Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BD0239

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
25-09-2009
Zaaknummer
43875
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BD0239
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Conclusie PG:

Successierecht. Heeft een in Canada wonende verkrijger van een fictief aanmerkelijk belang geen recht op de invorderingsfaciliteiten ter zake van bedrijfsopvolging? Gelijkheidsbeginsel. Vrij verkeer van kapitaal.

Aan belanghebbende, die woont in Canada, is een aanslag in het recht van successie opgelegd wegens de verkrijging - in 2001 - van een pakket aandelen, dat minder dan 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde bv vertegenwoordigt. Bij de ontvanger heeft belanghebbende tevergeefs een verzoek ingediend tot verlening van voorwaardelijke kwijtschelding of uitstel van betaling van de aan hem opgelegde aanslag (de zogenoemde bedrijfsopvolgingsfaciliteiten).

Hof Arnhem heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten, omdat hij geen aanmerkelijk belang heeft. In cassatie komt belanghebbende met één middel tegen dit oordeel op. Hij stelt zich primair op het standpunt dat het Hof, door te oordelen dat de verkregen aandelen niet behoren tot een (fictief) aanmerkelijk belang, een onjuiste uitleg geeft aan artikel 4.10 Wet IB 2001 (meetrekregeling), dan wel - subsidiair - dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie dan wel strijd met de door het EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van kapitaalverkeer.

In zijn conclusie gaat A-G Niessen allereerst in op de meetrekregeling. Vaststaat dat de echtgenote van belanghebbende een fictief aanmerkelijk belang heeft (art. 4.11 Wet IB 2001). De vraag is of deze omstandigheid erin resulteert dat belanghebbende, die - zoals gezegd - een pakket van minder dan 5% bezit, wordt meegetrokken in de zin van artikel 4.10 Wet IB 2001 en zodoende een aanmerkelijk belang houdt. De A-G meent dat de factoren - met name de ratio van de regeling - die pleiten voor het standpunt dat een participatie niet in de zin van artikel 4.10 Wet IB 2001 kan worden meegetrokken door een fictief aanmerkelijk belang, het zwaarst wegen.

De A-G komt vervolgens tot de slotsom dat geen sprake is van ongeoorloofde discriminatie, nu belanghebbende weliswaar ongelijk wordt behandeld, maar de wetgever bij de vraag of er sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging een ruime beoordelingsmarge toekomt en de wetgever niet zo uitgewerkte regelingen hoeft te treffen dat elke ongelijkheid in elke denkbare situatie wordt vermeden. Ten aanzien van de EG-Verdragsvrijheden komt hij tot de bevinding dat in het onderhavige geval niet de vrijheid van vestiging aan de orde is doch het vrije verkeer van kapitaal, dat eveneens geldt in relatie tot niet-EG-lidstaten. De ongelijke behandeling van belanghebbende moet worden aangemerkt als een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal. Een rechtvaardiging voor deze belemmering zou kunnen worden gevonden in de noodzaak van doeltreffende fiscale controles. Deze rechtvaardigingsgrond acht de A-G echter disproportioneel nu niet-inzetenen in het algemeen indien zij een aanmerkelijk belang verkrijgen, wel degelijk voor de toepassing van de faciliteit in aanmerking komen. Klaarblijkelijk is de wetgever van oordeel dat die rechtvaardigingsgrond daaraan voor die gevallen niet in de weg staat.

Conclusie: beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd