Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:ZC8116

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
36122
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:ZC8116
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet van 18 december 1995 ivm bestrijding constructies m.b.t. onroerende zaken. Terugwerkende kracht in overeenstemming met gemeenschapsrecht. Geen integratieheffing igv vóór 1 april 1995 aan belanghebbende verrichte prestaties ivm de bouw en verhuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/775 met annotatie van Zijlstra
FutD 2008-0771
BNB 2008/166
V-N 2008/20.18

Uitspraak

Nr. 36.122

11 april 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 maart 2000, nr. 99/00365, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 maart 1997 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke naheffingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Op 29 maart 2001 heeft de Advocaat-Generaal J.W. van den Berge geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004, gevoegde zaken Gemeente Leusden en Holin Groep B.V. c.s., C-478/01 en C-7/02, Jurispr. blz. I-05337, BNB 2004/260. De Staatssecretaris heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 26 april 2005, Stichting "Goed Wonen", C-376/02, Jurispr. blz. I-03445, V-N 2005/23.16.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is op 29 december 1994 opgericht. Eveneens op 29 december 1994 heeft de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor A (hierna: de KvK) een te Q gelegen perceel grond met opstal gekocht. De KvK heeft dit perceel - nadat de opstal was gesloopt - op 3 april 1995 in volle eigendom geleverd aan belanghebbende en haar ter zake daarvan omzetbelasting in rekening gebracht.

3.1.2. Belanghebbende heeft op de door haar verworven grond een pand laten bouwen, dat op 11 mei 1996 is opgeleverd. Na de oplevering is het pand verhuurd aan drie huurders, waaronder de KvK. De KvK gebruikt de gehuurde ruimte niet geheel voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van de belasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) bestaat. Belanghebbende en de drie huurders hebben bij de Inspecteur een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, 5°, van de Wet. Belanghebbende heeft de aan haar ter zake van de levering van de grond en de bouw van het pand in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek gebracht.

3.1.3. Ter zake van de ingebruikneming van het pand heeft de Inspecteur een levering als bedoeld in artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet (tekst 1996) in aanmerking genomen en te dier zake de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de overgangsregeling van artikel V, lid 9, aanhef en letters a en b, van de Wet van 18 december 1995, Stb. 659 (hierna: de Wet van 18 december 1995) niet van toepassing is ter zake van de verhuur aan de KvK. Daarnaast heeft het Hof belanghebbendes beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2000, Grundstückgemeinschaft Schlossstrasse, C-396/98, Jurispr. blz. I-04279, V-N 2000/44.21, en in dat verband op het communautaire vertrouwensbeginsel verworpen.

3.3. De middelen strekken onder meer ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de hiervoor in 3.2 genoemde overgangsregeling niet van toepassing is, alsmede dat de terugwerkende kracht van de Wet van 18 december 1995 tot 31 maart 1995, 18.00 uur, in strijd is met het gemeenschapsrecht, nu door omstandigheden buiten de wil van belanghebbende niet voldaan werd aan de voorwaarden voor de toepassing van de overgangsregeling en voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter b, 5°, van de Wet. In zoverre kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (zie de in onderdeel 2.2 en 3.2.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde gronden, alsmede HR 14 december 2007, nr. 34514, BNB 2008/37).

3.4. Voor zover de middelen voor het overige een beroep doen op het communautaire vertrouwensbeginsel slagen zij. Op grond van de door het Hof vastgestelde feiten kan niet worden uitgesloten dat belanghebbende recht op aftrek van omzetbelasting heeft verkregen ter zake van aan haar vóór het ingangstijdstip van de werking van de Wet van 18 december 1995 geleverde goederen of verrichte diensten in verband met de door belanghebbende voorgenomen bouw en verhuur. In dat geval kon geen naheffingsaanslag worden opgelegd, nu, gelet op hetgeen het Hof van Justitie in zijn hiervoor in 2 aangehaalde arrest in de zaak Holin Groep B.V. c.s. - welk arrest partijen en het Hof niet konden kennen - voor recht heeft verklaard, belanghebbende dan niet door een andere oorzaak dan de wetswijziging een levering in de zin van artikel 5, lid 7, letter a, van de Zesde richtlijn (artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet) kan worden aangerekend en zulks geen grond kan opleveren voor een naheffingsaanslag als de onderwerpelijke, die - materieel bezien - ertoe strekt dat belasting die onder de wettelijke regeling zoals die gold vóór de wetswijziging in rekening is gebracht en in aftrek mocht worden gebracht, alsnog wordt geheven (vgl. HR 12 augustus 2005, nr. 35977, BNB 2006/16).

Nu uit 's Hofs uitspraak niet blijkt of jegens belanghebbende vóór 31 maart 1995, 18.00 uur, prestaties zijn verricht waarvoor recht op aftrek is ontstaan, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 630 (€ 285,88), en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1449 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2008.