Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2009:AZ8423

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
612
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:AZ8423
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2006:AV9371, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 4, lid 2, Coördinatiewet Sociale Verzekering (tekst tot en met 27 december 2000). Is bij een verlofspaarregeling (sabbatical leave) sprake van uitstel van loon(betaling) of van een aanspraak op uitkeringen?

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Coördinatiewet Sociale Verzekering 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/64
BNB 2009/78 met annotatie van P. KAVELAARS
Belastingadvies 2009/4.11
V-N 2009/6.25 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0190
USZ 2009/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 612

23 januari 2009

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 februari 2006, nr. 05/1685 CSV, betreffende een besluit ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering (tekst tot en met 27 december 2000; hierna: de CSV).

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij besluit van 6 mei 2003 heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: de Raad van bestuur) ten aanzien van belanghebbende een correctienota ingevolge de CSV vastgesteld over het jaar 2000.

De Raad van bestuur heeft het tegen vorenbedoeld besluit gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de correctienota herzien.

Belanghebbende heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de Rechtbank te Leeuwarden.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.

De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Raad van bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 21 december 2006 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en terugverwijzing van de zaak naar de Centrale Raad.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

De Raad van bestuur heeft eveneens schriftelijk op de conclusie gereageerd. Nu deze reactie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Volgens de voor belanghebbende geldende Collectieve Arbeidsovereenkomst (hierna: de CAO) kunnen haar werknemers sparen voor een sabbatical leave. De desbetreffende regeling (hierna: de regeling) houdt in dat werknemers verdiend loon (zowel regulier salaris als bijvoorbeeld overwerktoeslagen en ploegendienstenvergoedingen) en/of opgebouwde vrije tijd kunnen inzetten voor het recht om na een aaneengesloten dienstverband van ten minste zeven jaar (gedeeltelijk) betaald verlof te verkrijgen, dat minimaal twee maanden en maximaal zes maanden duurt. Volgens de regeling worden de ingebrachte vakantie-uren en vrij opneembare roostervrije dagen door belanghebbende in geld gewaardeerd. Bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een werknemer vindt - indien noodzakelijk - verrekening in geld plaats van het te veel of te weinig genotene.

3.1.2. Naar aanleiding van een looncontrole is aan belanghebbende over het jaar 2000 een correctienota opgelegd, waarbij ter zake van het ingevolge de regeling gespaarde verlof premieloon in aanmerking is genomen.

3.2. Voor de Rechtbank en de Centrale Raad was in geschil of het recht op betaald verlof moet worden aangemerkt als een aanspraak op uitkeringen als bedoeld in artikel 4, lid 2, van de CSV en derhalve geldt als premieloon.

3.3. De Centrale Raad heeft evenals de Rechtbank die vraag bevestigend beantwoord en daartoe geoordeeld dat, indien een werknemer met belanghebbende is overeengekomen dat van de regeling gebruik wordt gemaakt, de inbreng van die werknemer in geld wordt gewaardeerd teneinde te zijner tijd te kunnen worden omgezet in een recht op betaald verlof en dat daarmee door de werknemer een aanspraak wordt verkregen om na verloop van tijd loon te ontvangen tijdens het opnemen van verlof. In overeenstemming met het wettelijke systeem van de CSV dient die aanspraak als premieloon te worden aangemerkt, aldus de Centrale Raad. Er is geen sprake van uitgesteld loon, nu de regeling ertoe strekt om het gespaarde loon - behoudens uitzonderingsgevallen - uitsluitend tot uitkering te laten komen tezamen met het opnemen van verlof. De door belanghebbende gemaakte vergelijking met het zogenoemde gewone verlof gaat volgens de Centrale Raad niet op, aangezien voor het ontstaan van het recht op gewoon verlof - anders dan bij de regeling - geen met verlof corresponderend loon behoeft te worden ingebracht. Het feit dat de wetgever per 1 januari 2001 - de Hoge Raad leest: 28 december 2000 - aan artikel 4 van de CSV een derde lid heeft toegevoegd, waarin het betaald verlof specifiek is aangemerkt als een aanspraak, heeft de Centrale Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Tegen deze oordelen zijn de klachten gericht.

3.4. De hiervoor in 3.1.1 vermelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat in de CAO is overeengekomen dat een werknemer van belanghebbende vooraf ervoor kan kiezen dat de beloning voor zijn werkzaamheden wordt uitgesteld totdat hij het in de regeling bedoelde verlof (sabbatical leave) opneemt dan wel zijn arbeidsovereenkomst met belanghebbende wordt beëindigd. Een dergelijke afspraak leidt ertoe dat de werknemer het aan hem voor die werkzaamheden toekomende loon in geld op het daartoe geëigende tijdstip niet van de werkgever kan vorderen en daarover ook niet de beschikkingsmacht krijgt. Hij beschikt niet over dat loon, maar komt met de werkgever overeen dat hem voor de verrichte werkzaamheden loon wordt betaald gedurende de periode waarin de werknemer sabbatical leave geniet als bedoeld in de regeling dan wel het tijdstip waarop de dienstbetrekking wordt beëindigd. Dit recht op loon is geen aanspraak in de zin van artikel 4, lid 2, van de CSV.

De klachten slagen derhalve. De uitspraak van de Centrale Raad kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor het in onderdeel 8.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal bedoelde onderzoek.

4. Proceskosten

De Raad van bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door de Centrale Raad zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor de Centrale Raad en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep,

verwijst het geding naar de Centrale Raad van Beroep ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 422, en

veroordeelt de Raad van bestuur in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1449 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is op 17 december 2008 vastgesteld door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, P.J. van Amersfoort, P. Lourens en J.A.C.A. Overgaauw in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2009.