Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BG1816

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
C07/137HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BG1816
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4841, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Invordering; executoriaal beslag van ontvanger op onroerende zaken die in eigendom toebehoren van belastingschuldige en zijn echtgenote tezamen; beslag op aandeel van deelgenoot, uitwerking van HR 30 maart 2001, nr. C99/184, NJ 2002, 380.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 10
Invorderingswet 1990 15
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 437
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 502
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 503
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 504
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 505
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 506
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 507
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 508
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 509
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 1010
NJ 2009, 26
RvdW 2009, 90
NJB 2009, 70
JWB 2008/541
AA20090116 met annotatie van A.J.M. Nuytinck
JOR 2009/93 met annotatie van Mr. L. Timmerman
JBPR 2009/13 met annotatie van Mr. M.L. Tuil
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 december 2008

Eerste Kamer

Nr. C07/137HR

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. M. de Boorder,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST RIJNMOND,

kantoorhoudende te Rotterdam,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

De eisers tot cassatie zullen hierna tezamen ook worden aangeduid als [eisers] en afzonderlijk als [eiser 1], resp. [eiseres 2], verweerder in cassatie als de Ontvanger.

1. Het geding in feitelijke in [eisers] hebben bij exploot van 2 februari 2006 de Ontvanger in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en voor zover thans nog van belang gevorderd, kort gezegd, dat de voorzieningenrechter;

* alle door de Ontvanger gelegde beslagen in verband met de voorlopige aanslagen IB over 2002 en 2003 ten name van [eiser 1] zal opheffen, althans de Ontvanger zal veroordelen om de beslagen op te heffen en doen doorhalen in de registers,

* de Ontvanger zal verbieden invorderingsmaatregelen te treffen ter zake van de voorlopige aanslagen dan wel ter zake van opgelegde of nog op te leggen (definitieve) aanslagen ten name van [eiser 1] zolang deze aanslagen niet onherroepelijk vaststaan,

* de Ontvanger zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis schriftelijk aan de hypotheekhoudster te berichten dat de executoriale beslagen ter zake van de voorlopige aanslagen IB 2002 en 2003 onjuist waren,

* de Ontvanger zal veroordelen om de verplichtingen ingevolge art. 505 Rv in acht te nemen, voor zover hij beoogt beslag te leggen op onroerend goed dat aan de echtgenote in mede-eigendom toebehoort, een en ander telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom.

De Ontvanger heeft de vorderingen bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 3 maart 2006 de vorderingen van [eisers] afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [eisers] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Het hof heeft, na tussenarrest van 19 oktober 2006 waarbij een comparitie van partijen is gelast, bij eindarrest van 8 februari 2007 het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 maart 2006 bekrachtigd.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Ontvanger mede door mr. A.L. Kruijmer, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De advocat van [eisers] heeft op 7 november 2008 schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De Ontvanger heeft ter zake van belastingschulden van [eiser 1] beslag gelegd op een aantal onroerende zaken waarvan [eiser 1] eigenaar is, alsmede op een tweetal onroerende zaken waarvan [eiser 1] eigenaar is tezamen met zijn echtgenote [eiseres 2].

Met betrekking tot het beslag op laatstgenoemde zaken heeft het hof in het tussenarrest overwogen:

5.Grief XI strekt ten betoge dat het beslag op de panden waarvan [eiseres 2] mede-eigenares is, geen doel treft omdat de Ontvanger slechts beslag had mogen leggen op het aandeel van [eisers] Ook deze grief is vergeefs voorgesteld. Het is evident dat de ontvanger in casu slechts het aandeel van [eiser 1] in beslag kon nemen en in beslag heeft genomen. Dat niet expliciet in het beslagexploot is vermeld dat [eiser 1] voor 1/2e deel eigenaar van de litigieuze onroerende zaken is, betekent niet dat [eisers] stellen, het desbetreffende beslag per ommegaande opgeheven, dan wel nietig verklaard dient te worden.

(...)

