Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BG6304

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
07/12128 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BG6304
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. In het kader van de ontnemingsprocedure kan i.c. aan het doorhalen van de woorden “of omstreeks” in de strafzaak niet de conclusie worden verbonden dat de Rb betrokkene heeft vrijgesproken van de drugstransacties die door betrokkene in de door het woord “omstreeks”omvatte periode zijn begaan (zodat van een geval als in EHRM NJ 2004, 349 geen sprake is).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 922
NJ 2009, 18
RvdW 2009, 59
JOW 2009, 33
NJB 2009, 75
NBSTRAF 2009/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 december 2008

Strafkamer

Nr. 07/12128 P

AH/AW

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 25 april 2006, nummer 21/001374-04, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum], ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Arnhem, locatie De Berg" te Arnhem.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof mede een betalingsverplichting heeft opgelegd ter ontneming van voordeel dat is verkregen door feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken.

2.2. In de hoofdzaak is aan de betrokkene, kort gezegd, tenlastegelegd dat hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2001 tot en met 23 oktober 2003 cocaïne heeft verkocht aan een veertiental met naam in de tenlastelegging genoemde personen en aan andere personen.

2.3. De Rechtbank heeft bewezenverklaard, kort gezegd, dat de betrokkene op verschillende tijdstippen in de periode van 1 augustus 2001 tot en met 23 oktober 2003 aan de genoemde personen en aan anderen cocaïne heeft verkocht.

2.4. Uit de door het Hof aan zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag gelegde berekening volgt dat daarin ook voordeel is betrokken dat door de betrokkene is verkregen met drugstransacties in de periode die voorafgaat aan de door de Rechtbank bewezenverklaarde periode.

2.5. Het middel neemt blijkens de toelichting als uitgangspunt dat de Rechtbank - door in de uitgestreepte tenlastelegging de woorden "of omstreeks" door te halen - de betrokkene heeft vrijgesproken van drugstransacties die door hem zijn begaan in de door het woord "omstreeks" omvatte periode, zodat ter zake daarvan geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen.

2.6. Aan het toesnijden door de Rechtbank van de bewezenverklaring op de daarin gespecificeerde data kan in het onderhavige geval niet de betekenis worden toegekend die het middel daaraan geeft. De woorden "of omstreeks" worden veelal in tenlasteleggingen opgenomen teneinde te voorzien in een alternatief voor het geval de rechter tot het oordeel komt dat een meer specifieke tijdsaanduiding niet bewezen kan worden verklaard. Hier achtte de Rechtbank die meer specifieke tijdsaanduiding echter wel bewezen, zodat naar haar oordeel de woorden "of omstreeks" kennelijk konden worden doorgestreept. In het kader van deze ontnemingsprocedure kan daaraan niet de door het middel voorgestane conclusie worden verbonden.

2.7. Het Hof heeft het in het arrest van 1 maart 2007 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Geerings tegen Nederland, NJ 2007, 349, gegeven oordeel, waarop in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan, evenmin miskend. Uit hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen volgt dat niet kan worden gezegd dat het Hof alsnog de schuld van de betrokkene heeft aangenomen aan een strafbaar feit waarvan hij is vrijgesproken.

2.8. Het Hof heeft mitsdien, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen met drugstransacties in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode in zijn schatting kunnen betrekken als voordeel verkregen uit soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr.

2.9. Het middel faalt derhalve.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Het Hof heeft de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 37.808,-. De betrokkene heeft op 1 mei 2006 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 34.000,- bedraagt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 9 december 2008.