Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BE9104

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-11-2008
Datum publicatie
28-11-2008
Zaaknummer
C06/348HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BE9104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervroegde onteigening. Complex in zin van art. 40d Ow. (bouwland en gronden boomkwekerij); schadeloosstelling, vergoeding van bijkomende schade aan juridische eigenaar ter doorbetaling aan economische eigenaar die de exploitatiemogelijkheid verliest; waardering, keuzevrijheid rechter.

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet 40d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 870
RvdW 2008, 1082
NJ 2010, 138 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
NJB 2008, 2173
JWB 2008/477
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 november 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/348HR

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie, verweerders in het incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. R. Dhalganjansing,

t e g e n

de GEMEENTE OISTERWIJK,

zetelend te Oisterwijk,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Gemeente.

1. Het geding in feitelijke instanties

De Gemeente heeft bij exploot van 8 februari 2001 [eiser] c.s. gedagvaard voor de rechtbank te Breda om ten behoeve en ten name van de Gemeente vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven percelen kadastraal bekend Gemeente Oisterwijk Sectie [A] nrs. [001], [002], [003] en [004] waarvan [eiser] c.s. als eigenaar zijn aangewezen en bij gemeld of later vonnis de schadeloosstelling vast te stellen.

Bij tussenvonnis van 3 april 2001 heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] c.s. vastgesteld op ƒ 1.793.790,--, drie deskundigen benoemd om de schadeloosstelling te begroten en een rechter-commissaris benoemd.

De rechtbank heeft, na een tussenvonnis waarbij een andere deskundige is benoemd en een onteigeningsdescente, bij eindvonnis van 11 oktober 2006 de schadeloosstelling voor [eiser] c.s. vastgesteld op € 1.208.630,--.

Dit eindvonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van de rechtbank hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De Gemeente heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping en in het incidentele beroep tot vernietiging.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 22 augustus 2008 op de conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 Het gaat in deze onteigeningszaak om de vaststelling van de schadeloosstelling ter zake van aan [eiser] c.s. in eigendom toebehorende percelen bouwland en een perceel kwekerijgrond. De deskundigen en de rechtbank zijn daarbij ervan uitgegaan dat het twee complexen kwekerijgrond betreft die door [eiser] c.s. achtereenvolgens in december 1991 en januari 1993 in economische eigendom zijn overgedragen aan hun zoon [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), en dat de zoon daarom degene is die het financiële belang heeft bij de onteigende zaken; weliswaar heeft hij op grond van de Onteigeningswet geen zelfstandig recht op schadevergoeding, maar voorzover zijn schade als onteigeningsgevolg kan worden aangemerkt, kan deze aan de juridische eigenaar worden toegekend, waarna deze de vergoeding dient door te betalen aan de economische eigenaar.

3.2 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, nadat zij in rov. 2.16 tot het oordeel was gekomen dat op de peildatum krachtens de geldende bestemming agrarische bebouwing niet mogelijk was, in rov. 2.20 overwogen dat de deskundigen bij de bepaling van de waarde van de onteigende onroerende zaken - met juistheid - tot uitgangspunt hebben genomen dat [betrokkene 1] recht heeft op vergoeding van de hoogste waarde van de onteigende gronden met de als onroerende zaken daarmee verbonden planten; de deskundigen hebben daartoe zowel de agrarische waarde van de onteigende percelen als de waarde van het onteigende als ruwe bouwgrond bepaald. De rechtbank heeft zich in rov. 2.26 aangesloten bij de waardering van het onteigende tegen de agrarische waarde, en heeft vervolgens blijkens rov. 2.27-2.35 daarbij opgeteld de door de deskundigen, volgens de rechtbank juist begrote waarde van de op de peildatum aanwezige beplanting (het plantsoen). Daarna heeft de rechtbank in rov. 2.36-2.48 de waarde van het onteigende als ruwe bouwgrond vastgesteld, en in rov. 2.49 geconstateerd dat de agrarische waarde de hoogste waarde vertegenwoordigt en dus als de werkelijke waarde van het onteigende heeft te gelden. In rov. 2.53 heeft de rechtbank geoordeeld dat geen plaats is voor een vergoeding ter zake van waardevermindering van het overblijvende.

In rov. 2.54-2.72 heeft de rechtbank de met het oog op de begroting van bijkomende vergoedingen door DLV opgestelde fictieve bedrijfsbegrotingen beoordeeld, en zich daarmee verenigd. In rov. 2.81 heeft de rechtbank na berekening van de inkomensschade aan de hand van vergelijking van deze begrotingen, en na vaststelling van de omrijschade, geoordeeld dat deze beide schadeposten volledig worden gecompenseerd door het (in rov. 2.78-2.81 vastgestelde) bedrag aan rente van het vrijkomend kapitaal, en beslist dat het resterende bedrag aan rente van het vrijkomend kapitaal dient te worden verrekend met de overige schade, niet zijnde de vergoeding van de waarde van het onteigende zelf.

