Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD7257

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-10-2008
Datum publicatie
07-10-2008
Zaaknummer
00530/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD7257
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Bewijsklacht. Radardetectieapparaat a.b.i. art. 5.1.6 Voertuigreglement. 2. Afwijzing getuigenverzoek. Ad 1.’s Hofs oordeel dat sprake was van een dergelijk radardetectieapparaat (hoewel het niet werkte omdat de techniek uit het controlekastje ontbrak) getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het bewijs van geschiktheid a.b.i. art. 5.1.6 Voertuigreglement hoeft niet vast te staan dat het apparaat t.t.v. het constateren van de overtreding was aangesloten en functioneerde. Het oordeel dat het enkele ontbreken van een bedieningspaneel bij een radarontvangstapparaat dit apparaat niet volledig ongeschikt maakt om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel had om een overschrijding van de max. snelheid vast te stellen, is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Het verzoek tot het horen van getuigen omtrent bedoelde “technische kwestie”, is een verzoek waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Zodanige beslissing ontbreekt maar dat behoeft niet tot cassatie te leiden nu het voor de strafrechtelijke betekenis van overtreding van art. 5.1.6 Voertuigreglement niet van belang is of een radarontvangstapparaat t.t.v. het constateren van de overtreding daadwerkelijk functioneerde of niet. Conclusie AG anders tav punt 2.

Wetsverwijzingen
Voertuigreglement
Voertuigreglement 5.1.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 724
NJ 2008, 542
RvdW 2008, 942
VR 2009, 25
NJB 2008, 1937
JWR 2008/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 oktober 2008

Strafkamer

nr. 00530/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van de Enkelvoudige Kamer van het Gerechtshof te Arnhem van 6 oktober 2006, nummer 21/005888-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 2 november 2005 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 5.1.6 Voertuigreglement" veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. K. Karakaya, advocaat te Ede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Daartoe wordt, in navolging van het ter terechtzitting gevoerde verweer, aangevoerd dat bij het ontbreken van een bedieningspaneel een radardetectieapparaat volledig ongeschikt is om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel had om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen en dat het onderhavige apparaat daarom geen radardetectieapparaat is als bedoeld in art. 5.1.6 van het Voertuigreglement.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is, overeenkomstig de tenlastelegging, bewezenverklaard dat:

"zij op 8 juli 2004 te Arnhem als bestuurder van een personenauto, heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Koningsweg, terwijl in of aan dat motorrijtuig een radarontvangstapparaat aanwezig was dat geschikt was om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel had om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen."

3.2.2. De tenlastelegging is toegesneden op art. 5.1.6 van het Voertuigreglement. Deze bepaling luidt:

"Het is de bestuurder van een motorrijtuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien in of aan het motorrijtuig een radarontvangstapparaat aanwezig is, dat geschikt is om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen."

3.2.3. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het Hof, voor zover inhoudende:

"Op 8 juli 2004 reed ik met mijn personenauto over de Koningsweg te Arnhem. Achter de bumper van mijn auto zat een gedeelte van een radarontvangstapparaat."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Ik constateerde dat op 8 juli 2004 te Arnhem, een persoon als bestuurder van een voertuig met het kenteken [AA-00-BB] heeft gereden terwijl in of aan het motorrijtuig een radarontvangstapparaat aanwezig was, dat geschikt is om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen."

Locatie: Koningsweg, een voor het openbaar verkeer openstaande weg buiten de bebouwde kom, in de gemeente Arnhem.

Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, daarnaar gevraagd, de volgende persoonsgegevens:

Naam [achternaam verdachte]

Voornamen [voornamen]

Geboorteplaats [geboorteplaats]

Geboortedatum [geboortedatum]-1962

Straatnaam [a-straat 1]

Postcode / Woonplaats [woonplaats]."

3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde, ter terechtzitting gevoerde, bewijsverweer als volgt verworpen:

"Dat van een radarontvangstapparaat als bedoeld in artikel 5.1.6 Voertuigreglement geen sprake was omdat de techniek uit het controlekastje ontbrak, is niet juist. Beslissend is de technische bestemming van het apparaat in die zin, dat het kennelijk is ontworpen en tot doel heeft de aanwezigheid te signaleren van in gebruik zijnde radarapparatuur waarmee een overschrijding van de maximumsnelheid kan worden vastgesteld. De enkele omstandigheid dat het apparaat ten tijde van ontdekking niet werkt, is dus niet van belang."

