Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BG5651

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
02-12-2008
Zaaknummer
07/11688 Hs
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Geurproefzaak. Uit de inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken kan met voldoende mate van aannemelijkheid worden afgeleid dat, ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef in aanmerking te nemen, aanvrager een van de personen is geweest die de tenlastegelegde inbraak heeft gepleegd. Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef uit het beschikbare materiaal kan worden afgeleid, doet zich niet het in art. 457.1.2 Sv bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Pr aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 december 2008

Strafkamer

nr. 07/11688 Hs

RR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 28 april 2003, parketnummer 07/280057-03, ingediend door mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De Hoge Raad vat het in de aanvrage aangevoerde aldus op dat volgens de aanvrager zijn zaak destijds niet tot een veroordeling zou hebben geleid, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.

3. Achtergrond van de aanvrage

In de aanvrage wordt melding gemaakt van een brief van mei 2007 van het Arrondissementsparket Zwolle- Lelystad gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.

4. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing

4.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC 8789).

4.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

4.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

5. Beoordeling van de aanvrage

5.1. Het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd betreft de veroordeling van de aanvrager ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen uit een kantoorgebouw, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, gepleegd op 29 januari 2003 te Lelystad.

5.2. De Politierechter heeft volstaan met een "Aantekening mondeling vonnis". Voorts bevindt zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken geen proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.

(i) Op 29 januari 2003 omstreeks 01.45 uur is een inbraak gepleegd in het kantoorgebouw van de Dienst der Domeinen aan het Maerlant 1 te Lelystad, waarbij een steen door een van de ruiten van het kantoor is gegooid. Bij de inbraak zijn drie LCD beeldschermen weggenomen. (Proces-verbaal van aangifte, nummer 2003005528-1, pagina's 1-4).

(ii) Observatierechercheurs van de Taakgroep Fysieke Observatie hebben op 29 januari 2003 tussen 00.25 uur en 01.50 uur het volgende bevonden. In een personenauto van het merk Volvo, type 360, kleur rood en voorzien van kenteken [AA-00-BB] vertrokken in ieder geval drie personen vanaf de [a-straat 1] te Lelystad. De personenauto werd even later geparkeerd op een parkeerplaats, gelegen aan de Zandbank te Lelystad. Twee manspersonen stapten uit de auto en liepen weg over de voetgangersbrug, gelegen aan de Polderdreef, in de richting van het Maerlant te Lelystad. Hier stonden zij enige tijd te praten. Persoon 1 (NN1) was gekleed in een zwarte driekwart lederen jas en droeg een licht petje. Persoon 2 (NN2) droeg een kort model donkerrode jas en had donker krullend haar. Tussentijds stapte de bestuurder van de auto (NN3) uit en even later weer in de auto. Hij was gekleed in een zwarte jas en had kort zwart haar. Vervolgens liepen NN1 en NN2 terug over de voetgangersbrug naar de auto. Na vijf minuten in de auto gezeten te hebben, stapten NN1, NN2 en NN3 gezamenlijk uit de auto en liepen richting de voetgangersbrug. Een paar minuten later kwamen NN1 en NN3 terug naar de auto, welke nog geparkeerd stond op de parkeerplaats van de Zandbank, en vertrokken met de auto. NN2 hield zich op op de voetgangersbrug. Vervolgens werd de auto geparkeerd op het Bastion nabij de trap van de voetgangersbrug. NN1 en NN3 stapten uit de auto en liepen de trap op en stonden bovenaan stil bij NN2. NN1 en NN2 liepen verder de loopbrug op in de richting van het gebouw dat is gelegen direct naast de voetgangersbrug over de Polderdreef, aan de zijde van het Maerlant. Hierna liep NN2 de noodtrap op welke bij voormeld gebouw behoort. Na het horen van breekgeluiden en glasgerinkel werd NN1 op de voetgangersbrug gezien met een houten pallet in zijn handen. Hij legde deze weg in de bosjes naast de brug. Hierna rende NN2 vanaf de brandtrap weg met op een flatscreen gelijkend voorwerp in zijn handen. Vervolgens renden NN1 en NN3 weg, waarna zij met zijn tweeën in de Volvo stapten. NN2 rende weg over de centrumbrug in de richting van de Vesté te Lelystad. Geconstateerd werd nadien dat de deur van de nooduitgang op de eerste etage was verbroken en dat een raam, welke via de voetgangersbrug te bereiken is, was vernield. Kort hierna reed de auto met piepende banden en gedoofde lichten weg vanaf het Maerlant en ging met piepende banden de bocht om in de richting van de Houtribdreef.

De auto werd kort daarna in stilstand teruggevonden op het Snijdershof te Lelystad. Beide portieren van het voertuig waren geopend. Tussen het moment dat de auto de bocht om ging en het aantreffen van het voertuig zaten ongeveer 15 seconden. Omstreeks 01.44 uur liep een persoon over het Noorderwagenplein, dit was 5 seconden na het aantreffen van de auto. De persoon voldeed aan het signalement van NN1 en werd aangehouden. (Proces-verbaal van observatie, 20031028Byte.doc, pagina's 1-6; Proces-verbaal van aanhouding, nummer 2003005528-8, pagina's 1-2). NN1 bleek te zijn: [medeverdachte 1], NN2 bleek te zijn [medeverdachte 2] en NN3 bleek te zijn: de aanvrager. (Proces-verbaal, Algemeen relaas van onderzoek, nummer 2003005528, pagina 2).

