Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BE9803

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
01663/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BE9803
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. Ad informandum feit. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN ZD1053. Het Hof heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Immers, als het Hof het ad info feit heeft meegewogen, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat verdachte dit feit ten overstaan van de Kntr heeft ontkend. Als het Hof van oordeel is dat de verklaring van verdachte bij de Kntr geen ontkenning inhoudt, dan is ’s Hofs oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 692
RvdW 2008, 929
NJB 2008, 1911
NBSTRAF 2008/416
NbSr 2008/416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 september 2008

Strafkamer

nr. 01663/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 maart 2006, nummer 23/004861-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring. Het behelst de klacht dat het aanbieden van taxidiensten niet onder 'venten' kan worden begrepen in de zin van art. 2, derde lid, van het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Schiphol.

Het middel kan niet tot cassatie leiden op de gronden als in de aan dit arrest gehechte conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 3.5 en 3.6 vermeld.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof bij de strafoplegging ten onrechte rekening heeft gehouden met een ad informandum gevoegd feit, aangezien de in hoger beroep niet verschenen verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft ontkend klanten op Schiphol te hebben 'geronseld'.

3.2. Het Hof heeft ter motivering van de strafoplegging onder meer het volgende overwogen:

"Het hof houdt tevens rekening met de ad informandum gevoegde strafzaak tegen verdachte met parketnummer (15)-805994-04."

3.3.1. Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad staat het de rechter vrij bij de strafoplegging rekening te houden met een ad informandum gevoegd feit, wanneer op grond van de door de verdachte ter terechtzitting gedane erkenning aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en wanneer voorts ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen. Het gaat daarbij om erkenning door de verdachte van dat ad informandum gevoegde feit ten overstaan van de rechter die de straf oplegt.

3.3.2. Indien de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en zich derhalve aldaar niet erover heeft uitgelaten of hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit dat hem niet is tenlastegelegd maar waaromtrent in de door het openbaar ministerie ter kennisneming van de rechter gebrachte stukken melding wordt gemaakt, kan de rechter nochtans dit niet tenlastegelegde feit als bijzondere reden ter bepaling van de straf in aanmerking nemen mits (a) bij het uitbrengen van de dagvaarding althans tijdig vóór de aanvang der terechtzitting, aan de verdachte is medegedeeld dat bedoeld niet tenlastegelegd feit door het openbaar ministerie met dat doel ter terechtzitting ter sprake zal worden gebracht, (b) op grond van diens elders gedane erkenning aannemelijk is geworden dat de verdachte dit feit heeft begaan en (c) ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dit feit zal instellen (vgl. HR 2 juni 1998, LJN ZD1053, NJ 1998, 697, rov. 6.3).

3.4. Tenlastegelegd zijn vijf overtredingen van art. 2, derde lid, van het Aanvullend luchtvaartreglement luchthaven Schiphol, kort gezegd: het aanbieden van taxi-diensten zonder schriftelijke toestemming van de exploitant.

Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee District Schiphol, inhoudende onder meer als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven, dat hij het ad informandum gevoegde feit - een gelijksoortige overtreding als tenlastegelegd - heeft begaan. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte tegenover de Kantonrechter, voor zover hier van belang, verklaard: "Ik ontken klanten op Schiphol te hebben 'geronseld'."

Tegen deze achtergrond heeft het Hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het van oordeel is dat het een ad informandum gevoegd feit bij de strafoplegging in aanmerking mag nemen ingeval de in hoger beroep niet verschenen verdachte dit feit weliswaar ter terechtzitting in eerste aanleg heeft ontkend, maar hij dit bij de politie heeft bekend, berust zijn oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het heeft geoordeeld dat de verdachte het ad informandum gevoegde feit ten overstaan van de Kantonrechter niet heeft ontkend, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

De strafoplegging is derhalve niet toereikend gemotiveerd.

3.5. Het middel treft doel.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 30 september 2008.