Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BF3806

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2008
Datum publicatie
03-10-2008
Zaaknummer
42248
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5775, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 18 Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990. Art. 24, letter b, Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. 70 cm2 eis werkkleding geldt per kledingstuk. waardering en genietingstijdstip verstrekte kleding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2008/297
Belastingadvies 2008/21.11
V-N 2008/47.15 met annotatie van Redactie
FutD 2008-2047 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.248

3 oktober 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 mei 2005, nr. P04/00347, betreffende een aan X N.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.

Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

3. Uitgangspunten in cassatie

Belanghebbende stelde in de jaren 1998 tot en met 2001 aan bepaalde werknemers van haar kantoren kleding ter beschikking. De kleding bleef eigendom van belanghebbende. Op ieder kledingstuk, met uitzondering van rokken en pantalons, opgenomen in de kledingpakketten die vóór april 2001 zijn verstrekt, stond een beeldmerk en/of de naam van belanghebbende. De tijdens het dragen zichtbare beeldmerken en/of de naam hadden - tezamen genomen - op geen der tot het basispakket behorende kledingstukken, afgezien van één van de stropdassen, een oppervlakte van ten minste 70 cm2.

4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

4.1. Het middel richt zich tegen 's Hofs oordeel dat een kledingstuk aan de 70 cm2-eis van artikel 18 Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (voor de jaren 1998 tot en met 2000) en artikel 24, letter b, Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (voor het jaar 2001) voldoet, indien de tijdens het dragen zichtbare beeldmerken op dat kledingstuk en op de kledingstukken die daarmee in combinatie gedragen mogen worden, een gezamenlijke oppervlakte hebben van ten minste 70 cm2.

4.2. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005, nr. 40097, BNB 2005/330, geldt de 70 cm2-eis per kledingstuk. Het middel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

5. Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen

5.1. Middel I strekt ten betoge dat de waarde van het genot van de kleding moet worden gesteld op een lagere waarde in het economische verkeer dan het Hof heeft vastgesteld, dan wel op de lagere besparingswaarde.

5.2. Zoals is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2001, nr. 36516, BNB 2002/68, levert in het algemeen de verstrekking van kleding niet zijnde werkkleding loon in natura op dat moet worden gewaardeerd naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, en dient ook indien de kleding slechts ter beschikking is gesteld terwijl de eigendom bij de werkgever bleef, de in dat geval te belasten waarde in het economische verkeer van het genot van kleding te worden gesteld op de waarde van de desbetreffende kleding in het economische verkeer. 's Hofs oordeel dat niet de besparingswaarde, maar de waarde in het economische verkeer van de kleding in aanmerking moet worden genomen, is derhalve juist. Voor zover het middel van een andere opvatting uitgaat, kan het derhalve niet tot cassatie leiden.

Het middel faalt ook voor het overige. Noch het middel noch de toelichting daarop maakt duidelijk waarop de stelling berust dat het Hof de waarde in het economische verkeer te hoog heeft vastgesteld. 's Hofs oordeel omtrent de waarde in het economische verkeer geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het behoefde tegen de achtergrond van hetgeen partijen voor het Hof over en weer hebben aangevoerd ook geen nadere motivering dan gegeven.

5.3. Zoals uit het voormelde arrest BNB 2002/68 volgt, dient de waarde in het economische verkeer van het genot van de ter beschikking gestelde kledingstukken in een geval als het onderhavige te worden belast bij de aanvang van de terbeschikkingstelling. Middel II, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve.

6. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,

verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2008.