Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BB3467

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
43569
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BB3467
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 26 van de Zesde Richtlijn; artikel 15 Wet op de omzetbelasting 1968; staat artikel 26 van de Zesde Richtlijn in de weg aan het recht op aftrek van een buiten de Gemeenschap gevestigd reisbureau dat niet in Nederland prestaties verricht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/207 met annotatie van D.B. Bijl
V-N 2009/24.16 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1021 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 43.569

15 mei 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X Ltd. te Z, Bermuda (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 augustus 2006, nr. 04/00829, betreffende een beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Belanghebbende heeft verzocht om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001. Dit verzoek is door de Inspecteur bij beschikking van 1 november 2002 afgewezen, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Op 28 juni 2007 heeft de Advocaat-Generaal W. de Wit geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van 's Hofs uitspraak en de uitspraak van de Inspecteur, alsmede te gelasten dat aan belanghebbende teruggaaf van omzetbelasting wordt verleend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is een in Bermuda gevestigd reisbureau, zonder vaste inrichting in Nederland. Zij biedt - als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) - onder meer zogeheten pakketreizen (geheel verzorgde reizen tegen één prijs) naar Nederland aan. Belanghebbende verzorgt in dat kader jegens haar klanten op eigen naam en voor eigen rekening het vervoer van de reizigers naar Nederland, alsmede logies en maaltijden in hotels in Nederland en de rondreizen in Nederland. Belanghebbende koopt dit een en ander onder meer in bij in Nederland gevestigde ondernemers, die haar omzetbelasting in rekening brengen. Bij het onderwerpelijke verzoek heeft zij deze - in 2001 in rekening gebrachte - omzetbelasting teruggevraagd op de voet van artikel 33, lid 3, van de Wet.

3.2.1. Voor het Hof - en tevens in cassatie - heeft belanghebbende betoogd dat zij in Nederland ter zake van de onderwerpelijke reizen geen omzetbelasting verschuldigd is geworden, nu deze reizen op grond van artikel 6, lid 1, van de Wet buiten Nederland plaatsvonden. Voorts heeft belanghebbende zich voor het recht op de onderwerpelijke teruggaaf van omzetbelasting beroepen op het bepaalde in de artikelen 2 en 15, lid 1, van de Wet, alsmede op artikel 17 juncto artikel 33 van de Wet.

3.2.2. Voor het antwoord op de vraag of met betrekking tot het door belanghebbende verzorgen van een pakketreis sprake is van het verrichten van één enkele dienst, is er geen reden thans anders te oordelen dan is gedaan in het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 1992, nr. 28212, BNB 1993/25, rechtsoverweging 3.4. De handelingen van belanghebbende met betrekking tot de door haar verzorgde pakketreizen moeten worden beschouwd als het verrichten van telkenmale één dienst in de zin van artikel 4, lid 1, van de Wet door belanghebbende aan de klant met wie zij te dier zake op eigen naam en voor eigen rekening een overeenkomst sluit. Dit resultaat is in overeenstemming met artikel 26, lid 2, eerste volzin, van de Zesde richtlijn.

Ingevolge artikel 6, lid 1, van de Wet is de plaats waar belanghebbende bedoelde dienst verricht, de plaats waar zij is gevestigd, derhalve Z, Bermuda. Dat deze dienst op grond van deze bepaling niet in Nederland wordt belast, strookt met artikel 26, lid 2, tweede volzin, van de Zesde richtlijn.

3.2.3. Krachtens artikel 2 en artikel 15, lid 1, van de Wet brengt de ondernemer onder meer in aftrek de omzetbelasting die in een bepaald tijdvak door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, voor zover de geleverde goederen en de verleende diensten door de ondernemer worden gebezigd in het kader van zijn onderneming. Voor zover de in rekening gebrachte omzetbelasting de verschuldigde belasting overtreft, wordt deze krachtens artikel 17 van de Wet op verzoek van de ondernemer door de inspecteur terugbetaald.

De wettelijke bepalingen verbinden aan het recht op aftrek geen voorwaarden met betrekking tot de plaats van vestiging van de ondernemer en evenmin met betrekking tot de plaats waar de prestaties van de ondernemer worden verricht. Het recht op aftrek komt derhalve in beginsel elke ondernemer toe, ongeacht de plaats waar hij woont of is gevestigd en ongeacht de plaats waar hij zijn prestaties verricht of geacht wordt te verrichten (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41344, BNB 2007/96), en ongeacht of omzetbelasting verschuldigd is waarop de in aftrek te brengen belasting in mindering kan worden gebracht. Ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, wordt het verschil aan de ondernemer op verzoek terugbetaald (artikel 17 juncto artikel 33 van de Wet). De Wet kent met betrekking tot het recht op aftrek niet de beperking neergelegd in artikel 26, lid 4, van de Zesde richtlijn, te weten dat een reisbureau geen recht op aftrek toekomt van de bedragen aan omzetbelasting die hem worden aangerekend door andere belastingplichtigen voor door hem verrichte handelingen met het oog op de totstandkoming van een reis die de reizigers rechtstreeks ten goede komen. Aan het vorenstaande doet niet af dat een buiten de EG gevestigd reisbureau mogelijkerwijs bij het verlenen van de teruggaaf van omzetbelasting als de onderwerpelijke in een gunstiger positie komt te verkeren dan een binnen Nederland gevestigd reisbureau.

3.3. Op grond van het hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 overwogene slagen de middelen. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

gelast dat aan belanghebbende een bedrag van € 53.283,40 aan omzetbelasting wordt terugbetaald,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 422, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 273, derhalve in totaal € 695,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1932 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 1207,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2009.