Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BG3449

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
01207/07 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BG3449
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rechtstreekse schade. O.g.v. art. 361.2.b Sv is een b.p., Gemeente Y, Dienst Verzekeringszaken, alleen ontvankelijk in haar vordering als haar rechtstreekse schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Nu de vordering van de benadeelde partij strekt tot vergoeding van de ten gevolge van het onder 4 bewezenverklaarde feit geleden schade, terwijl dat feit een jegens X – een bij de gemeente Y werkzame ambtenaar – gepleegde bedreiging inhoudt en de b.p. derhalve niet zelf is getroffen in enig belang dat door de met dat feit overtreden strafbepaling wordt beschermd, geeft ’s Hofs oordeel dat de b.p. als rechtstreeks gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden, blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip rechtstreekse schade a.b.i. art. 51a.1 en art. 361.2 Sv. HR vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend w.b. de beslissing op de vordering b.p. en de t.b.v. haar aan verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel en verklaart de b.p. n-o.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51a
Wetboek van Strafvordering 361
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 1028
NJ 2009, 33
RvdW 2009, 127
NJB 2009, 199
NBSTRAF 2009/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 december 2008

Strafkamer

nr. 01207/07 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 16 februari 2007, nummer 23/006564-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende op [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

1.2. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, Gemeente Amsterdam Dienst Verzekeringszaken, en de schadevergoedingsmaatregel, tot niet-ontvankelijkverklaring van deze benadeelde partij in haar vordering en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.3. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

1.4. Na de terechtzitting waarop de conclusie van de Advocaat-Generaal is genomen, is bij de Hoge Raad nog een schrijven van de raadsvrouwe van de benadeelde partij, Gemeente Amsterdam Dienst Verzekeringszaken, mr. J.A. van den Bosch, advocaat te Amsterdam, ingekomen.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de benadeelde partij, Gemeente Amsterdam Dienst Verzekeringszaken, ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in de vordering, nu zij niet kan worden aangemerkt als degene die rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde bedreigingen van haar medewerkster.

2.2. Onder 4 is ten laste van de verdachte, kort gezegd, onder meer bewezenverklaard dat hij te Amsterdam op 25 november 2003 [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de bedreiging van [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden ter zake van haar werkzaamheden als ambtenaar bouw- en woningtoezicht van de Gemeente Amsterdam.

2.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een voegingsformulier van de Gemeente Amsterdam Dienst Verzekeringszaken. Daarin wordt gesteld dat [slachtoffer 1] als gevolg van de bedreiging geruime tijd ziek is geweest. De benadeelde partij heeft als schade gevorderd het netto salaris van [slachtoffer 1].

2.4. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

"De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 4 tenlastegelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van € 12.482,97 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

Het hof is van oordeel dat de aangever van het onder 4 bewezengeachte strafbare feit, een ambtenaar in dienst van de gemeente Amsterdam, en de gemeente Amsterdam

- gezien het feit dat het bewezengeachte werd begaan jegens deze ambtenaar tijdens de uitoefening van zijn functie - in zodanig nauw verband staan dat de gemeente Amsterdam in de onderhavige strafzaak als benadeelde partij aangemerkt kan worden. Het hof is daarnaast van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer."

2.5. Op grond van art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv is een benadeelde partij alleen ontvankelijk in haar vordering als haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

2.6. Nu de vordering van de benadeelde partij, Gemeente Amsterdam Dienst Verzekeringszaken, strekt tot vergoeding van de ten gevolge van het onder 4 bewezenverklaarde feit geleden schade, terwijl dat feit een jegens [slachtoffer 1] gepleegd feit inhoudt en de benadeelde partij derhalve niet zelf is getroffen in enig belang dat door de met dat feit overtreden strafbepaling wordt beschermd, geeft 's Hofs oordeel dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden, blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51a, eerste lid, en art. 361, tweede lid, Sv.

2.7. Het middel treft dus doel. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak wat betreft de aan de verdachte opgelegde betalingsverplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij evenmin in stand kan blijven. De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen.

3. Beoordeling van het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, Gemeente Amsterdam Dienst Verzekeringszaken, en de ten behoeve van haar aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

verklaart de benadeelde partij, Gemeente Amsterdam Dienst Verzekeringszaken, niet-ontvankelijk in haar vordering;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 23 december 2008.