Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BF0271

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
07/11650
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BF0271
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ6824, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. (Voorwaardelijk) opzet. In zijn nadere bewijsoverwegingen heeft het Hof geoordeeld dat verdachte eenmaal, op geringe afstand achter de wegvluchtende aangever, gericht op het trottoir heeft geschoten. Daarbij heeft het Hof tevens vastgesteld dat dit schieten in de richting van aangever plaatsvond. Dat laatste kan evenwel, zoals in de conclusie AG is uiteengezet, niet zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Het oordeel van het Hof dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat aangever dodelijk zou worden getroffen, is dan ook ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 913
RvdW 2009, 65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 december 2008

Strafkamer

Nr. 07/11650

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 januari 2007, nummer 22/001756-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde, in het bijzonder wat betreft het opzet van de verdachte, niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij te 's-Gravenhage, op 22 augustus 2005, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk na rustig overleg en kalm beraad met een semi-automatisch pistool (merk Heckler & Koch), een kogel heeft afgevuurd in de richting van [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Op 22 augustus 2005 heb ik te 's-Gravenhage twee schoten gelost met een vuurwapen. Ik had onenigheid gehad met een aantal jongens over geluidsoverlast. Er is een vechtpartij ontstaan en ik heb daarbij enkele klappen uitgedeeld. Toen ik terugliep naar mijn woning werd ik opgewacht door een groep, waaronder [slachtoffer]. Zij hebben mij in elkaar geslagen. Omdat ik daarover kwaad was, ben ik naar mijn woning gegaan en heb ik een vuurwapen en 13 kogels opgehaald. Ik heb het magazijn in het vuurwapen gedaan. Ik ben toen naar buiten gegaan met het vuurwapen naar de plek waar onder andere [slachtoffer] stond. Ik zag dat [slachtoffer] een hamer tevoorschijn haalde. Hierop pakte ik mijn vuurwapen.

[slachtoffer] rende vervolgens meteen weg. Terwijl [slachtoffer] wegrende, heb ik mijn vuurwapen doorgeladen, ik ben achter [slachtoffer] aan gerend en heb achter hem gericht op het trottoir geschoten. Ik had vrij zicht op hem. Het eerste schot met het vuurwapen loste ik in een hoek van ongeveer 45 graden richting het trottoir. Ik heb verder geen andere mensen op straat gezien. Ik wilde de jongens met wie ik onenigheid had bang maken.

Nadat ik het eerste schot gericht op het trottoir had afgevuurd, heb ik een tweede schot gelost. Dit tweede schot heb ik recht omhoog in de lucht gelost. Ik schoot in de lucht omdat ik me realiseerde dat kogels kunnen afketsen.

Ik ben een geoefend schutter, ik heb op een schietschool gezeten. Om mijn schietvaardigheid bij te houden ging ik één keer in de maand naar de schietclub. Ik realiseer me dat kogels ook kunnen afketsen. De kans dat een afgeketste kogel in dit geval iemand zou raken is echter klein volgens mij. Ik weet wel dat een onder een hoek van 45 graden op een harde ondergrond afgeschoten kogel met kracht terug omhoog springt. Ik weet dat de kogelbaan van een afgeketste kogel onvoorspelbaar is. Een afgeketste kogel kan alle kanten op gaan.

Ik weet dat sommigen mij '[verdachte]' noemen.

Op 22 augustus 2005 had ik te 's-Gravenhage een vuurwapen van het merk Heckler & Koch en de kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9 mm Luger voorhanden. Ik had het vuurwapen op dat moment ongeveer een half jaar in mijn bezit. Ik ben me bewust van de gevaren van ongeoorloofd vuurwapenbezit. Ik heb dit vuurwapen en de bijbehorende munitie aangeschaft omdat ik me niet veilig voelde."

b. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 21 februari 2006, voor zover inhoudende:

"Ik heb het eerste schot in de richting van de grond gelost. Ik heb niet recht naar beneden geschoten, maar schuin naar beneden. Ik denk dat [slachtoffer] kort voor het eerste schot ongeveer vijf meter bij mij vandaan stond."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 22 augustus 2005 stond ik met een groep jongens op de kruising van de Gabriel Metsusstraat met de Frans Halsstraat te 's-Gravenhage. Ik weet dat [verdachte] bij mij in de straat woont in de [a-straat] te [plaats] op nummer [001]. [verdachte] kwam aanlopen. Hij liep op de Gabriel Metsusstraat en uit de richting van zijn huis gelopen. Ik zag dat hij kwam aanrennen. Ik zag dat hij in mijn richting gelopen kwam. Toen [verdachte] op de kruising liep, hoorde ik dat hij liep te schreeuwen naar mij. Op het moment dat [verdachte] mij op zo'n 5 meter was genaderd, zag ik dat hij met zijn ene hand zijn trui omhoog deed. Ik zag in zijn broekband een pistool zitten. Ik zag dat [verdachte] bijna gelijktijdig het pistool uit zijn broekband haalde. Ik zag dat [verdachte] het pistool op mij richtte. Ik ben gelijk gaan rennen. Ik hoorde gelijk een schot. Ik ben de Frans Halsstraat helemaal uitgerend en ben de Vaillantlaan opgerend."

d. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Ik rende over het trottoir van de Frans Halsstraat in de richting van de Vaillantlaan. Bij het eerste schot liep ik in ieder geval nog op dat trottoir."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 22 augustus 2005 werden wij verzocht een technisch sporenonderzoek in te stellen naar aanleiding van een schietincident dat zojuist op/of nabij de kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen Gabriel Metsusstraat en de Frans Halsstraat had plaatsgevonden.

Aangetroffen op de openbare weg Frans Halsstraat

Tijdens ons onderzoek troffen wij in de Frans Halsstraat, het gedeelte tussen de Gabriel Metsusstraat en de Vaillantlaan, onder/bij geparkeerde auto's 2 hulzen en een kogelfragment aan. Dit is door ons middels foto's vastgelegd.

SVO 10 Kogelfragment Op openbare weg

SVO 11 Huls 9 mm Op openbare weg

SVO 12 Huls 9 mm Op openbare weg"

f. een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door de deskundige P.J.M. Pauw-Vugts, voor zover inhoudende:

"Onderzoeksmateriaal

Ontvangen van: Technische Recherche Haaglanden

Datum ontvangst: 14 september 2005

SVO-nummerOmschrijving

10 een gedeformeerd kogelmanteldeel,

aangetroffen op de openbare weg;

11 een huls, kaliber 9 mm Parabellum, aangetroffen op de openbare weg;

12 een huls, kaliber 9 mm Parabellum, aangetroffen op de openbare weg;

13 een pistool, merk Heckler & Koch, model P1O in kaliber 9 mm Parabellum met patroonhouder en 10 patronen, aangetroffen in perceel [a-straat 1];

14 een patroon, kaliber 9 mm Parabellum, aangetroffen in de gootsteen van perceel [a-straat 1] te [plaats].

Wapen- en munitieonderzoek

Pistool [13]

Dit is een pistool van het merk Heckler & Koch, model P10 en is bestemd voor het semi-automatisch verschieten van pistool, patronen van het kaliber 9 mm Parabellum.

Ten behoeve van het onderzoek zijn met het pistool twaalf proefschoten gelost. Hierbij is gebruik gemaakt van patronen uit het munitiebestand van het Nederlands Forensisch Instituut. Tijdens het proefschieten traden geen storingen op: het pistool functioneerde goed.

Gedeformeerd kogelmanteldeel [10]

De massa van het kogelmanteldeel is ongeveer 1,1 gram. Gezien de uiterlijke kenmerken heeft dit kogelmanteldeel zeer waarschijnlijk behoort tot een 9 mm Parabellum volmantelkogel. Op het kogelmanteldeel zijn afvuursporen te zien, veroorzaakt door een polygoonloop met zes naar rechtsdraaiende vlakken. Het pistool [13] bevat een dergelijke polygoonloop.

Hulzen [11 en 12]

Deze twee hulzen zijn afkomstig van pistoolpatronen van het kaliber 9 mm Parabellum. De huizen zijn van het merk Sellier & Bellot, met bodemstempel "S&B 9mm Luger". De kaliber aanduiding 9 mm Luger is een synoniem voor 9 mm Parabellum. In de hulzen bevinden zich sporen die tijdens het verschieten zijn veroorzaakt. Zo zijn er sporen te zien van de slagpin de stootbodem, de hulsuitwerper, de patroontrekkerhaak en de kamer van de loop van een vuurwapen. Vergelijkend onderzoek heeft uitgewezen dat deze afvuursporen onderling aansluiten en overeenkomen.

De afvuursporen in de hulzen [11 en 12] zijn vergeleken met die in de proefhulzen afkomstig uit het pistool [13]. Hieruit is gebleken dat de in de afvuursporen voorkomende kraslijnen en onregelmatigheden deels aansluiten en overeenkomen. De kraslijnen en onregelmatigheden in de stootbodem- en kamerwandsporen van de proefhulzen zijn veroorzaakt door karakteristieke oneffenheden in de sporen veroorzakende onderdelen van het pistool [13]."

