Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BE9800

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-10-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
01637/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BE9800
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuld i.d.z.v. art. 6 WVW1994. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AO5822. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat verdachte in de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval de motorrijder aan wie hij voorrang had dienen te verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, niet volgen dat verdachte, zoals is bewezenverklaard, zich "aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig" heeft gedragen. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 764
NJ 2008, 571
RvdW 2008, 1005
VR 2009, 14
NJB 2008, 2069
JWR 2008/103
NBSTRAF 2008/447
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 oktober 2008

Strafkamer

nr. S 01637/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 15 februari 2007, nummer 21/001285-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 24 maart 2006 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.S. Bugter, advocaat te Bennekom, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaarde schuld aan het verkeersongeval.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 11 mei 2005, te Echteld, gemeente Neder-Betuwe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede heeft gereden op de weg, de Meersteeg, gaande in de richting Tiel en gekomen ter hoogte van een, gezien zijn verdachtes rijrichting, links van die weg gelegen carpoolplaats aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig langzaam rijdend of stilstaand zodanig heeft voorgesorteerd, dat het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen en/of naar links heeft gestuurd en/of naar links in de richting van die carpoolplaats is afgeslagen, op het moment dat een uit tegenovergestelde richting, over dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend ander motorrijtuig (motorfiets), dicht genaderd was en op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (motorfiets), waardoor de bestuurder van dat andere motorrijtuig (motorfiets) tegen een, gezien diens (van die motorrijder) rijrichting, rechts in die berm van die weg staande paal waaraan een verkeersbord bevestigd was en/of een in die berm staande lichtmast is gebotst, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht."

3.3.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Op 11 mei 2005 reed ik als bestuurder van een personenauto van het merk Audi A6 over de Meersteeg te Echteld. Deze weg loopt van Lienden naar Echteld richting Tiel. Ik wilde samen met de man die achter mij reed de carpoolplaats aldaar oprijden. Ik heb voor de carpoolplaats mijn richtingaanwijzer aangedaan en heb voorgesorteerd. Juist toen ik wilde afslaan, zag ik opeens dat er een motorrijder aan kwam rijden. Ik heb de motorrijder waargenomen en heb nog geprobeerd om de auto weg te draaien.

Ik heb afgeslagen en heb de motor te laat zien aankomen. De klap was zeer hard."

b. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Op 11 mei 2005 reed ik als bestuurder van een personenauto, merk Audi A6, kenteken [00-AA-BB], over de Meersteeg. Deze weg loopt van Lienden naar Echteld richting Tiel. Ik zou met de man die achter mij reed de, gezien mijn rijrichting, links van de Meersteeg gelegen carpoolplaats oprijden. Bij het links gelegen weggetje naar de carpoolplek aangekomen sorteer ik met mijn auto voor om linksaf te slaan naar de carpoolplaats. Ik deed mijn knipperlicht naar links aan. Ik wilde het verbindingsweggetje naar de carpoolplaats indraaien. Ik zag dat er nog een tegenligger aankwam. Ik zag die tegenligger ineens voor mij. Die motorrijder, die later [slachtoffer] bleek te heten, klapte op mijn auto. Ik stond op het moment van de botsing wel op de verkeerde helft van de Meersteeg; dat moet ik toegeven. De motorrijder vloog na de botsing een eind weg nadat hij ook nog het verkeersbord geraakt had. Toen ik op de verkeerde weghelft stond, zag ik de motorrijder voor het eerst. Ik weet niet waarom ik de motor niet eerder zag. Ik kom ter plaatse wel vaker, maar ik rijd zelden die carpoolplaats op."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 11 mei 2005 hebben wij geassisteerd bij de afwikkeling van een verkeersongeval tussen een personenauto, merk Audi, type A6, kenteken [00-AA-BB] en een motorfiets, merk Suzuki, kenteken [CC-DD-00], kleur blauw. De linksafslaande Audi liet de hem tegemoetkomende Suzuki niet voorgaan, waarna de Suzuki frontaal op de Audi botste. Het verkeersongeval had plaatsgevonden op de T-kruising, gevormd door de wegen: Meersteeg en de Parklaan, gelegen buiten de als zodanig bebouwde kom van Echteld in de gemeente Neder-Betuwe. Tegenover de Parklaan is een onverharde in- / uitrit naar een tijdelijke carpoolplaats gelegen. Het ongeval vond plaats op een recht weggedeelte. De rijbaan was niet verdeeld in rijstroken. Wij zagen op de weg een remblokkeerspoor. Kort na het einde van het remblokkeerspoor troffen wij op de voor de Suzuki bestemde weghelft de Audi aan. Het einde van het remblokkeerspoor, tezamen met de plaats van een olievlek op het wegdek en van de voertuigonderdelen hebben wij aangemerkt als plaats botsing tussen de Audi en de Suzuki. Deze botsplaats lag op de weghelft, bestemd voor de Suzuki en gezien vanuit de rijrichting van de Audi nog vóór de in- / uitrit van de carpoolplaats. Wij zagen dat de lichtmast, voorzien van nummer 020309, beschadigd was. Wij zagen dat het verlichtingsarmatuur stuk was en een gedeelte daarvan los aan de paal hing. Tevens troffen wij veegsporen op de lichtmast aan. Kennelijk heeft de bestuurder van de Suzuki tijdens zijn vlucht deze geraakt. Wij zagen dat de paal, waaraan bord B6 van bijlage 1 van het RVV 1990 bevestigd was, afgebroken was. Dit verkeersbord stond, gezien de rijrichting van de Suzuki, in de rechter grasberm. Wij troffen op de paal diverse blauwe laksporen aan. Kennelijk is de Suzuki na de botsing met de Audi in zijn vlucht in botsing gekomen met deze paal."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