Na verdere overwegingen over enkele bijkomende schadeposten, belastingschade en BTW in rov. 2.82-2.94, heeft de rechtbank in rov. 2.95 de totale schadeloosstelling voor [eiser] c.s. vastgesteld op € 1.208.630,--. In het dictum is dienovereenkomstig beslist, met verdere in rov. 2.96-2.111 gemotiveerde beslissingen over onder meer de rente en de kosten.

3.3 Het principale beroep keert zich tegen vrijwel alle hiervoor in 3.2 vermelde overwegingen en beslissingen van de rechtbank. Het incidentele beroep keert zich tegen de uitwerking van de hiervoor in 3.1 vermelde beslissing tot toekenning van een vergoeding van bijkomende schade aan de juridische eigenaar ter doorbetaling aan de economische eigenaar.

4. Beoordeling van de middelen in het principale beroep

4.1 De rechtbank heeft in rov. 2.20 overwogen dat bij de bepaling van de waarde van het onteigende de deskundigen met juistheid tot uitgangspunt hebben genomen dat [betrokkene 1] recht heeft op vergoeding van de hoogste waarde van de onteigende gronden met de als onroerende zaken daarmee verbonden planten, welke hoogste waarde de deskundigen hebben gezocht door zowel de agrarische waarde van de onteigende percelen als de waarde van het onteigende als ruwe bouwgrond te bepalen. Voor zover middel V zich daartegen richt met de klacht dat de rechtbank aldus niet heeft onderzocht wat de werkelijke waarde van het onteigende is, faalt het, omdat de onteigeningsrechter vrij is in de keuze van de wijze van waardering van het onteigende, en de gekozen methode (waarvan de rechtbank overigens pas in rov. 2.49 de uitkomst heeft bepaald) geen blijk geeft van miskenning van enige regel van onteigeningsrecht. De toepassing van deze methode heeft de rechtbank begrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Anders dan in middel V verder wordt aangevoerd, heeft de rechtbank bij de berekening van de waarde van het onteigende niet geredeneerd vanuit twee bestemmingen (agrarische waarde en waarde als ruwe bouwgrond). De rechtbank heeft in aansluiting op het debat van partijen en het deskundigenrapport dat daarop uitgebreid is ingegaan, onderzocht of bij een onderstelde koop in het vrije economische verkeer de hoogste prijs zou worden bereikt bij verkoop aan een gegadigde die het onteigende zal gaan gebruiken als agrarische grond (waarop volgens de op de peildatum geldende bestemming geen bouw van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen mogelijk was). De rechtbank heeft bij haar oordeel dat aldus de hoogste waarde wordt bereikt, in navolging van de deskundigen, nog wel aandacht besteed aan het betoog van [eiser] c.s. dat de waarde als ruwe bouwgrond de hoogste zou zijn, maar dit betoog verworpen. Anders dan in middel V wordt gesteld heeft de rechtbank toereikend gemotiveerd geoordeeld dat de hoogste waarde van het onteigende wordt gevonden bij waardering tegen agrarische waarde. Ook het verwijt dat de rechtbank zou hebben miskend dat de waarde op grond van het in art. 40d van de Onteigeningswet besloten liggende egalisatiebeginsel wordt bepaald op een gemiddelde prijs, de complexwaarde, is ongegrond. De rechtbank heeft in navolging van de deskundigen gerekend met een complexprijs, maar deze op een lager bedrag per vierkante meter geschat dan door [eiser] c.s. bepleit. Deze in overwegende mate met waarderingen van feitelijke aard verweven oordelen zijn door de rechtbank toereikend gemotiveerd.

4.2 Op het voorgaande stuiten ook de klachten af die in verschillende andere middelen worden aangevoerd tegen de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende.

4.3.1 De rechtbank heeft in rov. 2.51-2.53 in het voetspoor van de deskundigen geoordeeld dat er geen sprake is van enig overblijvend deel dat in waarde vermindert. De rechtbank verwierp het betoog van [eiser] c.s. dat hun op enige afstand van het onteigende gelegen bedrijfsgebouwen in waarde zullen dalen doordat ongeveer 3,9 ha van het bedrijf van [betrokkene 1] wordt gehaald zodat de bedrijfsopstallen en werktuigen van zijn ouders minder worden benut en de ouders daardoor minder tegenprestatie in de vorm van stek zullen ontvangen, en dat bij verkoop een gegadigde minder voor de bedrijfsgebouwen van de ouders over zal hebben. De rechtbank overwoog (in rov. 2.53) dat - naar door [eiser] c.s. ook niet is bestreden - [eiser] c.s. en [betrokkene 1] te onderscheiden ondernemingen hebben, hetgeen in de weg staat aan vergoeding van een veronderstelde waardevermindering van de eigendom van de ouders ten gevolge van de onteigening van de (economische) eigendom van de zoon; door de overdracht van de (economische) eigendom van de onteigende gronden van de ouders aan de zoon was de grond immers al niet langer (economisch) verbonden met de gebouwen van de ouders, hetgeen niet anders wordt door de onteigening waardoor de gronden opnieuw in eigendom overgaan, terwijl de door [eiser] c.s. gestelde schade ook overigens niet als onteigeningsgevolg kan worden aangemerkt, aldus de rechtbank.