2.4. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting - zoals verwoord in zijn pleitaantekeningen - vrijspraak van de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit nu de verdachte geen schoten in de richting van [slachtoffer] zou hebben gelost en de verdachte aldus geen opzet zou hebben gehad op het raken van [slachtoffer]. Verdachte zou slechts hebben willen dreigen.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het navolgende vast. Na onenigheid met een aantal jongeren, waaronder [slachtoffer] heeft de verdachte vanuit zijn woning een vuurwapen en een magazijn met 13 kogels opgehaald. Hij heeft met het magazijn het vuurwapen geladen. Daarmee is hij in de richting van die [slachtoffer] gelopen. Hij heeft zijn vuurwapen doorgeladen en het vuurwapen in de richting van [slachtoffer] gehouden. [slachtoffer] is daarop aanvankelijk over een afstand van enkele geparkeerde auto's voor de verdachte uit over het trottoir van de Frans Halsstraat weggevlucht in de richting van de Vaillantlaan. De verdachte is achter hem aangerend en heeft - naar eigen zeggen bewust - een schot richting troittoir afgevuurd. Vlak voor het eerste schot bedroeg de afstand tussen de verdachte en [slachtoffer] ongeveer 5 meter. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard het wapen richting troittoir afgevuurd te hebben onder een hoek van ongeveer 45 graden. Terwijl hij [slachtoffer] achtervolgde heeft hij, aldus zijn verklaring in hoger beroep, vervolgens nog eenmaal vrijwel rechtstandig omhoog in de lucht geschoten, aangezien hij zich als geoefend schutter van het onvoorspelbare gedrag van een ketsende kogel en het daaraan verbonden gevaar bewust was.

Bij het ter plaatse verrichtte forensisch onderzoek zijn twee hulzen en een kogelfragment veilig gesteld. De hulzen en het kogelfragment zijn aangetroffen naast en op het trottoir ter hoogte van de plaats waar de verdachte zich heeft bevonden en in de looprichting van de wegvluchtende [slachtoffer].

De resultaten van het forensisch onderzoek met betrekking tot het aantreffen van de hulzen en het kogelfragment zoals hiervoor aangegeven kunnen de lezing van de verdachte, dat hij het eerste schot naar het troittoir achter de wegvluchtende [slachtoffer] heeft afgevuurd en bij het tweede schot in de lucht heeft geschoten, ondersteunen. Gelet op het aantal aangetroffen hulzen en de elf later bij het vuurwapen aangetroffen bijbehorende patronen staat vast, dat tweemaal is geschoten.

Het hof acht dan ook bewezen, dat de verdachte eenmaal in de richting van [slachtoffer], maar op relatief geringe afstand achter die wegvluchtende [slachtoffer] gericht op het trottoir heeft geschoten. Het schot in de lucht is niet in de richting van [slachtoffer] afgevuurd.

Uit de handelwijze zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, kan niet anders worden afgeleid, dan dat de verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft besloten te handelen zoals hij heeft gehandeld. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte voorts willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toe genomen dat hij [slachtoffer] met zijn schot dodelijk zou kunnen treffen. Immers ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard een geoefend schutter te zijn en vanuit die deskundigheid bekend te zijn met het onvoorspelbare gedrag en het daaraan verbonden gevaar van een ketsende kogel in de vrije ruimte. De verdachte heeft er ter terechtzitting in hoger beroep blijk van gegeven zich te hebben gerealiseerd, dat de baan van een afgeketste kogel vooraf niet valt te voorspellen, aangezien die afhankelijk is van een aantal factoren zoals ook in de pleitnota vermeld. In het thans bewezen verklaarde feit heeft de verdachte onder een hoek van ongeveer 45 graden geschoten op een harde stenen ondergrond. Beide omstandigheden dragen bij - zoals verdachte ter zitting in hoger beroep heeft erkend - aan het met kracht omhoog komen van de ketsende kogel. De ligging van de trottoirtegels kan - zoals verdachte heeft verklaard - een volstrekt willekeurige afbuiging veroorzaken. De verdachte heeft geschoten op een moment, dat hij vrij en onbelemmerd zicht had op het slachtoffer die zich op betrekkelijk korte afstand van hem bevond. Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat een met kracht van een harde ondergrond terugspringende kogel een zich in de nabijheid daarvan bevindend persoon in vitale delen met dodelijk gevolg kan raken. Het hof concludeert dan ook, dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte was gericht op de dood van [slachtoffer]. Rekening houdend met het hiervoor overwogene met betrekking tot de voorbedachte rade komt het hof tot het wettig en overtuigend bewijs van het primair tenlastegelegde feit."

2.5. In zijn nadere bewijsoverwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte eenmaal, op relatief geringe afstand achter de wegvluchtende [slachtoffer], gericht op het trottoir heeft geschoten. Daarbij heeft het Hof tevens vastgesteld dat dit schieten in de richting van [slachtoffer] plaatsvond. Dat laatste kan evenwel, zoals in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal is uiteengezet, niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Het oordeel van het Hof dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] dodelijk zou worden getroffen, is dan ook ontoereikend gemotiveerd. Het middel slaagt.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 december 2008.