Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BE7451

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2008
Datum publicatie
17-10-2008
Zaaknummer
C07/082HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BE7451
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ4329, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Tijdens afkoelingsperiode door fiscus gelegd bodembeslag op geleasede machines kan niet worden tegengeworpen aan de lessor die de geleasede zaken voor de beslaglegging door middel van een ondubbelzinnige verklaring heeft opgeëist; strekking afkoelingsperiode.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 63a
Faillissementswet 241a
Invorderingswet 1990 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 742
NJ 2009, 92 met annotatie van P. van Schilfgaarde
RI 2008, 87
RvdW 2008, 954
NJB 2008, 1932
V-N 2008/52.28 met annotatie van Redactie
JWB 2008/407
JOR 2009/54 met annotatie van SCJJK en mr. N.S.G.J. Vermunt
NTFR 2000/38 met annotatie van mr. K. de Graaf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 oktober 2008

Eerste Kamer

Nr. C07/082HR

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ZUIDWEST,

kantoorhoudende te Goes,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenk,

t e g e n

SINGULUS TECHNOLOGIES A.G.,

gevestigd te Kahl am Main, Duitsland,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Ontvanger en Singulus.

1. Het geding in feitelijke instanties

Singulus heeft bij exploot van 7 juli 2003 de Ontvanger gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, voor recht te verklaren dat het beslag, gelegd door de Ontvanger, niet kan worden tegengeworpen aan Singulus en de Ontvanger te veroordelen om binnen vijf dagen na het in deze te wijzen vonnis de door Singulus aan de Ontvanger afgegeven bankgarantie terug te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag, of een gedeelte van een dag, dat de Ontvanger hieraan niet voldoet.

De Ontvanger heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 3 november 2004 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Singulus hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 28 september 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering alsnog toegewezen zonder oplegging van een dwangsom.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de Ontvanger beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Singulus heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Ontvanger mede door mr. E.D. van Geuns en voor Singulus mede door mr. S.M. Bartman, beiden advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging, met verdere beslissingen als gebruikelijk.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Tussen Alcor (de leasemaatschappij van Singulus) als lessor, en Memox als lessee, zijn twee lease-overeenkomsten gesloten met betrekking tot machines voor de productie van DVD-disks (hierna: de machines). Op deze overeenkomsten zijn de algemene voorwaarden van Alcor van toepassing.

(ii) Beide overeenkomsten zijn door Alcor bij brieven van 23 januari 2003, met inachtneming van art. 5 van voormelde algemene voorwaarden, met onmiddellijke ingang opgezegd wegens wanbetaling door Memox. Bij die gelegenheid werden tevens de machines opgeëist en werd verder gebruik daarvan verboden.

(iii) Op 19 februari 2003 is aan Memox voorlopige surseance van betaling verleend, met benoeming van een bewindvoerder. Op 20 februari 2003 kondigde de rechtbank een afkoelingsperiode af als bedoeld in art. 241a F., voor de duur van 10 dagen.

(iv) Op 20 februari 2003 heeft Alcor per fax bij de bewindvoerder in de voorlopige surseance van Memox aangedrongen op afgifte van de machines. Daarbij heeft zij erop gewezen dat een bodembeslag van de eiser tot cassatie, de Ontvanger, haar rechten zou kunnen frustreren. Op 24 februari 2003 heeft Alcor, met toestemming van de voorzieningenrechter, conservatoir beslag tot afgifte op de machines laten leggen. Vanwege de afkoelingsperiode was het niet mogelijk de machines in gerechtelijke bewaring te geven.

(v) Op 26 februari 2003 heeft Alcor de rechter-commissaris in de voorlopige surseance verzocht, haar machtiging te verlenen om haar rechten met betrekking tot de machines uit te oefenen. De bewindvoerder heeft bij faxbericht van gelijke datum zich op het standpunt gesteld dat een eventueel door de Ontvanger te leggen bodembeslag geen gevolg behoort te hebben indien het (in de afkoelingsperiode) is gelegd nadat de eigenaar tevergeefs om afgifte heeft verzocht. De rechter-commissaris heeft op 27 februari 2003 het verzoek van Alcor afgewezen.

(vi) Op 28 februari 2003 heeft de Ontvanger executoriaal beslag gelegd op de bodemzaken van Memox, waaronder de machines.

(vii) Bij vonnis van 3 maart 2003 is Memox failliet verklaard, onder gelijktijdige intrekking van de voorlopig verleende surseance.

(viii) Op 21 maart 2003 heeft Alcor de Ontvanger verzocht de machines af te geven. De Ontvanger heeft dat geweigerd, met een beroep op het bodembeslag.

(ix) Op 25 maart 2003 heeft Alcor haar eigendomsrechten op de machines overgedragen aan Singulus. De Ontvanger heeft de machines op 28 maart 2003 vrijgegeven tegen afgifte van een bankgarantie.

