Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BF5060

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
02-12-2008
Zaaknummer
02007/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BF5060
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. In de toelichting op het middel wordt o.m. geklaagd dat ‘s Hofs oordeel onbegrijpelijk is vzv. het Hof heeft geoordeeld dat niemand de woning heeft betreden tussen het moment waarop verdachte op 2-8-2004 de woning heeft verlaten en het tijdstip waarop de woning door de politie is doorzocht. Daartoe wordt erop gewezen dat het Hof in zoverre is afgeweken van hetgeen door de verdediging is aangevoerd onder verwijzing naar het p-v van observatie m.b.t. de desbetreffende woning, inhoudende dat is gezien dat om 12.58u nog een man de woning is binnengegaan. Gelet daarop is de nadere bewijsoverweging van het Hof - waarin expliciet aan de omstandigheid dat er in de periode tussen het verlaten van de woning door verdachte en de doorzoeking daarvan geen anderen de woning hebben betreden, de conclusie wordt verbonden dat verdachte wist van de aanwezigheid van de cocaïne en bewerkingsmiddelen - niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 893
RvdW 2009, 34
NJB 2009, 19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 december 2008

Strafkamer

nr. 02007/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 september 2006, nummer 23/005371-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte] alias [naam A] alias [naam B], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.M. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot een zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast voorkomt.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de door het Hof gegeven nadere bewijsoverweging.

2.2. Ten laste van de verdachte is door het Hof bewezenverklaard dat hij:

"ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde:

op 2 augustus 2004 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde:

op 2 augustus 2004 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen, een drukpers (bestaande uit verschillende onderdelen) en electronische weegschalen en hoeveelheden versnijdingsmiddelen te weten onder andere fenacetine, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten."

2.3. De in het middel bedoelde, in de bestreden uitspraak opgenomen nadere bewijsoverweging luidt als volgt:

"Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren.

- Verdachte heeft verklaard dat hij de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] medio juni 2004 heeft gehuurd voor vrienden van hem, genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2];

- verdachte betaalde de huur van die woning;

- de verdachte is op 2 augustus geobserveerd toen hij op die datum te 12.05 uur samen met een ander de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] verliet;

- verdachte is vervolgens die dag om 12.15 uur aangehouden;

- de observaties zijn geëindigd op 2 augustus 2004 te 13.47 uur, waarna de woning aan de [a-straat 1] door de politie is doorzocht, waarbij onder meer cocaïne, versnijdingsmiddelen en een drukpers werden aangetroffen;

- op 5 augustus 2004 is de woning nogmaals doorzocht, waarbij een groot geldbedrag werd aangetroffen en in beslag genomen, alsmede een Albanees paspoort ten name van [naam C] met daarin een foto met de afbeelding van verdachte;

- de verdachte, die zelf cocaïne gebruikt, heeft erkend dat hij cocaïne heeft bewerkt in Nederland en dat hij heeft bemiddeld in de handel naar Italië;

- verdachte heeft in de onderhavige woning zelf cocaïne gebruikt en sluit niet uit dat er op 2 augustus 2004 in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] na zijn vertrek verdovende middelen zijn aangetroffen;

- verdachte was er van op de hoogte dat er in die woning, waarvan hij ook de sleutels in zijn bezit had, een drukpers voor verdovende middelen aanwezig was en geld;

- de verdachte heeft over dat geld verklaard dat het zijn eigendom is;

- bij de doorzoeking in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] zijn onder meer verdovende middelen, onderdelen van een drukpers voor verdovende middelen en andere daarmee verband houdende voorwerpen en een vals Albanees paspoort ten name van [verdachte] (een alias van verdachte), voorzien van een pasfoto van verdachte aangetroffen, als ook andere pasfoto's van verdachte.

Uit deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat verdachte vrijelijk over deze woning kon beschikken en daarover ook heeft beschikt en dat, mede in aanmerking genomen dat verdachte op 2 augustus 2004 te 12.15 uur de woning heeft verlaten en tot het moment waarop de woning door de politie werd doorzocht (2 augustus 2004 te 13.47 uur) niemand de woning heeft betreden, de conclusie geen andere kan zijn dan dat verdachte wist dat er in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] cocaïne aanwezig was, alsmede voorwerpen en stoffen aanwezig waren, waarvan hij wist dat deze bestemd waren tot het opzettelijk bewerken van cocaïne."

2.4. In de toelichting op het middel wordt onder meer geklaagd dat dit oordeel onbegrijpelijk is voor zover het Hof heeft geoordeeld dat niemand de woning heeft betreden tussen het moment waarop de verdachte op 2 augustus 2004 de woning heeft verlaten en het tijdstip waarop de woning door de politie is doorzocht. Daartoe wordt erop gewezen dat het Hof in zoverre is afgeweken van hetgeen door de verdediging is aangevoerd onder verwijzing naar het proces-verbaal van observatie met betrekking tot de desbetreffende woning, inhoudende dat is gezien dat om 12.58 uur nog een man de woning is binnengegaan.

2.5. Een kopie van het - gedeeltelijk door het Hof tot het bewijs gebezigde - in het middel bedoelde proces-verbaal van observatie van de woning bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Dit proces-verbaal houdt onder meer in: "12.58 uur. Door X-54 wordt gezien dat er bij perceel [a-straat 1] te [plaats] een man aanbelt en door het raam naar binnen kijkt. Deze man is gekleed in het blauw. Even later wordt deze man binnen gelaten." Gelet daarop is de nadere bewijsoverweging van het Hof - waarin expliciet aan de omstandigheid dat er in de periode tussen het verlaten van de woning door de verdachte en de doorzoeking daarvan geen anderen de woning hebben betreden, de conclusie wordt verbonden dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de cocaïne en bewerkingsmiddelen - niet zonder meer begrijpelijk.

2.6. Het middel treft in zoverre doel.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 2 december 2008.