Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BD1034

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
43635
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BD1034
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

CONCLUSIE PG

Kapitaalsbelasting; bedrijfsfusievrijstelling van toepassing op inbreng beleggingen door verzekeringsmaatschappij?; houdt eis van zelfstandig onderdeel van een onderneming een materiële ondernemingseis in?; is bij eerdere toezegging 'duurvertrouwen' gewekt?

De belanghebbende en X BV maken deel uit van een internationaal verzekeringsconcern. X BV biedt unit linked levensverzekeringspolissen aan. Bij een dergelijke polis wordt het spaardeel van de koopsom of premie gebruikt om eenheden in een verzekerd groeifonds (VGF) te kopen. Met het oog op doelmatigheid en effectiviteit wordt het in de VGF's belegde vermogen in de belanghebbende ondergebracht. In 1998 heeft de belanghebbende tegen uitreiking van aandelen het in twee VGF's belegde vermogen verworven. De inspecteur heeft bij brief van 9 december 1998 bevestigd dat deze inbreng onder de bedrijfsfusievrijstelling van art. art. 37(1)(a) juncto (2)(b) Wet BvR viel. Op 11 en 18 augustus 2000 heeft BV X tegen aandelen het in twee andere VGF's belegde vermogen in de belanghebbende ingebracht. Voorafgaand aan die inbreng is overlegd met de inspecteur die bij brief van 17 maart 2000 het standpunt innam dat hierop de bedrijfsfusievrijstelling niet van toepassing is. De belanghebbende heeft kapitaalsbelasting ter zake van de inbreng voldaan en daartegen vergeefs bezwaar gemaakt. Het Hof heeft haar beroep ongegrond verklaard.

In de bijlage bij de conclusies, die ook bijlage is bij de conclusie in zaak 43997, behandelt de A.-G. Wattel onder meer:

1. het begrip 'zelfstandig onderdeel van een onderneming'. Hij constateert dat de rechtspraak de inbreng van een 100%-deelneming aanmerkt als inbreng van een zelfstandig onderdeel van een onderneming en dat over de betekenis van deze rechtsopraak twee opvattingen bestaan: (i) die van Scheltens, die uitgaat van transparence fiscale; deze lijkt niet meer houdbaar omdat ook de inbreng van een 100%-geldzakvennootschap vrijgesteld werd geoordeeld; (ii) die van Moltmaker, die inhoudt dat bij de inbreng van een deelneming de houdsteractiviteit wordt ingebracht. De laatste opvatting past volgens de A.-G. het beste in de niet eenduidige jurisprudentie;

2. de vraag of het begrip 'zelfstandig onderdeel van een onderneming' een materiële ondernemingseis inhoudt. Hij meent - anders dan de belanghebbende (ontkennend) en de Staatssecretaris (bevestigend) - dat de jurisprudentie over de kapitaalsbelasting deze vraag nog niet expliciet heeft beantwoord, maar houvast biedt de rechtspraak over inbreng van 100%-deelnemingen. Nu de Hoge Raad nauwelijks eisen stelt aan de intensiteit van de houdsteractiviteiten, lijkt geen materiële ondernemingseis te worden gesteld, althans er gemakkelijk aan voldaan te worden.

De A.-G. meent dat 's Hofs oordeel geen aanleiding geeft te veronderstellen dat miskend zou zijn dat de bedrijfsfusievrijstelling van toepassing kan zijn op de inbreng van bedrijfsmatig en actief belegd vermogen. 's Hofs oordeel dat het ingebrachte een normaal vermogensbeheer niet overstijgt en dat de bedrijfsfusievrijstelling daarom niet geldt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is verweven met waardering van feiten en is niet onbegrijpelijk gezien met name de vaststellingen dat het beleggingsbeheer in handen is van een vennootschap die noch de inbrenger, noch de belanghebbende is, dat de uitvoering van de levensverzekeringen bij X BV is verbleven en dat belegd wordt zonder actief de waardeontwikkeling van de beleggingen te beïnvloeden en zonder stemrechten uit te oefenen.

Toch slaagt zijns inziens het beroep omdat het Hof niet ingegaan is op belanghebbendes stelling dat het vertrouwen dat volgens de belanghebbende in 1998 ook voor de toekomst is gewekt, niet per onmiddellijk bij brief van 17 maart 2000 kon worden opgezegd. Verwijzing moet volgen voor onderzoek (i) of met de standpuntbepaling ook gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt voor toekomstige vergelijkbare inbrengen en zo ja, (ii) of bij het opzeggen van dat vertrouwen een overgangsregeling had moeten worden getroffen.

Conclusie: gegrondverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd