Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD6831

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
43319
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 234 Gemeentewet. Verordening parkeerbelastingen gemeente Rotterdam. Dagdeelvergunning (kraskaart). Bewijskracht schermprint met opmerkingen parkeercontroleur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/1002
BNB 2008/246
V-N 2008/35.24 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1506
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.319

11 juli 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 juli 2006, nr. BK-04/03177, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 24 juli 2004 te Q een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Rotterdam opgelegd. De naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de directeur Gemeentebelastingen van de gemeente Rotterdam gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, en de uitspraak alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 24 juli 2004 omstreeks 15.56 uur heeft een parkeercontroleur de auto van belanghebbende met kenteken AA-00-BB aangetroffen op een parkeerterrein aan de a-straat te Q. Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen als een parkeerplaats voor betaald parkeren. Op het voormelde tijdstip mocht ter plaatse worden geparkeerd tegen betaling van de verschuldigde parkeerbelasting.

3.1.2. De parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Naar aanleiding daarvan is een naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd ten bedrage van € 46,25, bestaande uit € 1,25 aan parkeerbelasting en € 45 aan kosten.

3.2. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de heffingsambtenaar tegenover de door belanghebbende overgelegde dagdeelvergunning (een zogenoemde kraskaart) geen deugdelijk en overtuigend bewijsmiddel in het geding heeft gebracht dat zijn vordering kan staven, zoals een schriftelijke en gemotiveerde verklaring van de betrokken parkeercontroleur. Een zogenoemde schermprint van de naheffingsaanslag met daarin een, naar zeggen van de heffingsambtenaar, door de parkeercontroleur ingevoerde vrije tekst omtrent de reden van het opleggen van de naheffingsaanslag, kan niet als zodanig bewijsmiddel dienen, aldus het Hof.

3.3. Het tegen dit oordeel gerichte middel slaagt. Indien het Hof heeft bedoeld te oordelen dat aan een schermprint geen enkele bewijskracht toekomt, is zijn oordeel onjuist. Indien het Hof heeft bedoeld te oordelen dat de onderhavige schermprint onvoldoende bewijs oplevert tegenover de door belanghebbende overgelegde dagdeelvergunning, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft immers bij de mondelinge behandeling aangevoerd dat de tekst van de schermprint, waarop stond aangegeven dat de in de auto aangetroffen dagdeelvergunning reeds eerder - op 19 juni - was gebruikt, door de parkeercontroleur (reeds) bij het opleggen van de naheffingsaanslag in het systeem was ingevoerd en uit 's Hofs uitspraak blijkt niet of - en zo ja hoe - het dit betoog in de bewijswaardering heeft betrokken.

3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2008.