Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BG5807

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
02-12-2008
Zaaknummer
08/01735 Hs
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Geurproefzaak. Uit de stukken van het dossier waarover de HR de beschikking heeft, kan worden afgeleid dat ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef in aanmerking te nemen, aanvrager een van de personen is geweest die de tenlastegelegde afpersing heeft gepleegd. Vzv. in de aanvrage nog een beroep wordt gedaan op omstandigheden op grond waarvan de verklaringen van aangeefster w.b. het door haar gegeven signalement en de overige persoonlijke kenmerken van dader A en de herkenning van aanvrager tijdens de fotoconfrontatie niet voor het bewijs bruikbaar zijn, alsmede op omstandigheden op grond waarvan de compositietekening geen waarde voor het bewijs kan worden toegekend, kan dit niet tot herziening leiden. Het Hof was immers met deze aangevoerde omstandigheden bij het onderzoek op de tz. bekend. Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder het belastende resultaat van een geuridentificatieproef uit het beschikbare materiaal kan worden afgeleid, doet zich niet het in art. 457.1.2 Sv bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 882
RvdW 2009, 20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 december 2008

Strafkamer

nr. 08/01735 Hs

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 7 augustus 2003, nummer 21/000725-03, ingediend door mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de aanvrage gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Dordtse Poorten" te Dordrecht.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 11 februari 2003 voor zover aan zijn oordeel onderworpen - de aanvrager ter zake van "afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een jaar.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe in het bijzonder aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.

3. Achtergrond van de aanvrage

In de aanvrage wordt verwezen naar een brief van het Arrondissementsparket Arnhem van 4 april 2007 aan de aanvrager. Het is de Hoge Raad ambtshalve bekend dat door het openbaar ministerie aan een groot aantal onherroepelijk veroordeelden bij brief een mededeling is gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door speurhondengeleiders van de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Het openbaar ministerie heeft geïnventariseerd in welke zaken gebruik is gemaakt van een dergelijke, mogelijk onjuist uitgevoerde, geuridentificatieproef, en daarop bovenvermelde mededeling bij brief aan de betrokkenen gedaan. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.

4. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing

4.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC 8789).

4.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

4.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

5. Beoordeling van de aanvrage

5.1. Het arrest waarvan herziening wordt gevraagd betreft een veroordeling van de aanvrager ter zake van een op 8 februari 2002 te Arnhem, Oosterbeek, gemeente Renkum en/of elders in het arrondissement Arnhem door twee of meer verenigde personen gepleegde afpersing.

Het Hof heeft volstaan met een arrest waarin de gebezigde bewijsmiddelen niet zijn opgenomen. Omtrent een gevoerd bewijsverweer heeft het Hof in het verkort arrest overwogen:

"Het proces-verbaal van een geurproef met een gespecialiseerde hond maakt deel uit van dossier. Deze hond heeft een geurovereenkomst waargenomen tussen verdachte en geurmonsters van de autozittingen van de auto van [slachtoffer].

Verdachte heeft hierop gereageerd met de opmerking dat een kennis van hem zijn kleding had geleend, het misdrijf heeft gepleegd en dat de hond daarom een geurovereenkomst kon waarnemen tussen verdachte en de autozittingen.

Het hof acht dit verweer niet aannemelijk, mede gelet op de herkenning door aangeefster van verdachte en bezien in relatie tot de overige bewijsmiddelen. Het verweer wordt dan ook verworpen."

Voorts bevindt zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken alleen een verkort proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof.

5.2. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.

