Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:BA1207

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
43414
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BA1207
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikelen 378 en 379 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (tekst 1997); artikelen 18 en 22, lid 4, Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1997); grensoverschrijdend douanevervoer; vaststelling plaats van de onttrekking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/182 met annotatie van B.A. van Brummelen
V-N 2009/16.15 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0717
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 43.414

3 april 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 mei 2006, nr. 03/4050 DK, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde uitnodiging tot betaling van omzetbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Belanghebbende is bij aanslagbiljet van 12 januari 1998 uitgenodigd tot betaling van omzetbelasting, welke uitnodiging, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, en de uitspraak op bezwaar alsmede de uitnodiging tot betaling vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Nu dit geschrift bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

Op 1 maart 2007 heeft de Advocaat-Generaal W. de Wit geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft een vergunning voor een particulier douane-entrepot ten behoeve van de opslag van auto's. Op 12 november 1996 heeft zij bij het douanekantoor te R, Nederland (hierna: kantoor van vertrek), aangifte gedaan voor de douaneregeling extern communautair douanevervoer voor de overbrenging van een nieuwe, ongebruikte auto (hierna: de auto) vanuit dat douane-entrepot naar Polen. Op de aangifte T1 is S, Duitsland, opgegeven als kantoor van bestemming.

3.1.2. Omdat het vijfde exemplaar van de aangifte T1 niet werd terugontvangen, heeft het kantoor van vertrek op 19 februari 1997 belanghebbende hiervan op de hoogte gesteld en haar verzocht om binnen een maand nadere inlichtingen te verstrekken over de regelmatige beëindiging van het douanevervoer. Nadat op dit verzoek geen reactie werd ontvangen, heeft het kantoor van vertrek bij schrijven van 13 maart 1997 het kantoor van bestemming verzocht inlichtingen te verstrekken.

Op 8 april 1997 heeft belanghebbende aan het kantoor van vertrek een kopie van een in Polen op 8 januari 1997 voor de auto afgegeven kentekenbewijs overgelegd. Het kantoor van vertrek heeft belanghebbende bij brief van 15 april 1997 bericht dat dit bescheid niet volstond als bewijs van de regelmatige beëindiging van het communautair douanevervoer.

Op 29 mei 1997 heeft het Duitse kantoor van bestemming bericht dat noch de auto, noch de aangifte T1 bij dat kantoor was aangeboden en dat over het verblijf van de auto of de aangifte T1 geen nadere gegevens konden worden verstrekt. Op 16 juni 1997 heeft het kantoor van vertrek een herhaald verzoek om inlichtingen gedaan aan het kantoor van bestemming, maar op dit verzoek werd op 7 augustus 1997 in dezelfde zin geantwoord als op het eerste verzoek.

Een verzoek om inlichtingen van het kantoor van vertrek van 12 augustus 1997 aan het Poolse douanekantoor waar volgens belanghebbende de auto ten behoeve van de invoer in Polen zou zijn aangegeven, is niet beantwoord.

3.1.3. Bij brief van 24 september 1997 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving verzonden als bedoeld in artikel 379, lid 2, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (tekst 1997; hierna: de UCDW). Op die kennisgeving heeft belanghebbende niet gereageerd. De Inspecteur heeft op 12 januari 1998 de in geding zijnde uitnodiging tot betaling vastgesteld.

3.1.4. Met betrekking tot de uitnodiging tot betaling van douanerechten die de Inspecteur ter zake van dezelfde auto had vastgesteld, heeft de Tariefcommissie bij uitspraak van 6 november 2001, nr. 0181/2000, Douanerechtspraak 2002/5, geoordeeld dat voor de auto een douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 203 van het Communautair douanewetboek (tekst 1997; hierna: het CDW), waarvoor belanghebbende op de voet van lid 3, vierde gedachtestreepje, als douaneschuldenaar wordt aangemerkt.

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat, nu artikel 22, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) met ingang van 1 januari 2002 is komen te vervallen, hetgeen door de uitspraak van de Tariefcommissie onherroepelijk is komen vast te staan voor de geheven douanerechten, reeds uit dien hoofde niet tevens geldt voor de geheven omzetbelasting.