9. Grief XV strekt ten betoge dat de rechter ten onrechte, want in strijd met het bepaalde in artikel 505 Rv, geoordeeld heeft dat tijdige betekening aan [eiseres 2] (van afschriften) van het proces-verbaal van inbeslagneming van de twee onroerende zaken waarvan zij mede-eigenares is, geen nietigheid van de beslagen op die onroerende zaken tot gevolg heeft gehad. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

9.1 De grief faalt. Zoals in rechtsoverweging 5 reeds is overwogen, heeft de Belastingdienst, nu in casu slechts [eiser 1] (en niet [eiseres 2]) de belastingschuldige is, slechts het aandeel van [eiser 1] (en niet het aandeel van [eiseres 2]) in de eigendom van de litigieuze twee panden in beslag kunnen nemen (en genomen). Nu voorts de strekking van de regeling van artikel 505 Rv is bewerkstelliging van externe werking van het gelegde beslag en bescherming van de beslaglegger tegen rechtshandelingen van de beslagschuldenaar ([eiser 1]), valt niet in te zien waarom betekening ook aan [eiseres 2], wier aandeel in de eigendom niet in beslag is genomen en (derhalve) door executie (zonder haar medewerking) niet aan haar kan worden ontnomen, op straffe van nietigheid ook had behoren plaats te vinden."

Tegen deze overwegingen komen [eisers] op in de onderdelen I en III van het middel.

3.2.1 Blijkens het desbetreffende door [eiser 1] in het geding gebrachte proces-verbaal van executoriaal beslag op onroerende zaken is ten laste van [eiser 1] beslag gelegd op

"Huis, garage, tuin en terras gelegen in [plaats], plaatselijk bekend [a-straat 1], kadastraal bekend [plaats], sectie [A] nummer [001], grootte 2 are en 24 centiare.

Boerderij en weiland gelegen in [plaats], plaatselijk bekend [b-straat 1], kadastraal bekend [plaats], sectie [B], nummer [002], grootte 82 are en 70 centiare."

3.2.2 Ook voor een executoriaal beslag als het onderhavige geldt hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2001, nr. C99/184, NJ 2002, 380, heeft overwogen ten aanzien van het daar aan de orde zijnde conservatoir beslag, te weten:

"(...)Het aandeel van een deelgenoot in een gemeenschap is een vermogensrecht van andere aard dan de eigendom van tot de gemeenschap behorende zaken.

(...)

Uitgangspunt moet zijn dat bij het leggen van het beslag wordt gespecificeerd op welk vermogensrecht het wordt gelegd. Bij de executie zal het daarbij te verkopen goed immers moeten zijn gespecificeerd. Het proces-verbaal van beslaglegging dient mede ertoe vast te leggen welk goed van de schuldenaar uiteindelijk zal worden verkocht. Niet kan worden aanvaard dat een beslag, dat blijkens het proces-verbaal is gelegd op een niet aan de schuldenaar toebehorend recht op een goed, zou kunnen worden gewijzigd in beslag op een wel aan de schuldenaar toebehorend recht op dat goed."

3.2.3 Onderdeel I, dat gericht is tegen rov. 5 van het hof, slaagt, omdat het oordeel van het hof dat de Ontvanger slechts het aandeel van [eiser 1] in beslag heeft genomen, hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij niet begrijpelijk is gemotiveerd. Het eerste is het geval indien dat oordeel berust op een miskenning van hetgeen hiervóór in 3.2.2 is overwogen. Indien het hof dat niet heeft miskend, is het bedoelde oordeel zonder nadere, door het hof niet gegeven, toelichting niet begrijpelijk in het licht van de inhoud van het proces-verbaal van beslaglegging.

3.3 Onderdeel III is gericht tegen rov. 9.1.

Voorzover het onderdeel is gegrond op het uitgangspunt dat het beslag mede op het aandeel van [eiseres 2] in de betrokken onroerende zaken is gelegd, mist het feitelijke grondslag, omdat het bestreden oordeel berust op het uitgangspunt dat slechts op het aandeel van [eiser 1] beslag is gelegd.

Voorzover het onderdeel van dit laatste uitgaat, faalt het eveneens, omdat het hof met juistheid heeft geoordeeld dat art. 505 Rv. slechts betekening (van een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming) aan de geëxecuteerde voorschrijft en dit niet meebrengt dat, indien beslag is gelegd op het aandeel van de geëxecuteerde in een onroerende zaak, tevens betekening moet geschieden aan de medeëigena(a)r(en) daarvan.

3.4 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 oktober 2006 en 8 februari 2007;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 452,03 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op

19 december 2008.