(i) De aangeefster [slachtoffer] heeft het volgende verklaard. Op 8 februari 2002, kort na 21.30 uur, reed zij de Vijfzinnenstraat te Arnhem in naar het toegangshek van de parkeerplaats. Zij is de binnenplaats opgereden. Toen zij de auto wilde inparkeren, zag zij een man - dader A - de poort van het binnenplaatsje inlopen. Deze man klopte op het raam aan de bestuurderszijde van haar auto. Na het openen van het raam vroeg de man: "Weet u waar de Bahnstrasse is?" Zij vertelde dat zij dit niet wist. Na een kort gesprek draaide de man zich om, om aanstalten te maken weg te lopen. Zij parkeerde de auto op de binnenplaats. Zij zag dat de man weer terugkwam in haar richting. De man werd heel nerveus en boos en zei tegen haar dat zij wèl wist waar de Bahnstrasse was. Door het nog openstaande raam vertelde zij dat ze echt niet wist waar het was. Vervolgens deed deze man met zijn rechterhand zijn jas open en pakte hij met zijn linkerhand een vuurwapen uit de binnenzak. Hij zei dat zij moest doen wat hij zei en niet moest schreeuwen. Dat was allemaal in het Duits. Zij moest vervolgens van die man doorschuiven naar de bijrijdersstoel. De man ging op de bestuurdersstoel zitten. Vervolgens reed hij de parkeerplaats af. Hij stopte ter hoogte van het poortje bij de straat. Zij zag toen een tweede man - dader B. B stapte via het achterportier in en ging achter haar in de auto zitten. A zei dat zij geen angst moest hebben, als zij maar deed wat hij zei. In totaal hebben ze ongeveer een kwartier gereden. Op een weggetje, naar later bleek het Raadhuisplein te Oosterbeek, stopten ze. A zei dat zij moest blijven zitten en dat zij niet mocht kijken naar wat ze zouden gaan doen. Beide mannen gingen buiten de auto met elkaar overleggen. B heeft onderweg niet veel gezegd, alleen "schiessen, schiessen". Na korte tijd stapten beide mannen weer in en gingen op dezelfde plek zitten als daarvoor. Ze zeiden dat zij geld moest pinnen. Ze kwamen uiteindelijk aan bij de Rabobank aan de Pastoor Bruggemanlaan te Oosterbeek. A parkeerde de auto. A zei dat zij geen verkeerde beweging moest maken of moest proberen om weg te komen. Hij dreigde constant dat hij haar neer zou schieten als zij niet zou doen wat hij zei. Hij hield bij het uitstappen ook het pistool op haar middel gericht. Hij vroeg hoeveel geld zij er kon afhalen. Zij heeft een bedrag van EUR 250,- gepind. Verder moest zij het geld dat in haar portemonnee zat, ongeveer EUR 100,-, afgeven. Onder bedreiging van het vuurwapen pakte zij het geld uit de pinautomaat en heeft dit aan hem gegeven. Het bankpasje moest zij ook aan hem afgeven. B was in de auto blijven zitten. A en zij liepen terug naar de auto. Beiden gingen ze weer op dezelfde plek in de auto zitten. Ze hebben daar nog tien minuten stilgestaan. A vroeg of zij verstandig genoeg was om hem niet aan te geven; hij wist haar toch wel te vinden. Vervolgens is A weggereden en op de Brugstraat in Arnhem gestopt. Zij moest van de man haar adres geven. Zij heeft het adres opgeschreven. Zij moest haar paspoort en rijbewijs afgeven, zodat hij kon kijken of dat klopte. Hij werd kwaad, want op het paspoort en rijbewijs stond geen adres. Zij moest vervolgens haar autopapieren pakken. A heeft diverse papieren meegenomen, waaronder die van de verzekering. Hij zei dat hij met deze papieren voldoende in handen had voor het geval zij toch naar de politie zou gaan. A en B zijn vervolgens uitgestapt. Zij zag dat A en B wegliepen in de richting van de Utrechtsestraat. Kort voor het uitstappen moest zij haar mobiele telefoon aan A afgeven. Zij is vervolgens hard weggereden naar het huis van [betrokkene 1]. (Proces-verbaal aangifte, dossierparagraaf 2.10.2 en Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer], opgemaakt door de Rechter-Commissaris in de strafzaak tegen de aanvrager).

(ii) [Betrokkene 1] heeft het volgende verklaard. Op 8 februari 2002, enige tijd na omstreeks 21.45 uur, arriveerde [slachtoffer] bij haar woning. [slachtoffer] was helemaal over haar toeren. [slachtoffer] vertelde dat zij was overvallen en dat de mannen haar adres hadden. (Proces-verbaal van verhoor, dossierparagraaf 2.10.3).

(iii) Bij een gehouden fotoconfrontatie werden de aangeefster tien foto's getoond, waaronder de foto van de aanvrager. De aangeefster wees foto 7 aan als de man die zij in haar aangifte man A heeft genoemd. De foto van de aanvrager was als nummer 7 op het fotobord geplaatst. Zij heeft de aanvrager voor 100% herkend als de bestuurder van de auto, die haar heeft bedreigd. (Proces-verbaal fotoconfrontatie, dossierparagraaf 2.10.11 en Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer], opgemaakt door de Rechter-Commissaris in de strafzaak tegen de aanvrager).

(iv) Ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 januari 2003 heeft de aanvrager verklaard dat hij Duits kan spreken en dat hij op 3 april 2002 te Renkum vuurwapens en munitie voorhanden had. Bij doorzoeking van de woning van de aanvrager op voormelde datum zijn een pistool, kaliber 9 mm, een gaspistool, merk Walther, type PP, kaliber 9 mm en munitie aangetroffen en in beslaggenomen. (Proces-verbaal doorzoeking, dossierparagraaf 1.1.4 en Proces-verbaal Wet wapens en munitie, dossierparagraaf 2.7.2).

(v) Uit een door speurhondengeleider [verbalisant 1], werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie IJsselland, op 29 april 2002 verrichte geuridentificatieproef bleek dat speurhond Barry een geurovereenkomst waarnam tussen het geurmonster van de zittingen van de auto van de aangeefster en de geurdragers die waren vastgehouden door de aanvrager. (Proces-verbaal, dossierparagraaf 2.10.9).

5.3. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan worden afgeleid dat ook zonder het resultaat van de onder (v) vermelde geuridentificatieproef in aanmerking te nemen, de aanvrager één van de personen is geweest die de tenlastegelegde afpersing heeft gepleegd. Voor zover in de aanvrage nog een beroep wordt gedaan op omstandigheden op grond waarvan de verklaringen van de aangeefster wat betreft het door haar gegeven signalement en de overige persoonlijke kenmerken van dader A en de herkenning van de aanvrager tijdens de fotoconfrontatie niet voor het bewijs bruikbaar zijn, alsmede op omstandigheden op grond waarvan de compositietekening geen waarde voor het bewijs kan worden toegekend, kan dit niet tot herziening leiden. Het Hof was immers met deze aangevoerde omstandigheden bij het onderzoek op de terechtzitting bekend.

5.4. Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder het belastende resultaat van een geuridentificatieproef uit het beschikbare bewijsmateriaal kan worden afgeleid, doet zich niet het hiervoor onder 4.3 bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.

De aanvrage is dus kennelijk ongegrond en moet worden afgewezen.

6. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 2 december 2008.