Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BF3196

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
00491/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BF3196
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Ontvankelijkheid OM en de redelijke termijn. Onmiddellijke toepassing arrest HR. T.t.v. het bestreden arrest golden v.w.b. de aan de overschrijding van de redelijke termijn te verbinden gevolgen, de regels uit HR NJ 2000, 721. Niettemin zal de bestreden uitspraak moeten worden getoetst aan het nadien gewezen HR LJN BD2578. In die uitspraak ligt besloten dat aan de regel dat aan termijnoverschrijding niet de n-o van het OM kan worden verbonden, onmiddellijk toepassing dient te worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 918
NJ 2009, 95 met annotatie van T.M.C.J. Schalken
RvdW 2009, 55
JOW 2009, 39
NJB 2009, 79
NBSTRAF 2009/18
NbSr 2009/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 december 2008

Strafkamer

nr. 00491/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 september 2006, nummer 23/002237-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. Na de terechtzitting waarop de conclusie is genomen, is bij de Hoge Raad ingekomen een schrijven van de raadsvrouwe van de verdachte, mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam.

2. Waar het in deze zaak om gaat

De Rechtbank heeft de verdachte wegens "medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij art. 6, eerste lid van de Wet toezicht effecteverkeer (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en "als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Het Hof heeft in hoger beroep bij arrest van 25 september 2006 - met vernietiging van het vonnis van de Rechtbank - het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging op de grond dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Het Hof heeft die beslissing gemotiveerd zoals is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof aan de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM ten onrechte het gevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging heeft verbonden, althans dat het Hof die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Het middel doet daarbij een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721.

3.2. In genoemd arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn van berechting kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, maar dat daarvoor slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is. Voorts gelden, aldus dat arrest, voor een dergelijke beslissing zware motiveringseisen.

3.3. In zijn arrest van 17 juni 2008 (LJN BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.21) heeft de Hoge Raad evenwel geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

3.4. Ten tijde van het bestreden arrest golden voor wat betreft de aan de overschrijding van de redelijke termijn van berechting te verbinden gevolgen, de regels die zijn geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000. In cassatie zal de bestreden uitspraak niettemin moeten worden getoetst aan het nadien door de Hoge Raad gewezen arrest van 17 juni 2008. In die uitspraak ligt besloten dat aan de regel dat aan termijnoverschrijding niet de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan worden verbonden, onmiddellijke toepassing dient te worden gegeven.

3.5. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging. De in het middel opgeworpen rechtsklacht slaagt dus. De motiveringsklachten kunnen daarom onbesproken blijven.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 december 2008.