Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD7601

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2008
Datum publicatie
10-10-2008
Zaaknummer
C07/023HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD7601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Recht van opstal. Verkrijging door verjaring van rechtsvordering tot beëindiging van bezit (art. 3:306 jo. 3:105 lid 1 BW); stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 1 met annotatie van F.M.J. Verstijlen
RVR 2008, 2
JOL 2008, 734
RvdW 2008, 931
NJB 2008, 1905
JWB 2008/405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 oktober 2008

Eerste Kamer

Nr. C07/023HR

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E.D. van Geuns,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiseres] heeft bij exploot van 23 december 2003 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Leeuwarden en gevorderd, kort gezegd, voor recht te verklaren dat [eiseres] door verjaring de eigendom heeft verkregen van de recreatiewoning op het perceel Gemeente [A], kadastraal bekend sectie [A] nummer [001], in het duingebied achter het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats A], alsmede van het stuk grond waarop de recreatiewoning is gelegen.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, voor recht te verklaren dat [verweerder] de eigenaar is van het desbetreffende perceel en de daarop gestichte opstal alsmede [eiseres] te veroordelen het perceel te ontruimen. Daarop heeft [eiseres] haar vordering vermeerderd in dier voege dat zij subsidiair vordert een verklaring voor recht dat zij door verjaring het recht van opstal heeft verkregen.

Bij tussenvonnissen van 3 maart 2004 en 16 juni 2004 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast en [verweerder] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs dat [eiseres] en haar rechtsvoorganger(s) gedurende minmaal 20 jaren bezitter zijn geweest van de recreatiewoning.

De rechtbank heeft, na het horen van getuigen, bij eindvonnis van 18 mei 2005 in conventie voor recht verklaard dat [eiseres] door verjaring eigendom heeft verkregen van de litigieuze recreatiewoning op het perceel alsmede het recht van opstal. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [verweerder] eigenaar is van het litigieuze perceel, alsmede van het stuk grond waarop de recreatiewoning is gelegen.

Tegen deze vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Bij arrest van 23 augustus 2006 heeft het hof [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen het vonnis van 3 maart 2004, de vonnissen van 16 juni 2004 en 18 mei 2005 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat [verweerder] eigenaar is van het litigieuze perceel alsmede van het stuk grond waarop de recreatiewoning is gelegen. Het hof heeft voorts [eiseres] veroordeeld om binnen zes weken het litigieuze perceel te ontruimen onder verbeurte van een dwangsom.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 24 juli 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan, deels veronderstellenderwijze, van het volgende worden uitgegaan:

(i) In of omstreeks het jaar 1942 hebben de ouders van [eiseres] toestemming gekregen van de toenmalige eigenaren van het perceel [a-straat 1] te [plaats A], gemeente [A], om op dat perceel een recreatiewoning te bouwen. De toenmalige eigenaren waren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (het echtpaar [betrokkene 1 en 2]), overgrootouders en rechtsvoorgangers van [verweerder], die op genoemd perceel een boerderij bewoonden.

(ii) In 1997 is aan de vader van [eiseres] op diens aanvraag een bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van de recreatiewoning.

(iii) De boerderij aan de [a-straat 1] is in of omstreeks november 2001 verkocht. Het stuk grond waarop de recreatiewoning staat is buiten die transactie en overdracht gehouden.

3.2 [Eiseres] heeft zich in dit geding primair op het standpunt gesteld dat zij als rechtsopvolgster van haar ouders de eigendom van de recreatiewoning en het perceel waarop deze is gebouwd heeft verkregen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat haar ouders in of omstreeks 1942 van het echtpaar [betrokkene 1 en 2] toestemming hebben gekregen om op hun grond een recreatiewoning voor zich te bouwen, dat haar ouders die woning sinds de bouw daarvan voor zichzelf zijn gaan houden en blijven houden en dat de rechtsvordering van [verweerder] strekkende tot beëindiging van het bezit krachtens art. 3:306 BW is verjaard, zodat zij ingevolge art. 3:105 lid 1 BW de eigendom van het perceel en de daarop gebouwde recreatiewoning heeft verworven. De rechtbank heeft dit primaire standpunt van [eiseres] verworpen, maar haar subsidiaire standpunt dat door verjaring een recht van opstal met betrekking tot de recreatiewoning is ontstaan, aanvaard. In hoger beroep was, en in cassatie is, uitsluitend nog dit subsidiaire standpunt in geschil.

3.3 [Verweerder] heeft in de toelichting op zijn grief II aangevoerd dat door [eiseres] en/of haar rechtsvoorgangers "nimmer een bezitsdaad is gesteld", zodat het recht van opstal niet door verjaring kan zijn verkregen. Het hof heeft dit verweer tegen de subsidiaire vordering van [eiseres] gehonoreerd. Daartoe heeft het in rov. 12 overwogen dat het voorbijgaat aan de stelling van [eiseres], voor zover aangevoerd, dat zij of haar rechtsvoorganger(s) bezitter zijn geweest van het recht van opstal.

"[Eiseres] heeft zich immers (primair) op het standpunt gesteld dat zij bezitter van het perceel was en dat zij de eigendom daarvan door verjaring heeft gekregen. Het als bezitter houden van een goed voor zichzelf sluit uit dat die bezitter tevens bezitter is van een beperkt zakelijk recht met betrekking tot dat goed. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat [eiseres] en/of haar rechtsvoorgangers geen bezitter(s) is of zijn geweest van het gepretendeerde recht van opstal."

3.4 Het hof heeft in de hiervoor weergegeven overweging tot uitdrukking gebracht dat de door [eiseres] aangevoerde feiten en omstandigheden, die door haar in eerste aanleg mede als grondslag waren aangevoerd voor haar door de rechtbank verworpen standpunt dat haar ouders of zij door verjaring de eigendom hebben verkregen van het perceel met de daarop gebouwde recreatiewoning, evenmin kunnen meebrengen dat haar ouders of zij door verjaring een recht van opstal hebben verkregen, reeds omdat die gestelde feiten en omstandigheden niet wijzen op het, voor zodanige verjaring vereiste, ondubbelzinnige bezit van het recht van opstal. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de gedingstukken alleszins begrijpelijk. Daarop stuit het middel in zijn geheel af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 oktober 2008.