3.2.1 In dit geding heeft Singulus een verklaring voor recht gevorderd dat het bodembeslag niet aan haar kan worden tegengeworpen. Zij stelde primair dat haar rechten op de machines als "reële eigendom" moeten worden aangemerkt in de zin van de Leidraad Invordering 1990, en subsidiair dat Alcor de machines al had opgeëist voordat het bodembeslag is gelegd, terwijl afgifte of gerechtelijke bewaring van de machines niet mogelijk was als gevolg van de afkoelingsperiode. Vervolgens heeft de Ontvanger de afkoelingsperiode gebruikt om zijn positie te verbeteren ten koste van Alcor. Dat is in strijd met de strekking van de wettelijke regeling inzake het bodembeslag en de afkoelingsperiode en is dus aan te merken als misbruik van bevoegdheid, dan wel onrechtmatig handelen, aldus nog steeds Singulus.

3.2.2 De rechtbank heeft de gevraagde verklaring voor recht geweigerd. Zij oordeelde, kort samengevat, dat naar het toepasselijke Nederlandse recht de machines na de beëindiging van lease-overeenkomsten niet als reële eigendom van Singulus konden worden aangemerkt en dat geen aanleiding bestaat te anticiperen op de (ten tijde van vonniswijzing nog niet in werking getreden) artikelen 63c en 241c F. De Ontvanger heeft ook geen misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid het bodembeslag in te roepen jegens (eerst) Alcor en (vervolgens) Singulus. Hij heeft evenmin onrechtmatig jegens hen gehandeld.

3.2.3 Het hof heeft dit vonnis vernietigd en, op de subsidiair door Singulus verdedigde grond, de door haar gevraagde verklaring voor recht alsnog uitgesproken. De gronden die het hof tot zijn oordeel brachten, kunnen aldus worden weergegeven. Op het moment waarop de Ontvanger bodembeslag heeft gelegd, bevonden de machines zich nog op de bodem van Memox door de werking van eerst art. 241a F. en daarna art. 63a F. De afkoelingsperiode is bedoeld om de bewindvoerder dan wel de curator de tijd te geven zich een oordeel te vormen over de vraag welke goederen in de boedel vallen of welke hij voor de boedel wil behouden, mede gelet op het bevorderen van de overlevingskans van de onderneming. De afkoelingsperiode voorkomt dat schuldeisers dit beleid doorkruisen (rov. 4.4). Het is in strijd met de strekking van de afkoelingsperiode als de Ontvanger zich in die periode door het leggen van bodembeslag de mogelijkheid zou verschaffen zich te verhalen op de machines. Het bodembeslag kan daarom niet aan Singulus worden tegengeworpen (rov. 4.5). De vraag of de eigendom van Singulus als reële eigendom van de machines in zin van de Leidraad Invordering 1990 kan worden aangemerkt, behoeft daarom geen bespreking, evenmin als de vragen of ruimte is voor anticipatie op de artikelen 63c en 241c F., en of sprake is van misbruik van bevoegdheid dan wel onrechtmatig handelen door de Ontvanger (rov. 4.6).

3.3 Onderdeel 1 van het hiertegen gerichte middel houdt in dat het hof aldus heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het afkondigen van een afkoelingsperiode ontneemt de Ontvanger niet de bevoegdheid desgewenst op de voet van art. 22 lid 3 Iw 1990 bodembeslag te leggen en dit ook tegen te werpen aan derden-eigenaren, ongeacht of het tijdens de afkoelingsperiode gelegde beslag "ten koste" was gegaan van de schuldeisers die door de afkoelingsperiode geen afgifte van de aan hen toebehorende (bodem)zaken hadden kunnen bewerkstelligen. Van strijd met de strekking van de afkoelingsperiode is geen sprake. Deze strekt immers niet ertoe de positie van individuele schuldeisers te beschermen en/of te bewerk-stelligen dat de positie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt.

3.4 De afkoelingsperiode waarvan in het vorenstaande sprake is, houdt in dat de rechter-commissaris (of de rechtbank) kan bepalen dat binnen een door deze vast te stellen periode elke bevoegdheid van derden, met uitzondering van boedelschuldeisers, tot verhaal op tot de boedel behorende goederen, of tot de opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar, dan wel - in het geval van faillissement - de curator bevinden, niet dan met zijn machtiging kan worden uitgeoefend (art. 63a F., respectievelijk art. 241a F.). De strekking van de afkoelingsperiode is als volgt toegelicht:

"Vooral de eerste tijd na de faillietverklaring heeft de curator tijd nodig om zich een oordeel te vormen over de vraag welke goederen in de boedel vallen of welke goederen hij in elk geval voor de boedel wil behouden, bij voorbeeld in verband met een mogelijke voortzetting of verkoop van het bedrijf. Het beleid van de curator kan in ernstige mate worden doorkruist, wanneer hij in deze periode door de betreffende derden voor een fait accompli geplaatst wordt. Er bestaat daarom behoefte aan de mogelijkheid om aan hen een afkoelingsperiode op te leggen, waarin zij hun rechten niet kunnen uitoefenen dan met machtiging van de rechter-commissaris. Aldus wordt tevens voorkomen dat - zoals thans wel geschiedt - onmiddellijk na het uitspreken van het faillissement derden allerlei goederen uit de boedel komen weghalen uit angst dat anders wellicht nog weer anderen - met name de fiscus - daarop hun rechten zullen uitoefenen."

