Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BF5557

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
07/11017
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BF5557
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4125, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Locus delicti. Uitleg “verbergen of verhullen” a.b.i. art. 420bis (witwassen) , art. 420ter (gewoontewitwassen) en art. 420quater Sr (schuldwitwassen). 2. Verjaring van de misdrijven waarop het witwassen betrekking heeft. Ad 1. Het Hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat de misdrijven in de woonplaats van verdachte zijn begaan, nu het kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen dat verdachte uit zijn woonplaats het beheer voerde over de desbetreffende banksaldi. Daarbij heeft de HR in aanmerking genomen dat het “verbergen of verhullen” a.b.i. art. 420bis, art. 420ter en art. 420quater Sr in een geval als i.c., waarin op rekeningen op naam van anderen door verdachte banksaldi zijn aangehouden die naar verdachte wist van misdrijf afkomstig waren, niet enkel kan bestaan uit gedragingen waarmee wordt bewerkstelligd dat deze saldi op een zodanige rekening worden gestort, maar ook uit gedragingen waardoor plaatsing van die saldi op een zodanige rekening voortduurt. Ad 2. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat misdrijven die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wettelijke bepalingen op 14-12-2001 en die mogelijk voor of na die datum zijn verjaard, niet als “enig misdrijf” i.d.z.v. voormelde bepalingen kunnen gelden, is onjuist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 916
NJ 2009, 147 met annotatie van M.J. Borgers
RvdW 2009, 52
JOW 2009, 19
NJB 2009, 77
VA 2009/27 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 december 2008

Strafkamer

nr. 07/11017

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 november 2006, nummer 20/000044-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-Oost" te Roermond.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de straf, met verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel komt op tegen de verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer met betrekking tot de pleegplaats van feit 4.

2.2. Onder 4 is, kort gezegd en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich in [plaats] heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen, onder meer doordat hij de werkelijke aard of de herkomst of de vindplaats heeft verborgen of verhuld van verscheidene banksaldi, door deze te bewaren op rekeningen bij buitenlandse banken op naam van anderen dan hemzelf en op nummerrekeningen, terwijl hij wist dat die saldi - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

2.3. De bestreden uitspraak houdt het volgende in als samenvatting en bespreking van het in het middel bedoelde verweer:

"Pleegplaats witwassen

De raadsman heeft aangevoerd dat onderdelen van het onder 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde niet in [plaats], althans in Nederland zijn begaan, maar in het buitenland, in het bijzonder de plaatsen waar de betreffende rekeningen werden aangehouden dan wel en/of de stortingen op die rekeningen feitelijk werden gedaan en/of beschikkingshandelingen werden verricht.

Gelet op de omstandigheden dat de verdachte in [woonplaats] woonde, de vermogensbestanddelen hem toebehoorden en hij te dien aanzien beschikkingsbevoegd was, is het hof van oordeel dat [plaats] als plaats van het witwasmisdrijf kan worden aangemerkt. Dit laat onverlet dat ook als pleegplaats kan gelden de plaats waar de stortingen etc. zijn gedaan."

2.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wetsartikelen van belang:

- art. 420bis Sr

"1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten."

- art. 420ter Sr

"Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie."

- art. 420quater Sr

"1. Als schuldig aan schuldwitwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten."

2.5. Het Hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat de onder 2.2 bedoelde misdrijven mede zijn begaan in de woonplaats van de verdachte, nu het kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen dat de verdachte vanuit zijn woonplaats het beheer voerde over de desbetreffende banksaldi.

Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het "verbergen of verhullen" zoals bedoeld in de art. 420bis, 420ter en 420quater Sr, in een geval als het onderhavige waarin op rekeningen op naam van anderen door de verdachte banksaldi zijn aangehouden die naar de verdachte wist van misdrijf afkomstig waren, niet enkel kan bestaan uit gedragingen waarmee wordt bewerkstelligd dat deze saldi op een zodanige rekening worden gestort, maar ook uit gedragingen waardoor plaatsing van die saldi op een zodanige rekening voortduurt.

2.6. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat ook vóór de inwerkingtreding van de witwasbepalingen gepleegde en mogelijk al verjaarde misdrijven het zogenoemde gronddelict kunnen zijn.

3.2. De art. 420bis, 420ter en 420quater Sr betreffen steeds gedragingen ten aanzien van een voorwerp dat "afkomstig is uit enig misdrijf". De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat misdrijven die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wettelijke bepalingen op 14 december 2001 en die mogelijk voor of na die datum zijn verjaard, niet als "enig misdrijf" in de zin van voormelde bepalingen kunnen gelden, is onjuist.

3.3. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het vierde middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

5.2. Het middel klaagt terecht dat de zogenoemde inzendtermijn is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 december 2008.