"Ik reed over de Meersteeg, ik kwam vanuit de richting van Lienden. Voor mij reed een auto. Daarvoor reed nog een auto dit was een zwarte of in ieder geval donkerkleurige Audi stationwagen. Ik zag dat van de Audi het knipperlicht naar links ging branden. Op het moment dat de richtingaanwijzer van de auto gaat branden zie ik het voertuig direct naar de linker weghelft rijden. Vervolgens zag ik dat een motorrijder die ons tegemoet kwam rijden er vol bovenop klapte. Ik had de motorrijder wel aan zien komen en dacht ook toen ik de auto naar links zag rijden: "Oh nee dat gaat niet goed". Vervolgens zag ik dat de motorrijder door de lucht vloog. Ik zag dat hij een eindje verderop op het fietspad terecht kwam."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 11 mei 2005 ben ik van mijn werk in Tiel weggegaan. Ik reed op mijn motor, een Suzuki GSX R570. Ik reed vanuit Tiel via de nieuwe industrieweg. Als u zegt dat dit de Meersteeg is, dan zal dat wel. Ik reed in de richting Lienden. Uit de tegemoetkomende rij auto's zag ik opeens een auto mijn weghelft opdraaien. Dit was ter hoogte van de carpoolplaats. Ik heb dus "vol" geremd en ging zoveel mogelijk naar de rechterzijde van de weg. Ik kon de auto niet meer ontwijken. Ik kreeg het niet meer aangeremd. Het eerst volgende dat ik weer weet is dat ik op mijn rug over de grond gleed tot ik stil lag. Ik ben pas drie weken geleden iets bijgekomen. Ik was mij er pas toen van bewust dat ik in het ziekenhuis lag. Tengevolge van het verkeersongeval heb ik het volgende letsel opgelopen: bekkenfractuur op diverse plaatsen; linkerbovenbeen gebroken; rechterbeen bijna afgescheurd in de liesstreek; wond bij anus en scrotum; rechterbeen kniebanden gescheurd; rechter onderbeen spieren afgekneld en afgestorven, dood weefsel weggehaald; een stoma; een gekneusde long en een klaplong. Het herstel gaat heel lang duren."

f. een geschrift, zijnde een medische verklaring ten name van [slachtoffer], van G. Coumans, geneeskundige, voor zover inhoudende:

"Omschrijving letsel:

Uitwendig letsel: shock, bekkenfactuur, dijbeenfactuur links."

3.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Door de verdediging is betoogd dat het slachtoffer aanzienlijk te hard heeft gereden en dat, indien het slachtoffer zich zou hebben gehouden aan de maximumsnelheid, de aanrijding nooit zou hebben plaatsgevonden.

Het hof overweegt hieromtrent dat in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer, schuld aan de zijde van de verdachte niet opheft. Dit kan in extreme situaties anders zijn, maar het hof is van oordeel dat zich een dergelijke situatie niet voordoet. Wat er ook zij van de snelheid van het slachtoffer, naar het oordeel van het hof staat vast dat het slachtoffer niet met een dermate (te) hoge snelheid heeft gereden dat verdachte daar als verkeersdeelnemer geen rekening mee heeft hoeven te houden, hetgeen hem zou disculperen. Het verweer wordt derhalve verworpen."

3.4. Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252).

3.5. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat de verdachte in de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval de motorrijder aan wie hij voorrang had dienen te verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, niet volgen dat de verdachte, zoals is bewezenverklaard, zich "aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig" heeft gedragen. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.6. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 28 oktober 2008.