4.3.2 Middel X keert zich tegen dit oordeel met een rechts- en een motiveringsklacht, maar tevergeefs. De rechtbank heeft niet miskend dat ingevolge art. 41 van de Onteigeningswet bij het bepalen van de schadeloosstelling rekening wordt gehouden met de mindere waarde, welke voor niet onteigende goederen van de onteigende het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van het verlies van zijn goed is. De rechtbank is ervan uitgegaan dat sedert de economische eigendomsoverdracht van de kwekerijgronden aan de zoon het financieel belang daarvan niet langer bij de ouders maar bij de zoon berustte, en dat de aan de zoon overgedragen kwekerijgronden en de niet in de onteigening betrokken bedrijfsgebouwen niet langer in een economische en functionele eenheid werden geëxploiteerd. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende waardevermindering van het overblijvende (de bedrijfsgebouwen) als gevolg van de door [eiser] c.s. gestelde mindere benutting daarvan doordat het bedrijfsareaal van de zoon door de onteigening met ongeveer 3,9 ha werd verkleind. De in het middel gestelde tegenstrijdigheid van rov. 2.53 met rov. 2.9 doet zich niet voor. In de laatstgenoemde overweging behandelt de rechtbank de vraag of er reden bestaat de schade die de zoon lijdt doordat de economische eigendom van de kwekerijgronden verloren gaat voor diens rekening te laten in plaats van die te brengen voor rekening van de gemeenschap wier belang met de onteigening is gediend. In dat verband heeft de rechtbank blijkbaar de familierelatie van belang geacht, maar zij heeft daarbij geen oordeel uitgesproken over de in rov. 2.53 behandelde vraag of grond bestaat voor een vergoeding wegens waardevermindering vanwege de mindere benutting van de bedrijfsgebouwen die niet aan de zoon in economische eigendom zijn overgedragen en die niet in de onderneming van de zoon maar in de daarvan te onderscheiden onderneming van de ouders worden geëxploiteerd.

4.4 Voor zover in het voorgaande de verder in de middelen nog naar voren gebrachte klachten niet zijn behandeld, kunnen die klachten niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1 Het incidenteel cassatieberoep richt zich tegen de toekenning van een vergoeding van bijkomende schade, naast vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende, aan [eiser] c.s. ten behoeve van [betrokkene 1] In onderdeel a wordt aangevoerd dat de beslissing van de rechtbank tot vaststelling van de schade op € 1.208.630,--, wat betreft het meerdere boven de werkelijke waarde van het onteigende van € 1.170.850,-- niet wordt gedragen door de overwegingen van de rechtbank in het bestreden vonnis. Volgens het onderdeel heeft de bijkomende schade waarvoor een vergoeding is toegekend betrekking op schadeposten van de besloten vennootschap [A] B.V. en niet van [betrokkene 1] zelf als economisch eigenaar. Het onderdeel betoogt dat, nu in cassatie ervan kan worden uitgegaan dat [A] B.V. de onroerende zaken niet heeft gehuurd, deze geen gerechtigde is in de zin van de art. 3 of 4 van de Onteigeningswet en de rechtbank ook niets heeft vastgesteld omtrent enig gebruiks- of ander recht van [A] B.V. tegenover [eiser] c.s. dan wel [betrokkene 1], de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een vergoeding van bijkomende schaden toe te kennen, dan wel dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat [betrokkene 1] als directeur en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [A] B.V. voor de toepassing van het onteigeningsrecht vereenzelvigd zou moeten worden met deze vennootschap acht het onderdeel in dit verband onvoldoende.

