Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BG1682

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
08/00590
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BG1682
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Verzoek van schuldenaar tot verlenging van de surseance van betaling en verzoek van de bewindvoerder tot intrekking van de surseance; vrijheid rechter de geschilpunten die hem worden voorgelegd, te behandelen in de volgorde die hem het meest aangewezen lijkt.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 218
Faillissementswet 223
Faillissementswet 242
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 988
NJ 2009, 23
RvdW 2009, 87
RI 2009, 17
NJB 2009, 144
JWB 2008/544
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 december 2008

Eerste Kamer

08/00590

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

Mr. F.J.H. SOMERS, aanvankelijk in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de surseance van verzoeker tot cassatie, thans in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van verzoeker tot cassatie,

kantoorhoudende te Alphen aan den Rijn,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en mr. Somers q.q.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 september 2006 is aan [verzoeker] voor de duur van anderhalf jaar surseance van betaling verleend, met benoeming van mr. E. Rabbie tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. Somers q.q. als bewindvoerder. De verleende surseance van betaling is op verzoek van de bewindvoerder beƫindigd bij vonnis van voornoemde rechtbank van 3 januari 2008. Bij dat vonnis is [verzoeker] tevens in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. J.J. van der Helm tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. Somers q.q. als curator.

Tegen het vonnis van de rechtbank van 3 januari 2008 heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

De zaak is ter terechtzitting van 24 januari 2008 mondeling behandeld, waarbij [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Pelle, advocaat te 's-Gravenhage, alsmede mr. Somers q.q.

Bij arrest van 31 januari 2008 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Mr. Somers q.q. heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [verzoeker] heeft op 7 november 2008 schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Aan [verzoeker] is definitief surseance van betaling verleend tot 14 december 2007. Bij verzoekschrift van 12 december 2007 heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht de surseance te verlengen. De bewindvoerder heeft vervolgens een verzoek ingediend tot intrekking van de surseance op de voet van art. 242 F., met het advies aan de rechtbank het faillissement van [verzoeker] uit te spreken.

De rechtbank heeft het verzoek van de bewindvoerder toegewezen en heeft [verzoeker] in staat van faillissement verklaard. Het hof heeft het vonnis bekrachtigd. Het heeft daartoe, voor zover thans van belang, in rov. 6 overwogen dat de staat van de boedel zodanig was dat het vooruitzicht dat [verzoeker] na verloop van tijd zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen, niet langer bestond, zodat handhaving van de verleende surseance niet langer wenselijk was.

3.2 Middel I klaagt onder meer dat het hof eerst het verlengingsverzoek van [verzoeker] had moeten behandelen en pas daarna het verzoek van de bewindvoerder tot intrekking van de surseance.

De klacht faalt. Het staat de rechter in het algemeen vrij de geschilpunten die hem worden voorgelegd, te behandelen in de volgorde die hem het meest aangewezen lijkt. Die vrijheid had het hof in dit geval ook, temeer daar het in art. 242 lid 1, onder 5, F. genoemde criterium aan de hand waarvan het hof heeft onderzocht of het intrekkingsverzoek diende te worden toegewezen, in wezen gelijk is aan de tweede in art. 218 lid 4 F. genoemde grond voor afwijzing van een verlengingsverzoek. Ingevolge art. 223 lid 2 F. in verbinding met art. 218 lid 4 F. moet de rechter immers een verlengingsverzoek onder meer afwijzen indien niet het vooruitzicht bestaat dat de schuldenaar na verloop van tijd zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen.

Voor zover het middel betoogt dat het hof heeft miskend dat rekening gehouden moet worden met het standpunt van de schuldeisers, die volgens [verzoeker] voor verlenging van de surseance waren, en dat door eerst het intrekkingsverzoek te behandelen, dat standpunt niet meer aan de orde komt, faalt het eveneens, nu ingevolge art. 218 lid 2 F. in verbinding met art. 223 lid 2 F. het standpunt van schuldeisers slechts van belang is indien een in art. 218 lid 2 genoemd gedeelte van de schuldeisers zich tegen verlening of verlenging van de surseance verklaart.

3.3 De overige klachten van middel I en de in middel II aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 19 december 2008.