3.4. Dit oordeel van het Hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 29 augustus 2006, LJN AX6420, NJ 2006, 486). Voor het bewijs van de geschiktheid als bedoeld in art. 5.1.6 van het Voertuigreglement behoeft niet vast te staan dat het apparaat ten tijde van het constateren van de overtreding was aangesloten en functioneerde. Het kennelijk oordeel van het Hof dat het enkele ontbreken van een bedieningspaneel bij een radarontvangstapparaat dit apparaat niet volledig ongeschikt maakt om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel had om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen, is niet onbegrijpelijk.

De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.

3.5. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het vierde middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op het verzoek van de verdediging tot het horen van de verbalisant [verbalisant 1] en [getuige 1] als getuige.

4.2.1. Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep houdt omtrent dit verzoek het volgende in:

"De advocaat-generaal voert het woord, waarbij hij opmerkt dat de politie bezig was met een radardetector controle. De radardetectordetector die de politie hierbij gebruikt gaat alleen af als er een werkende radardetector aanwezig is. De radardetectordetector is afgegaan, terwijl de unit van het bedieningspaneel niet in de houder aanwezig was. Er is geen sprake van een buitenwerking gestelde radardetector. Verdachte heeft onvoldoende gedaan om de radardetector te verwijderen.

(...)

De raadsman van verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik ben zelf op dit gebied geen deskundige. Rekening houdend met de deskundigheid van de advocaat-generaal zouden wij aanhouding nodig hebben om te onderzoeken hoe dit werkt met een radardetectordetector. Ik wil dan graag verbalisant [verbalisant 1] en [getuige 1] onder ede horen over de werking van een radardetectordetector."

4.2.2. In de toelichting op het middel wordt omtrent de strekking van dit verzoek, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:

"Het belang voor de verdediging van het horen van deze getuigen is, gelet op de door haar gevoerde verweren, evident.

Allereerst is er op de zitting een discussie geweest over de vraag of het gedeelte van het radarontvangstapparaat dat in de bumper van de auto van [verdachte] was gemonteerd, een kastje zonder techniek was of niet. Dat is een vraag die bij uitstek door verbalisant [verbalisant 1] op de zitting beantwoord had kunnen worden. Dit is van belang om te beoordelen of [verdachte] al dan niet in overtreding was. (...) Mocht de verdediging immers bevestigd worden in haar standpunt dat het hier inderdaad ging om een volledig ongeschikt kastje zonder techniek, dan zou men niet kunnen spreken van een overtreding en had vrijspraak moeten volgen.

Bovendien had men de verbalisant kunnen vragen naar de feiten zoals die door de verdediging op de zitting uitdrukkelijk zijn gesteld en onderbouwd. Verwezen wordt naar de toelichting van middel 1 (...).

Het horen van verbalisant [verbalisant 1] en de getuige [getuige 1] was dan ook noodzakelijk om opheldering over het feitenrelaas alsmede de technische kwestie te krijgen. Opheldering was noodzakelijk ter beoordeling van de uitdrukkelijk gevoerde verweren strekkende tot onder andere niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel vrijspraak van het ten laste gelegde feit."

4.3.1. Voor zover het middel blijkens de toelichting kennelijk ervan uitgaat dat het Hof het verzoek had moeten opvatten als ertoe strekkende de bedoelde getuigen te doen horen omtrent de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn strafvervolging - kort gezegd: dat de verbalisant [verbalisant 1] aan de verdachte heeft toegezegd dat hij haar geen boete zou opleggen - kan het niet tot cassatie leiden. De bewoordingen van het verzoek laten zodanige uitleg niet toe.

4.3.2. Het hiervoor in 4.2.1 weergegeven verzoek van de verdediging, voor zover ertoe strekkende de getuigen te doen horen omtrent de bedoelde "technische kwestie", is een verzoek waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel in zoverre gegrond.

Dat verzuim behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu de klacht daarover belang mist. Het verzoek strekte kennelijk ertoe de bedoelde getuigen te doen horen omtrent de werking van het radarontvangstapparaat. Uit de beoordeling van het tweede middel, zoals hiervoor onder 3 is weergegeven, volgt dat het voor de strafrechtelijke betekenis van overtreding van art. 5.1.6 van het Voertuigreglement niet van belang is of een radarontvangstapparaat ten tijde van het constateren van de overtreding daadwerkelijk functioneerde of niet.

4.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 7 oktober 2008.