(iii) De aanvrager heeft het volgende verklaard. Hij is op 28 januari 2003 omstreeks 24.00 uur bij [medeverdachte 2] aan de [a-straat 1] te Lelystad geweest. De aanvrager en [medeverdachte 2] zijn met de auto, die werd bestuurd door de hem bekende [medeverdachte 1], naar de Zandbank gereden om daar vervolgens te stoppen op de parkeerplaats. In de auto zei [medeverdachte 2] tegen hem dat hij mee moest om doekoe (geld) te maken. Hij bedoelde daarmee dat hij computers wilde gaan stelen. Hij is met [medeverdachte 2] over de brug naar het kantoor van de belasting gelopen. Na tien minuten zijn zij met zijn tweeën naar de auto teruggelopen. De aanvrager en [medeverdachte 2] zijn bij [medeverdachte 1] in de auto gestapt en [medeverdachte 1] is weggereden naar een afgesproken plek. De aanvrager en [medeverdachte 2] zijn daar uitgestapt en de trap opgelopen. Boven aangekomen zijn zij in de richting van het gebouw van de belasting gelopen. Hij zag dat [medeverdachte 2] bij het gebouw stond, een pallet had gepakt en deze had neergezet tegenover een ruit die was ingegooid. Hij zag vervolgens dat [medeverdachte 2] over de pallet door het gat in de ruit kroop en het gebouw binnenging. De aanvrager is teruggelopen in de richting van de trap waar ook [medeverdachte 1] inmiddels stond. Hij hoorde veel lawaai komen uit het gebouw. Het lawaai bestond uit vallende spullen. Hij zag dat [medeverdachte 2] de deur bij de wenteltrap had opengetrapt en naar binnenging. Hij is toen samen met de bestuurder naar de auto gegaan. Korte tijd later zijn [medeverdachte 1] en hij weggereden. (Proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer 2003005528-32, pagina's 1-4).

(iv) De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft het volgende verklaard. Hij is op 28 januari 2003 omstreeks 24.00 uur als bestuurder van zijn auto, een rode Volvo 360 i, samen met [medeverdachte 2] en de aanvrager naar de Zandbank te Lelystad gereden en heeft de auto geparkeerd bij het Bastion. De aanvrager en [medeverdachte 2] zijn aldaar uitgestapt. Na ongeveer een kwartier kwamen ze terug. [Medeverdachte 2] zei vervolgens dat hij naar het Bastion moest rijden omdat hij daar spullen moest ophalen. Hij is vanaf de Zandbank langs het Belastingkantoor in de richting van het Bastion gereden en heeft daar de auto geparkeerd. De aanvrager en [medeverdachte 2] zijn uitgestapt en zijn beiden de trap opgelopen. Enige tijd later kwam de aanvrager terug en ging op de passagiersstoel zitten. De aanvrager is vervolgens weer uitgestapt en de trap opgelopen. Nog geen twee minuten later kwam de aanvrager aangerend en is bij hem in de auto gesprongen. Na een korte rit heeft hij de auto met gillende banden tot stilstand gebracht. De aanvrager sprong toen uit de auto en rende weg. (Proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer 2003005528-23, pagina's 1-5).

(v) De medeverdachte [medeverdachte 2], wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats], heeft het volgende verklaard. Hij heeft ingebroken in het Belastingkantoor te Lelystad. Hij heeft van dat kantoor een ruit ingegooid met een steen en is met behulp van een plank binnengekomen. In het gebouw heeft hij in totaal drie beeldschermen weggenomen. Hij is met de aanvrager en [medeverdachte 1] naar het Bastion gereden. (Proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer 2003005528-27, pagina's 1-2). Bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 2] is onder meer een van de flatscreens aangetroffen die bij de inbraak in het perceel Maerlant 1 te Lelystad was weggenomen. (Proces-verbaal, Algemeen relaas van onderzoek, nummer 2003005528, pagina's 2-3).

(vi) Uit een door speurhondengeleider [verbalisant 1], werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie IJsselland, op 25 februari 2003 verrichte geuridentificatieproef bleek onder meer dat speurhond Barry een geurovereenkomst waarnam tussen het aangeboden geurmonster van de in het kantoor aangetroffen tegel en van aldaar aanwezige (computer)kabels en de geurdragers die waren vastgehouden door de aanvrager. (Proces-verbaal van geuridentificatieproef, nummer 25.02.03.12.55.PAUMAR, pagina's 1-4).

5.3. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken kan met voldoende mate van aannemelijkheid worden afgeleid dat, ook zonder het hiervoor onder 5.2 sub (vi) vermelde resultaat van de geuridentificatieproef in aanmerking te nemen, de aanvrager een van de personen is geweest die de tenlastegelegde inbraak heeft gepleegd.

5.4. Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef uit het beschikbare materiaal kan worden afgeleid, doet zich niet het hiervoor onder 4.3 bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Politierechter de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.

De aanvrage is dus kennelijk ongegrond en moet worden afgewezen.

6. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 2 december 2008.