Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BG3664

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
01751/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BG3664
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Denaturering verklaring verdachte bij de R-C. Het p-v van de R-C inhoudende de door verdachte afgelegde verklaring houdt in dat verdachte heeft verklaard: “Ik wist dat ze [slachtoffer 1] te grazen wilden nemen. Ik wist dat [betrokkene 1] een vuurwapen had.” Gelet hierop was het Hof niet toegestaan de door verdachte tegenover de R-C afgelegde verklaring weer te geven op de wijze zoals in het arrest vermeld. Dit brengt mee dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 341
Wetboek van Strafvordering 344
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 1030
RvdW 2009, 170
NJB 2009, 202
NBSTRAF 2009/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 december 2008

Strafkamer

nr. 01751/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 april 2007, nummer 23/004366-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over denaturering door het Hof van de door de verdachte tegenover de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring.

2.2. Het Hof heeft bewezenverklaard dat:

"[Betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op 7 december 2004 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen sleutels en een geldbedrag van ongeveer 30.000 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [A], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] een vuurwapen op voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en gericht gehouden en [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen op zijn buik te gaan liggen en de handen van [slachtoffer 1] op zijn rug heeft/hebben vastgebonden en een vuurwapen op zijn hoofd heeft/hebben gedrukt en gedrukt gehouden en [slachtoffer 1] heeft/hebben geblinddoekt en hem onder bedreiging van het vuurwapen heeft/hebben gedwongen mee te lopen naar de kluis, tot het plegen van welk feit verdachte op 7 december 2004 te Hoorn opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door [betrokkene 1] telefonische inlichtingen te verschaffen met betrekking tot welke tijdstippen [slachtoffer 1] zou werken bij [A]."

2.3. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris inhoudende de door de verdachte op 16 februari 2005 afgelegde verklaring, die door het Hof als volgt is weergegeven:

"Ik ben werkzaam bij [A]. [Betrokkene 1], een oud-medewerker van [A], heeft mij om hulp gevraagd. Hij wilde weten of [slachtoffer 1] (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer 1]) in dienst was. [Betrokkene 1] heeft mij dit gevraagd in de nacht dat de overval gebeurde (het hof begrijpt: in de nacht van 6 op 7 december 2004). Ik wist dat ze [slachtoffer 1] te grazen wilden nemen. Ik wist dat [betrokkene 1] een vuurwapen had. Ik wist dat de overval zou gebeuren. De volgende dag vertelde [betrokkene 1] mij dat hij de overval had gepleegd en dat hij EUR 300,- voor mij had."

2.4. Voormeld proces-verbaal, dat zich bevindt bij de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken, houdt als verklaring van de verdachte tegenover de Rechter-Commissaris, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Ik ben niet betrokken geweest bij een overval op [A] in [plaats] op 7 december 2004. Ik ben werkzaam bij [A].

U houdt mij voor de verklaring die ik heb afgelegd bij mijn inverzekeringstelling (pagina 203). Ik wist dat de overval zou gebeuren. [Betrokkene 1], een oud medewerker van [A], heeft mij om hulp gevraagd. Hij wou weten of [slachtoffer 1] in dienst was en of ik hem kon helpen aan een breekijzer of koevoet. Hij wilde de kluis openen. Hij heeft mij dit gevraagd in de nacht dat de overval gebeurde. Ik sliep op dat tijdstip. Ik heb toen met ja, ja, ja, geantwoord. Maar ik heb vervolgens met niemand contact opgenomen. Ik heb ook geen contact opgenomen met de politie. Ik was er bang voor dat ik in de problemen zou komen. Ik ben weer gaan slapen. Ik heb de volgende dag contact met [betrokkene 1] gehad. En hij vertelde mij dat hij de overval heeft gepleegd. Hij zei toen dat ik een goede collega was, die dingen voor hem deed en hij had 300 euro voor mij. Hij zei dat ik die kon ophalen. Ik zag dit aanbod als een vriendendienst. Ik deed immers dingen voor hem op het werk. Ik haalde eten voor hem en sigaretten. Ik heb hem wel eens opgehaald en weggebracht met de auto. Ik had er geen idee van waar het geld vandaan kwam. [Betrokkene 2] ken ik niet. Ik heb [betrokkene 1] wel eens opgebeld en toen kreeg die mevrouw aan de lijn. Ik heb niet met haar gesproken, ik heb alleen gevraagd naar [betrokkene 1]. Ik heb haar nooit gezien. U houdt mij voor dat ik kennelijk wel weet wie zij is. Ik zeg hierop: mij is eerder gevraagd of ik haar ken.

U houdt mij de verklaring van [betrokkene 2] op pagina 113 voor. Ik heb het niet gezien als tipgeld. Ik heb [betrokkene 1] geen informatie gegeven. Ik heb de volgende dag contact opgenomen met [betrokkene 1], ik was nieuwsgierig en ik heb hem gevraagd wat hij had gedaan. Hij zei dat het hem gelukt was. Dit heeft hij gezegd voordat hij de 300 euro aan mij had gegeven. Ik heb ook daarna nog contact met hem gehad.

(...)

Op de vordering van de officier van justitie zeg ik:

Ik heb al aangegeven dat ik wist dat het zou gebeuren en ik geen stappen heb ondernomen. Dit spijt mij. Ik heb nog nooit in mijn hoofd gehaald zoiets te doen."

2.5. Het hiervoren onder 2.4 weergegeven proces-verbaal houdt niet in dat de verdachte heeft verklaard: "Ik wist dat ze [slachtoffer 1] te grazen wilden nemen. Ik wist dat [betrokkene 1] een vuurwapen had." Gelet hierop was het het Hof niet toegestaan de door de verdachte tegenover de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring weer te geven op de wijze als hiervoor onder 2.3 vermeld. Dit brengt mee dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

2.6. Het middel is gegrond.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, dat het tweede middel geen bespreking behoeft en dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 23 december 2008.