(MvT Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 414).

3.5 Door de inwerkingtreding van de artt. 63a en 241a F. op 1 januari 1992 ontstond, naar de letter van art. 22 lid 3 Iw 1990, voor de ontvanger de mogelijkheid te profiteren van een door de rechter-commissaris gelaste afkoelingsperiode. Indien immers de lease-overeenkomst door de lessor is beëindigd nog voordat bodembeslag is gelegd op de grond dat de lessee niet aan zijn contractuele verplichtingen voldoet, maar laatstgenoemde niet meewerkt aan zijn daaruit voortvloeiende verplichting de lessor weer de macht over de desbetreffende zaak te verschaffen, en die zaak zich daarom nog in de macht van de lessee bevindt, brengt een vervolgens gelaste afkoelingsperiode mee dat de lessor zijn bevoegdheid tot opeising van die zaak niet dan met machtiging van de rechter-commissaris kan uitoefenen. Verkrijgt hij die machtiging niet of niet tijdig, en legt de ontvanger bodembeslag op een moment waarop de zaak zich nog op de bodem van de belastingschuldige bevindt, dan brengt een letterlijke uitleg van art. 22 lid 3 Iw 1990 mee dat het bodembeslag op die zaak aan de lessor kan worden tegengeworpen.

3.6.1 Bij de beantwoording van de vraag of die uitleg ook de juiste is moet in de eerste plaats worden bedacht dat de bevoegdheid om een afkoelingsperiode te gelasten ten tijde van de vaststelling van laatstgenoemde wetsbepaling nog niet bestond.

3.6.2 Voorts volgt uit de hiervoor in 3.4 aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis dat de strekking van de afkoelingsperiode is, kort samengevat, om de curator dan wel de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen zijn beleid te bepalen ten aanzien van de vraag welke goederen hij in elk geval voor de boedel wil behouden. De strekking daarvan is dus niet (mede) om de ontvanger in staat te stellen zich tijdens de afkoelingsperiode door het leggen van bodembeslag een betere positie te verschaffen dan waarin hij zou hebben verkeerd indien de afkoelingsperiode niet in de weg zou hebben gestaan aan het opeisen door de lessor van de hem toebehorende zaak.

3.6.3 In dit verband is verder van belang dat ook de wetgever klaarblijkelijk van oordeel is dat een letterlijke uitleg van art. 22 lid 3 Iw 1990 als hiervoor in 3.5 bedoeld, de ontvanger onredelijk zou bevoordelen ten koste van de lessor die de desbetreffende zaak tijdig en op ondubbelzinnige wijze heeft opgeëist. Het bij de wet van 24 november 2004 (Stb 2004, 615) ingevoerde art. 63c F. (art. 241c F.) bepaalt namelijk inmiddels:

"Een beslag als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990 dat tijdens de afkoelingsperiode wordt gelegd op een zaak die zich op de bodem van de gefailleerde bevindt en die niet aan hem toebehoort, kan niet worden tegengeworpen aan de eigenaar van de zaak (...), indien deze voordat het beslag was gelegd bij deurwaardersexploit aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de zaak."

De minister merkte ter toelichting onder meer het volgende op:

"De huidige regeling van het zogeheten bodembeslag in de afkoelingsperiode is niet geheel duidelijk. (...) Indien een afkoelingsperiode is bevolen, kan (...) de eigenaar van een zaak die zich op de bodem van de gefailleerde bevindt, die zaak niet opeisen, als gevolg van de werking van art. 63a. Indien de Ontvanger na de faillietverklaring bodembeslag legt, zou hij zich met voorrang boven de eigenaar kunnen verhalen op de zaken, na afloop van de afkoelingsperiode, of tijdens de afkoelingsperiode indien de rechter-commissaris bepaalt dat de afkoelingsperiode niet ziet op de uitwinning. Een dergelijk gevolg is ongewenst. Zou immers de afkoelingsperiode niet zijn bevolen dan had (...) de eigenaar de zaken wel kunnen opeisen en wegnemen, waardoor het bodembeslag niet mogelijk zou zijn geweest. (...) Om die reden is bepaald dat een bodembeslag niet aan de eigenaar (...) kan worden tegengeworpen, indien de eigenaar de zaken opeist voordat het bodembeslag is gelegd."

(Kamerstukken II, 1999-2000, nr. 27244, nr. 3, p. 18)

3.7 Op grond van al het vorenstaande, in onderlinge samenhang, moet naar het in dit geding toepasselijke recht worden geoordeeld dat een tijdens een afkoelingsperiode gelegd bodembeslag niet kan worden tegengeworpen aan de lessor die - zoals hier het geval is - de zaak voor de beslaglegging door middel van een ondubbelzinnige verklaring heeft opgeëist.

3.8 Hieruit volgt dat onderdeel 1 op een onjuiste rechtsopvatting is gebaseerd en dus faalt.

3.9 Ook de overige door het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Singulus begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op

17 oktober 2008.