Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BF5074

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
07/10208 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BF5074
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2005:AU6542, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Benadeelde partijen. 1. Medelen korte inhoud. 2. Rechtstreekse schade. Ad 1. Het middel behelst o.m. de klacht dat het mededelen van de korte inhoud van de zich t.t.v. het onderzoek ttz. bij de stukken van het dossier bevindende voegingsformulieren van de b.p., vzv. deze formulieren na aanvang van het onderzoek ttz. aan het dossier zijn toegevoegd, niet voldoet aan de ingevolge art. 51b lid 1 en 2 Sv vereiste opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. Deze opvatting vindt geen steun in het recht. Opmerking verdient dat wanneer bij de verdediging onduidelijkheid bestaat aangaande de inhoud of de gronden van een vordering van een b.p. die zich voorafgaand dan wel tijdens het onderzoek ttz. heeft gevoegd, het op de weg van de verdediging ligt dit aan de rechter kenbaar te maken en bijvoorbeeld, in een geval als i.c., ex art. 301 Sv voorlezing te verzoeken van het desbetreffende voegingsformulier. Ad 2. Het Hof heeft kennelijk aan de toekenningen van de vorderingen van niet in de bewezenverklaring bij naam genoemde personen ten grondslag gelegd dat ook t.a.v. die niet bij naam genoemde personen sprake is van rechtstreekse schade, die in nauw verband staat met de bewezenverklaarde oplichting. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is evenmin onbegrijpelijk en behoeft, mede gelet op hetgeen is aangevoerd, ook geen nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 928
NJ 2009, 16
RvdW 2009, 57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 december 2008

Strafkamer

nr. 07/10208 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 31 oktober 2005, nummer 21/001295-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 17] heeft mr. R.F. Speijdel, advocaat te Enschede, een geschrift ingediend dat evenwel geen middel van cassatie bevat en daarom onbesproken moet blijven.

De Advocaat-Generaal Schipper heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe van de verdachte op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

2.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.

3. Beoordeling van het tweede, het derde, het vierde, het vijfde, het zesde en het negende middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het zevende middel

4.1. Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof voor zover het de benadeelde partijen in hun vordering ontvankelijk heeft verklaard.

4.2. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Ontvankelijkheid van de vorderingen van de benadeelde partijen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen dienen te worden verklaard aangezien zij zich met hun vorderingen niet vóór de aanvang van de terechtzitting van 27 juli 2004 in het geding hebben gevoegd.

Dit verweer is strijdig met de wettelijke regeling inzake voeging van benadeelde partijen in het strafgeding.

Ingevolge artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij zich voor de aanvang van de terechtzitting voegen door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit berust. Deze opgave vindt plaats door middel van een voegingsformulier.

Ingevolge artikel 51b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij zich echter ook ter terechtzitting voegen door opgave, zoals voornoemd, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311 van het Wetboek van Strafvordering het woord te voeren. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan.

Nu alle benadeelde partijen hun vorderingen op de bij de wet bepaalde wijze hebben ingediend voordat de officier van justitie de eerste maal overeenkomstig art. 311 van het Wetboek van strafvordering het woord voerde, kunnen zij in zoverre in hun vorderingen worden ontvangen.

Het verweer wordt derhalve verworpen."

4.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 1 februari 2005 houdt in:

"De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud

van:

(...)

5. zevenentwintig formulieren benadeelde partij in het strafproces ten name van:

[benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7], [benadeelde partij 8], [benadeelde partij 9], [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11], [benadeelde partij 12], [benadeelde partij 13], [benadeelde partij 14], [benadeelde partij 15], [benadeelde partij 16], [benadeelde partij 17], [benadeelde partij 18], [benadeelde partij 19], [benadeelde partij 20], [benadeelde partij 21], [benadeelde partij 22], [benadeelde partij 23], [benadeelde partij 24], [benadeelde partij 25], [benadeelde partij 26], [benadeelde partij 27] en [benadeelde partij 28]."

4.4. Het middel behelst onder meer een klacht waaraan de opvatting ten grondslag ligt dat het mededelen van de korte inhoud van de zich ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting bij de stukken van het dossier bevindende voegingsformulieren van de benadeelde partijen, voor zover deze formulieren na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting aan het dossier zijn toegevoegd, niet voldoet aan de ingevolge art. 51b, tweede lid, Sv in verbinding met art. 51b, eerste lid, Sv vereiste opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. Deze opvatting vindt geen steun in het recht, zodat het middel faalt.

Opmerking verdient dat wanneer bij de verdediging onduidelijkheid bestaat aangaande de inhoud of de gronden van een vordering van een benadeelde partij die zich voorafgaand aan dan wel tijdens het onderzoek ter terechtzitting in het strafproces heeft gevoegd, het op de weg van de verdediging ligt dit aan de rechter kenbaar te maken en bijvoorbeeld, in een geval als het onderhavige, op de voet van art. 301 Sv voorlezing te verzoeken van het desbetreffende voegingsformulier.