5.2 Het onderdeel neemt tot uitgangspunt dat [eiser] c.s. inderdaad, zoals de rechtbank heeft aangenomen, de economische eigendom van de percelen kwekerijgrond aan [betrokkene 1] hebben overgedragen, en dat in verband daarmee op de voet van de door de rechtbank in navolging van de deskundigen aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 10 augustus 1995, nr. 1195, NJ 1996, 614 en van 31 januari 1996, nr. 1208, NJ 1996, 615, moet worden aangenomen dat [betrokkene 1] zijn aanspraak op vergoeding van als gevolg van de onteigening geleden schade niet zelfstandig (als tussenkomende partij) kan geldend maken, maar dat de door het overgaan van de eigendom van de percelen op de Gemeente ontstane schade, die niet door [eiser] c.s. maar door [betrokkene 1] wordt geleden, in beginsel aan [eiser] c.s. moet worden vergoed ter doorbetaling aan hun zoon. In cassatie wordt dan ook niet bestreden dat op die wijze vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende dient te geschieden. Het onderdeel stelt de vraag aan de orde of op gelijke wijze kan worden geoordeeld ten aanzien van de bijkomende schade, bestaande in het verlies van de mogelijkheid de onteigende percelen voor bedrijfsdoeleinden te gebruiken. Volgens het onderdeel is dat niet het geval, omdat de bijkomende schade niet wordt geleden door de economische eigenaar [betrokkene 1], maar door de besloten vennootschap [A] B.V., waarin de exploitatie van de kwekerij is ondergebracht nadat de eenmanszaak [B] (dit is [betrokkene 1]) de percelen grond aan die besloten vennootschap ter beschikking heeft gesteld.

5.3 De klachten van het onderdeel zijn tevergeefs voorgesteld. De rechtbank heeft in navolging van de deskundigen met juistheid aangenomen dat, als op de voet van het genoemde arrest van 10 augustus 1995 plaats is voor vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende aan de juridische eigenaar ter doorbetaling aan de economische eigenaar, evenzeer grond kan bestaan ook de door deze laatste geleden bijkomende schade - doordat voor hem als gevolg van de onteigening de mogelijkheid verloren gaat het onteigende te blijven exploiteren - als een gevolg van de onteigening aan de onteigenende partij toe te rekenen. Ware dit anders dan zou, zoals in het vermelde arrest is overwogen, niet worden voldaan aan de eis van art. 40 van de Onteigeningswet dat de schadeloosstelling een volledige moet zijn, en zou deze schade zonder goede grond voor rekening van de economische eigenaar worden gelaten in plaats van die voor rekening te brengen van de gemeenschap wier belang met een onteigening is gediend.

5.4 De rechtbank heeft, eveneens in navolging van de deskundigen, kunnen aannemen dat in het onderhavige geval aan een beslissing als in 5.3 bedoeld niet in de weg staat dat [betrokkene 1] de gronden in zijn eenmanszaak heeft ingebracht, welke eenmanszaak de gronden vervolgens aan de besloten vennootschap waarvan hij directeur en enig aandeelhouder is, ter beschikking heeft gesteld voor de exploitatie ervan als boomkwekerij. Waar het gaat om de vaststelling van de schade die [betrokkene 1] als economisch eigenaar lijdt doordat als gevolg van de onteigening de exploitatie van de kwekerijgronden onmogelijk wordt gemaakt, kan, zoals ook de deskundigen met een beroep op de onteigeningspraktijk hebben geadviseerd, [betrokkene 1] als enig aandeelhouder en directeur van de besloten vennootschap waaraan het gebruik van de kwekerijgronden (via de eenmanszaak) is toegestaan, op één lijn worden gesteld met een (economisch) eigenaar die de onroerende zaak zelf exploiteert (vgl. HR 7 februari 1968, NJ 1968, 193).

5.5 In het licht van het voorgaande behoefde de rechtbank haar beslissing tot toekenning, naast de vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende, van een vergoeding voor de bijkomende schade aan de juridische eigenaar ter doorbetaling aan de economische eigenaar niet nader te motiveren om deze begrijpelijk te doen zijn.

5.6 Op het voorgaande stuit onderdeel a van het middel in zijn geheel af. Ook de onderdelen b en c van het middel in het incidentele beroep zijn tevergeefs voorgesteld. Voor zover onderdeel b naast onderdeel a zelfstandige betekenis heeft, mist het feitelijke grondslag, omdat de rechtbank haar beslissing niet heeft gegrond op een vereenzelviging van de juridische eigenaar [eiser] c.s. met de economische eigenaar. Voor zover het onderdeel bestrijdt dat de economische eigendom aan de zoon is overgedragen, faalt het onderdeel, omdat het oordeel van de rechtbank dat zulks inderdaad is geschied, berust op een uitleg van de desbetreffende akten, die niet onbegrijpelijk is. De motiveringsklacht van onderdeel c keert zich tegen het feitelijk oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van het verschil van 0.21.80 ha dat zou bestaan tussen de oppervlakte van de onteigende percelen en de in economische eigendom overgedragen percelen sprake is van een vergissing. Dat oordeel is echter niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering dan de rechtbank heeft gegeven.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 71,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 28 november 2008.