Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BF1030

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
31-10-2008
Zaaknummer
C07/130HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BF1030
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederenrecht. Ontbinding huwelijksgemeenschap na scheiding; geschil over verdeling echtelijke woning (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 784
RvdW 2008, 996
JWB 2008/432
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 oktober 2008

Eerste Kamer

Nr. C07/130HR

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. Groen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

De vrouw heeft bij exploot van 10 juli 2000 de man gedagvaard voor de rechtbank Utrecht en onder meer gevorderd, kort gezegd:

* bij de verdeling wat betreft de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire lening uit te gaan van een waarde per 2 juni 1998,

* de waarde van de woning te bepalen op ƒ 728.000,-- onder voorwaarde dat de man de door de vrouw vanaf 2 juni 1998 aan hem betaalde huur terugbetaalt onder verrekening van de door de man betaalde vaste lasten en de waarde van de aandelen [A] Holding B.V. per 17 juli 1997,

* de woning aan de vrouw toe te scheiden.

De man heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft, na een tweetal comparities van partijen en tussenvonnissen van 20 augustus 2003 en 21 januari 2004, bij eindvonnis van 13 april 2005 de verdeling vastgesteld zoals is vermeld in overweging 4.6 van het tussenvonnis van 20 augustus en in overweging 7.2 van het tussenvonnis van 21 januari 2004.

Tegen de tussenvonnissen en het eindvonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 23 november 2006 heeft het hof het vonnis van 13 april 2005 vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw wegens overbedeling een bedrag van € 59.693,20 dient te betalen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bepaald dat de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw wegens overbedeling een bedrag van € 39.697,71 betaalt, het meer of anders door de vrouw gevorderde afgewezen en het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof heeft de vonnissen van 20 augustus 2003, 21 januari 2004 en 13 april 2005 voor het overige bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 31 oktober 2008.