4.5. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het achtste middel

5.1. Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7], [benadeelde partij 8], [benadeelde partij 9], [benadeelde partij 12], [benadeelde partij 14], [benadeelde partij 15], [benadeelde partij 16], [benadeelde partij 17], [benadeelde partij 20], [benadeelde partij 22] en [benadeelde partij 23], die zich als benadeelde partij in het strafproces hebben gevoegd, rechtstreeks schade hebben geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit.

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

"zij, al dan niet handelende onder de naam [A] en/of [A], in de periode van 1 november 1999 tot en met 31 maart 2004 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels een groot aantal personen, waaronder:

* [benadeelde partij 29], en

* [benadeelde partij 30] en [benadeelde partij 31], en

* [benadeelde partij 32], en

* [benadeelde partij 18], en

* [benadeelde partij 33], en

* [benadeelde partij 19], en

* [benadeelde partij 8], en

* [benadeelde partij 21], en [benadeelde partij 12]

heeft bewogen tot:

- de afgifte van geldbedragen,

hebbende zij, verdachte, en/of haar mededaders met vorenomschreven oogmerk telkens - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

* aan een of meer van voornoemde personen, het navolgende voorgespiegeld,

- dat financieel voordeel behaald zou kunnen worden door het (over)sluiten van een hypothecaire geldlening waarbij de overwaarde van een (bestaand(e)) woning of pand in geld zou worden omgezet;

- dat daarna die (aldus) ter beschikking gekomen geldbedragen aan haar, verdachtes, bedrijf zouden dienen te worden uitgeleend, althans ter beschikking gesteld, waarna deze door haar, verdachtes, bedrijf zouden worden belegd, althans geïnvesteerd;

- dat die beleggingen/investering een zodanig hoog rendement (8%, 10%, 12% of 14% procent of daaromtrent) zou gaan opleveren dat de maandlast voor de ter beschikking steller van het geld aanmerkelijk zou worden verlaagd;

- dat het voorgehouden rendementspercentage vast en gegarandeerd is;

- dat aan het einde van de looptijd van de overeenkomst de terugbetaling van de ter beschikking gestelde, gelden gegarandeerd is;

- dat er voor de klant geen ander risico zou zijn dan het faillissement van haar, verdachtes, bedrijf:

waardoor [benadeelde partij 29] (depotstortingen van Hfl. 70.000,- en Hfl 10.000,- en Hfl 100.000,-), en [benadeelde partij 30] en [benadeelde partij 31] (depotstortingen van Hfl. 50.000,- en Hfl. 45.000,-), en [benadeelde partij 32] (depotstortingen van Hfl 10.000,- en Hfl 20.000,- en Hfl 177.050,75), en [benadeelde partij 18] (depotstorting van Euro 125.000,-) en [benadeelde partij 33] (depotstortingen van Euro 65.000,- en Euro 38.588,35) en [benadeelde partij 19] (depotstortingen van Euro 17.000,- en Euro 35.000,-), en [benadeelde partij 8] (depotstorting van Euro 100.000,-), en [benadeelde partij 21] (depotstorting van Euro 100.000,-), en [benadeelde partij 12] (depotstorting van Euro 51.000,-), voornoemd werden bewogen tot bovenomschreven afgifte."

5.3. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak ten aanzien van elk van de in het middel genoemde benadeelde partijen afzonderlijk vastgesteld dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat zij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, telkens tot het bedrag waartoe de vordering is toegewezen.

5.4. Het Hof heeft daaraan kennelijk ten grondslag gelegd dat gezien de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte - welke erop neerkomen dat zij tezamen en in vereniging met een of meer anderen een groot aantal personen, onder wie de bij naam in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde personen, maar ook anderen, heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, onder meer door het aannemen van de valse hoedanigheid van vertegenwoordiger van een onderneming die door de genoemde personen ter beschikking gestelde gelden zou beleggen of investeren tegen een gegarandeerd hoog en gedurende de looptijd vaststaand rentepercentage, waarbij de terugbetaling van de gelden aan het einde van de looptijd gegarandeerd was - de door de in het middel genoemde benadeelde partijen geleden schade in zodanig nauw verband staat met de onder 2 bewezenverklaarde oplichting, dat die schade door de oplichting rechtstreeks aan hen is toegebracht als bedoeld in art. 51a en art. 361, tweede lid onder b, Sv. Dat oordeel geeft, ook voor zover de benadeelde partijen niet bij naam in de tenlastelegging en in de bewezenverklaring zijn genoemd, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

5.5. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en acht maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 9 december 2008.