3.2.2. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende met de door haar overgelegde bescheiden niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 380 van de UCDW heeft aangetoond dat het douanevervoer op regelmatige wijze is beëindigd. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat tijdens het onderzoek ter zitting op 18 april 2006 is komen vast te staan dat de Poolse koper rechtstreeks vanaf het bedrijf van belanghebbende met de auto naar Polen is gereden en onderweg het kantoor van bestemming in Duitsland voorbij is gereden in verband met de lange wachttijden. Het Hof heeft op grond van die vaststelling geoordeeld dat de auto in Duitsland aan het douanetoezicht is onttrokken en dat ingevolge artikel 215, lid 1, eerste gedachtestreepje, van het CDW de douaneschuld en dientengevolge de omzetbelastingschuld aldaar is ontstaan.

3.3. Het eerste middel richt zich tegen het hiervoor in 3.2.1 vermelde oordeel van het Hof. Dit middel faalt. Zonder overgangsregeling met betrekking tot de vervallenverklaring van artikel 22, lid 4, van de Wet met ingang van 1 januari 2002 ontbreekt voor de geheven omzetbelasting de grondslag voor het voor vaststaand houden van hetgeen voor de geheven

douanerechten is komen vast te staan.

3.4.1. Het tweede onderdeel van het tweede middel richt zich tegen het hiervoor in 3.2.2 laatstvermelde oordeel van het Hof omtrent de vaststelling van de plaats van de onttrekking.

3.4.2. Ingevolge artikel 378, lid 1, van de UCDW wordt, wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, onverminderd artikel 215 van het CDW, deze overtreding of onregelmatigheid geacht te zijn begaan in de lidstaat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert, tenzij binnen de in artikel 379, lid 2, van de UCDW neergelegde termijn van drie maanden ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. Ingevolge artikel 378, lid 2, van de UCDW worden, indien bij gebreke van dergelijk bewijs de overtreding of onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de lidstaat van vertrek, de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze lidstaat geïnd (vgl. HvJ EG 20 januari 2005, Honeywell Aerospace GmbH, C-300/03, Douanerechtspraak 2005/48, punt 21, en HvJ EG 3 april 2008, Militzer & Münch GmbH,

C-230/06, Douanerechtspraak 2008/60, punten 30 tot en met 33). Aan de aldus vastgestelde bevoegdheid van een lidstaat tot invordering van de rechten bij invoer kan niet afdoen enig na afloop van voormelde termijn alsnog aan de Inspecteur overgelegd gegeven (vgl. HvJ EG 23 maart 2000, L. Labis en Sagpol SC Transport Miedzynarodowy i Spedycja, nrs. C-310/98 en C-406/98, Douanerechtspraak 2001/23). Niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat omzetbelasting behoort tot de andere heffingen bedoeld in artikel 378, lid 2, van de UCDW en dat voor de heffing van omzetbelasting ter zake van goederen die gedurende het douanevervoer aan het douanetoezicht zijn onttrokken, op dezelfde wijze als voor de rechten bij invoer volgens deze procedure wordt bepaald welke lidstaat bevoegd is te heffen (vgl. HvJ EG 11 juli 2002, Liberexim B.V., C-371/99, BNB 2003/158, punt 44, en HR 21 januari 2005, nr. 38528, BNB 2005/141).

3.4.3. Belanghebbende heeft niet vóór het verstrijken van de hiervoor in 3.4.2 bedoelde termijn van drie maanden aan de Inspecteur bewijs geleverd van de plaats waar de onregelmatigheid van het douanevervoer daadwerkelijk is begaan. De eerder door belanghebbende aan de Inspecteur verstrekte bescheiden kunnen niet hiertoe dienen, aangezien deze geen uitsluitsel geven over de plaats waar de onregelmatigheid zich binnen het douanegebied van de Gemeenschap heeft voorgedaan. Mitsdien was de Inspecteur op grond van artikel 378, lid 2, van de UCDW, bevoegd tot invordering van de omzetbelasting over te gaan door de in geding zijnde uitnodiging tot betaling vast te stellen. Het middelonderdeel slaagt derhalve.

3.5. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het tweede middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, E.N. Punt en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2009.