

In het middel stelt belanghebbende dat het bepaalde in artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW aan navordering in de weg staat. De A-G meent dat het middel niet tot cassatie kan leiden. 's Hofs oordeel dat geen sprake is van een vergissing omdat een vergelijking van de goederenomschrijving in de aangiften en de aangegeven tariefpost de onjuiste tariefindeling niet aan het licht zou hebben gebracht, acht de A-G niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk. Voor wat betreft de vraag of de wél gecontroleerde zendingen in casu van invloed zijn op de (niet-) toepasselijkheid van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW merkt de A-G op dat niet duidelijk of de regelgeving bij de wél gecontroleerde zendingen onjuist is toegepast. Maar ook als er van uit wordt gegaan dat de douane bij deze gecontroleerde zendingen de regels bij vergissing (in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW) verkeerd heeft toegepast en dat die vergissing doorwerkt naar de niet gecontroleerde zendingen, faalt belanghebbendes beroep op het bepaalde in artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW omdat naar de mening van de A-G niet voldaan is aan de derde voorwaarde van die bepaling, welke inhoudt dat alleen van navordering wordt afgezien indien aan alle geldende voorschriften van de douaneaangifte is voldaan. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Zij heeft namelijk in de aangiften de goederen niet voldoende nauwkeurig omschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd