Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD6568

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-10-2008
Datum publicatie
21-10-2008
Zaaknummer
08/00142
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD6568
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2007:BC0287, Meerdere afhandelingswijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2007:BC1757, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 4a Sr. Afgeleide rechtsmacht. 1. “Vreemde staat” i.d.z.v. art. 4a Sr. 2. Grondslag voor overname strafvervolging. Het gaat i.c. om een Rwandees die ervan wordt beschuldigd dat hij – vzv. in cassatie van belang - in 1994 in Rwanda misdrijven i.d.z.v. art. 1 Uitvoeringswet genocideverdrag heeft gepleegd tegen niet-Nederlanders. Het middel bestrijdt niet dat NL in dit geval geen zogenoemde originaire rechtsmacht heeft, zoals de Rb en het Hof met juistheid hebben geoordeeld. De omstandigheid dat verdachte zich in NL bevindt, is niet voldoende voor het aannemen van rechtsmacht. Het vorenoverwogene brengt mee dat verdachte slechts dan in NL kan worden vervolgd en berecht t.z.v. genoemde misdrijven indien is voldaan aan de in art. 4a Sr genoemde voorwaarden voor het vestigen van zogenoemde afgeleide rechtsmacht, te weten dat de strafvervolging door NL van een vreemde staat is overgenomen o.g.v. een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor NL volgt. Ad 1. Bij de totstandkoming van art. 4a Sr zal de wetgever niet voor ogen hebben gehad dat deze bepaling ook zou omvatten de overdracht van een strafvervolging door een VN-tribunaal als i.c. aan NL, maar heeft hij daarin het begrip 'staat' gehanteerd in zijn in het (nationale en internationale) juridische spraakgebruik specifieke betekenis. Het terminologisch onderscheid tussen 'staat' en 'tribunaal' is tot op heden algemeen gangbaar gebleven. Daarom dient, behoudens aanwijzingen van het tegendeel, ervan te worden uitgegaan dat ook thans nog onder het begrip 'vreemde staat' in art. 4a Sr deze tribunalen niet zijn begrepen. Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever nadien, na de instelling van deze tribunalen en de in het verband daarvan noodzakelijk geachte uitvoeringswetgeving, het gebruikelijke taalkundige onderscheid tussen de begrippen 'staat' en 'tribunaal' in andere wetten heeft losgelaten. Ook bij de wijziging van art. 4a Sr bij de wet van 22-12-2005, Stb. 2006, 24 heeft de wetgever geen blijk ervan gegeven dat hij onder het begrip 'staat' een tribunaal begrepen acht en dat hij daarom i.h.k.v. de overdracht van de strafvervolging door een tribunaal aan NL voor enige aanvulling of wijziging van art. 4a Sr geen noodzaak aanwezig oordeelde. Dat geldt evenzo voor het recente wetsvoorstel Partiële wijziging van het WvSr, WvSv en enkele aanverwante wetten i.v.m. rechtsontwikkelingen, internationale verplichtingen en geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten. Tegen deze achtergrond is ’s Hofs oordeel juist dat het Rwanda-tribunaal niet als “vreemde staat” i.d.z.v. art. 4a Sr kan worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat een extensieve interpretatie van een bepaling als art. 4a Sr in het algemeen mogelijk is, maakt dat niet anders. Ad 2. Het Hof heeft geoordeeld dat art. 4a Sr geen grondslag biedt voor de overname van de strafvervolging van het Rwanda-tribunaal door NL, nu er volgens het Hof geen verdrag bestaat tussen NL en het Rwanda-tribunaal a.b.i. die bepaling. Een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor NL volgt a.b.i. art. 4a Sr, is een verdrag waarbij voor NL zogenoemde afgeleide rechtsmacht wordt gevestigd. Het Hof heeft geoordeeld dat zodanig verdrag i.c., waarin de Prosecutor bij het Rwanda-tribunaal NL heeft verzocht de strafvervolging van verdachte t.z.v. in 1994 in Rwanda gepleegde genocide over te nemen, ontbreekt. De klacht berust naar de kern genomen op de opvatting dat, gelet op doel en strekking van het Handvest van de VN, het Statuut van het Rwanda-tribunaal en de zgn. Completion Strategy, jo. art. 11bis van de Rules of Procedure and Evidence van het Rwanda-tribunaal - waaruit de verplichting voortvloeit tot samenwerking tussen staten en het Rwanda-tribunaal op het gebied van rechtshulp, overlevering en overdracht t.z.v. de in die Resolutie omschreven ernstige misdrijven tegen het internationale humanitaire recht - van een 'verdrag' a.b.i. art. 4a Sr ook sprake is in het geval, zoals hier, de Prosecutor bij het Rwanda-tribunaal de overneming van de strafvervolging van verdachte heeft verzocht en de MvJ daarmee mondeling heeft ingestemd. Die opvatting is onjuist. Het Hof heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat in vestiging van rechtsmacht niet is voorzien in een verdrag a.b.i. art. 4a Sr waaraan NL rechtsmacht heeft kunnen ontlenen, aangezien zodanige verdragsgrondslag niet kan worden gevonden in de hierboven genoemde regelingen, noch in enig ander verdrag, en in dit geval evenmin in de bedoelde, door het Hof onder het hoofd "mini-verdrag" vermelde afspraak.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 16
Grondwet 94
Wet tot instelling van het Internationaal Tribunaal voor vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië 1991
Wet tot instelling van het Internationaal Tribunaal voor vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië 1991 2
Wet tot instelling van het Internationaal Tribunaal voor vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië 1991 9
Wet tot instelling van het Internationaal Tribunaal voor vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië 1991 11
Instellingswet Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen aansprakelijk voor genocide en andere ernstige schendingen begaan op het grondgebied van Rwanda
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 4a
Wetboek van Strafrecht 5
Wet internationale misdrijven
Wet internationale misdrijven 2
Wet internationale misdrijven 3
Wet oorlogsstrafrecht
Wet oorlogsstrafrecht 3
Uitvoeringswet genocideverdrag
Uitvoeringswet folteringverdrag
Uitvoeringswet folteringverdrag 1
Uitvoeringswet folteringverdrag 2
Wet oorlogsstrafrecht 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 751
NJ 2009, 108 met annotatie van N. Keijzer
RvdW 2008, 968
NJB 2008, 2023
NBSTRAF 2008/443
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 oktober 2008

Strafkamer

nr. 08/00142

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op de beroepen in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 december 2007, nummer 22/006120-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden, locatie Scheveningen" te 's-Gravenhage.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 24 juli 2007 - het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09/750007-07 onder 1 tenlastegelegde.

2. Geding in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en de Advocaat-Generaal bij het Hof.

Namens de verdachte heeft mr. A.B.G.T. von Bóné, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde beroep en tot verwerping van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof ingestelde beroep.

3. Gang van zaken

3.1. Omtrent de beschuldigingen die het Openbaar Ministerie tegen de verdachte heeft uitgebracht, bevat het bestreden arrest de navolgende, aan het vonnis van de Rechtbank ontleende, samenvattende omschrijving:

"1. Verdachte staat terecht voor betrokkenheid bij een aantal ernstige strafbare feiten (die zouden zijn) gepleegd in Rwanda in april 1994. De tot verdachte gerichte beschuldigingen zijn vervat in twee dagvaardingen welke gevoegd worden behandeld.

2. Verdachte is in de zaak met parketnummer 09/750009-06 voor het eerst gedagvaard voor een pro forma zitting op 21 november 2006. Deze zaak is wederom pro forma behandeld op 12 februari 2007 en 5 maart 2007, alsmede ter zitting van 11 mei 2007, welke werd voorgezet op 16 en 21 mei 2007. Deze dagvaarding betreft de volgende feitencomplexen:

I Ambulancemoorden, kort gezegd het doden van een aantal vrouwen en kinderen die in een ambulance werden vervoerd;

II Zevendedags Adventisten complex Mugonero, kort gezegd het doden van en/of toebrengen van (zwaar) lichamelijk en/of geestelijk letsel aan een grote groep mensen die waren gevlucht naar dit complex;

III Gijzelen/ vernederen/ bedreigen van de familie [A].

3. Verdachte is in de zaak met parketnummer 09/750007-07 voor het eerst gedagvaard voor de zitting van 11 mei 2007 (voortgezet op 16 en 21 mei 2007) . Deze tweede dagvaarding betreft de volgende feitencomplexen:

IV Verkrachtingen en aanslagen op het leven van een aantal vrouwen;

V Weghalen van en moord op de kleinkinderen van de familie [B].

4. Al deze feitencomplexen zijn - kort gezegd - primair tenlastgelegd als oorlogsmisdrijven (artikel 8 Wet Oorlogsstrafrecht) en subsidiair als foltering (artikelen 1 en 2 Uitvoeringswet Folteringsverdrag).

5. Op de tweede dagvaarding zijn voorts (als feit 1) alle vijf feitencomplexen mede telastgelegd als genocide (artikel 1 Uitvoeringswet genocideverdrag). De strafvervolging ten aanzien van dit feit heeft de officier van justitie overgenomen van de Aanklager van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen aansprakelijk voor genocide en andere ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht, begaan op het grondgebied van Rwanda of buurlanden van Rwanda op tijdstippen gelegen tussen 1 januari 1994 en 31 december 1994 (verder: Rwanda-tribunaal)."

3.2. Onder het hoofd "de gang van zaken met betrekking tot de vervolging" houdt het arrest van het Hof het volgende in:

"De verdachte, die in 1998 in Nederland politiek asiel vroeg, is op 7 augustus 2006 in Amsterdam aangehouden op verdenking van door hem gepleegde oorlogsmisdrijven. Zijn vervolging berustte aanvankelijk daarop (vgl. de eerste dagvaarding, zie § 2 onder 2). Bij brief van 11 augustus 2006 heeft de Officier van Justitie de Prosecutor van het Rwanda-tribunaal op de hoogte gesteld van de aanhouding van de verdachte, op 29 september 2006 heeft de Prosecutor van het Rwanda-tribunaal vervolgens een schriftelijk verzoek ingediend tot overname van de strafvervolging ter zake van genocide, gepleegd bij twee in het verzoek omschreven incidenten (in de eerste inleidende dagvaarding onder 1. en 2. omschreven) en "similar facts on other dates between 6 April 1994 and 17 July 1994 in the territory of Rwanda". Dit verzoek is door tussenkomst van de Nederlandse ambassadeur in Tanzania aan de Minister van Justitie gedaan, die het openbaar ministerie bij schrijven van 27 november 2006 machtigde de strafvervolging van het Tribunaal over te nemen. Op 5 januari 2007 deed de officier van justitie een (tweede) vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, die, mede, betrekking had op verdenking van genocide (vgl. hierboven § 2 onder 5).

In reactie op een schriftelijk verzoek van de advocaat-generaal van 23 november 2007 heeft de Prosecutor van het Rwanda-tribunaal per e-mail op 30 november 2007 onder meer bericht dat er door hem een overeenkomst gesloten is met de Nederlandse autoriteiten omtrent de overname van strafvervolging van de verdachte terzake van genocide."

3.3. Omtrent de procesgang en de omvang van het hoger beroep houdt het arrest van het Hof het volgende in:

"In eerste aanleg is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van de in de tweede dagvaarding (parketnummer 09-750007-07) als feit 1 geformuleerde beschuldiging van genocide, zulks op grond dat - kort samengevat - rechtsmacht voor dit feit ontbreekt. De officier van justitie heeft op 1 augustus 2007 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De bezwaren tegen het vonnis van de rechtbank zijn neergelegd in een op 17 augustus 2007 gedagtekende Appelschriftuur en een op 28 september 2007 gedagtekende Nadere appelschriftuur.

(...)

Het hof stelt vast dat de beslissing van de rechtbank uitsluitend betrekking heeft op (preliminaire vragen met betrekking tot) het in de tweede dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit. Het hof gaat ervan uit dat de rechtbank dit feit (nadat de feiten op de eerste en tweede dagvaarding op 11 mei 2007 waren gevoegd) materieel op de voet van artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering van de overige feiten heeft afgesplitst."

3.4. Omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het ingestelde hoger beroep heeft het Hof het volgende overwogen en beslist:

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2007 een preliminair verweer gevoerd inhoudende dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep. De raadsman heeft daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de beslissing van de rechtbank een tussenbeslissing is, waartegen in de visie van de verdediging geen hoger beroep open staat.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep reeds een beslissing genomen op dit verweer. Het hof is - onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2004 (LJN: AN 9235) - van oordeel dat gelet op de bewoordingen en de omschrijving van de beslissing in het vonnis van de rechtbank sprake is van een einduitspraak in de zin van artikel 138 van het Wetboek van Strafvordering waartegen op grond van artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering hoger beroep openstaat. Het hof heeft dit verweer dan ook verworpen.

Voorts heeft de raadsman bij pleidooi aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep op grond van het feit dat de appelschriftuur niet binnen de termijn zoals neergelegd in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering is ingediend. Het hof overweegt dat artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering het hof de mogelijkheid geeft in een dergelijke situatie tot niet-ontvankelijkverklaring over te gaan. Dit artikel bevat daartoe echter geenszins een verplichting en het hof ziet in de onderhavige kwestie geen enkele aanleiding tot niet-ontvankelijkverklaring over te gaan. Het hof verwerpt mitsdien dit verweer."

4. Wettelijk kader

4.1. Het Hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 09/750007-07 onder 1 tenlastegelegde. Die tenlastelegging is toegesneden op art. 1 van de (inmiddels vervallen) Uitvoeringswet genocideverdrag.

4.2. De te dezen relevante wettelijke voorschriften luiden als volgt:

- art. 1, eerste lid, Uitvoeringswet genocideverdrag:

"Hij die met het oogmerk een nationale of etnische groep, een groep behorend tot een bepaald ras, dan wel een groep met een bepaalde godsdienst of levensovertuiging, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen, opzettelijk:

1°. leden van de groep doodt;

2°. leden van de groep zwaar lichamelijk of geestelijk letsel toebrengt;

3°. (...);

4°. (...);

5°. kinderen van de groep gewelddadig overbrengt naar een andere groep wordt als schuldig aan genocide gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie."

- Art. 4 Uitvoeringswet genocideverdrag:

"De bij de artikelen 1 en 2 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven."

- Art. 5, eerste lid, Uitvoeringswet genocideverdrag:

"De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander, die zich buiten Nederland schuldig maakt:

1°. aan een misdrijf omschreven in de artikelen 1 en 2 van deze wet;

2°. (...)."

- Art. 4a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht:

"De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder tegen wie de strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt."

5. De bestreden beslissing

5.1. De Rechtbank heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 09/750007-07 onder 1 tenlastegelegde onder meer het volgende overwogen:

"Rechtsmachtregeling in de Nederlandse strafwet

14. Onder de straf rechtsmacht van een staat wordt verstaan het bereik dat die staat (in overeenstemming met het volkenrecht) aan een strafwet heeft gegeven. Het gaat om de bevoegdheid die een staat - met het oog op de belangen die hij daarmee wil beschermen - zichzelf heeft gegeven om de nationale strafwet toe te passen. De rechtsmachtregeling van een staat heeft in de eerste plaats betekenis voor de staat zelf; rechtsmacht is voor de staat een voorwaarde om tot vervolging te kunnen overgaan. De rechtsmachtregeling van een staat kan voorts betekenis hebben voor andere staten, zoals in het geval dat de strafwet van een staat toepasselijk is op feiten begaan op het grondgebied van een andere staat. De rechtsmachtregeling heeft ten derde uiteraard ook betekenis voor degene die daaraan eventueel wordt onderworpen.

15. De Nederlandse strafrechtelijke rechtsmachtregeling is in de eerste plaats geregeld in de artikelen 2 tot en met 7 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Kort gezegd houdt deze regeling in dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op:

- een ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt (territorialiteitsbeginsel);

- de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan bepaalde strafbare feiten (actief personaliteitsbeginsel);

- een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan bepaalde strafbare feiten waarvan een Nederlander slachtoffer is geworden (passief personaliteitsbeginsel);

- een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan strafbare feiten gericht tegen vitale nationale belangen, zoals de soevereiniteit of veiligheid van de Nederlandse staat (het beschermingsbeginsel);

- een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan bepaalde strafbare feiten (het universaliteitsbeginsel).

16. Deze artikelen van het Wetboek van Strafrecht behelzen een regeling van de zogenoemde originaire rechtsmacht, dat wil zeggen rechtsmacht die de Nederlandse wetgever gevestigd heeft voor de Nederlandse instanties die met de vervolging en berechting van strafbare feiten zijn belast.

17. Het Wetboek van Strafrecht voorziet ook in een regeling van afgeleide rechtsmacht (artikel 4a Sr). In artikel 4a Sr is bepaald dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op een ieder tegen wie de strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt.

18. In 1994, de periode waarin de aan verdachte verweten feiten zouden zijn gepleegd, golden, naast de hierboven omschreven (algemene) rechtsmachtbepalingen van het Wetboek van Strafrecht - voor zover hier van belang - bepalingen betreffende de rechtsmacht in de Wet van 2 juli 1964, houdende Uitvoeringswet genocideverdrag, Stb. 1964, 243, inwerkingtreding 24 oktober 1970, Stb. 1970, 481 (verder: Uitvoeringswet genocideverdrag) en de Wet van 10 juli 1952, houdende vaststelling van de Wet Oorlogsstrafrecht alsmede van enige daarmede verband houdende wijzigingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht, Stb. 1952, 408, inwerkingtreding 5 augustus 1952, en nadien meermalen gewijzigd, onder meer op 2 juli 1964 Stb. 243, inwerkingtreding 24 oktober 1970, Stb. 1970, 481 (verder: WOS).

19. Met onder meer de Uitvoeringswet genocideverdrag is het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 9 december 1948, Trb. 1960, 32 (verder: Genocideverdrag) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Genocideverdrag houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Artikel I:

De Verdragsluitende Partijen stellen vast, dat genocide, ongeacht of het feit in vredes- dan wel in oorlogstijd wordt bedreven een misdrijf is krachtens internationaal recht, welk misdrijf zij op zich nemen te voorkomen en te bestraffen.

Art VI:

Zij, die worden beschuldigd van genocide (...), worden berecht door een daartoe bevoegde rechtbank van de Staat, binnen welks gebied het feit is gepleegd, of door een zodanige internationale strafrechter als daartoe bevoegd is ten aanzien van die Verdragsluitende Partijen, welke de rechtsmacht van deze rechter hebben aanvaard.

20. De Uitvoeringswet genocideverdrag is met ingang van 1 oktober 2003 ingetrokken en vervangen door de Wet internationale misdrijven (zie paragraaf 29 hieronder). In de in de telastlegging genoemde periode gold echter nog de Uitvoeringswet genocideverdrag. De volgende bepalingen uit deze wet zijn in dit kader van belang:

Artikel 1:

1. Hij die met het oogmerk een nationale of etnische groep, een groep behorend tot een bepaald ras, dan wel een groep met een bepaalde godsdienst of levensovertuiging, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen, opzettelijk:

1°. leden van de groep doodt;

2°. leden van de groep zwaar lichamelijk of geestelijk letsel toebrengt;

3°. aan de groep levensvoorwaarden oplegt die op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging zijn gericht;

4°. maatregelen neemt, welke tot doel hebben geboorten binnen de groep te voorkomen;

5°. kinderen van de groep gewelddadig overbrengt naar een andere groep wordt als schuldig aan genocide gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

(...)

Artikel 2:

Met gelijke straf, als gesteld op de in het voorgaande artikel bedoelde feiten, wordt gestraft hij die opzettelijk toelaat dat een aan hem ondergeschikte een zodanig feit begaat.

Artikel 5:

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt:

1°. aan een misdrijf omschreven in de artikelen 1 en 2 van deze wet

(...)

21. Op grond van het Genocideverdrag is alleen de staat waar het strafbare feit zou zijn gepleegd gehouden een strafvervolging in te stellen (of een internationaal strafgerecht). In de Uitvoeringswet genocideverdrag is geopteerd - in aanvulling op het territorialiteitsbeginsel ingevolge art. 2 Sr - voor het actieve personaliteitsbeginsel als aanknopingspunt voor de bepaling van de rechtsmacht. In de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet wordt hierover opgemerkt dat het verdrag geen uitsluitende bevoegdheid schept,

"zodat het zeer wel mogelijk is, dat een rechter in een andere staat dan die op wiens grondgebied de strafbare feiten zijn gepleegd (...) bevoegd is" (Kamerstukken II, 1963-1964, 6612 (R262), 6613, nr. 7-8, p. 2).

22. Artikel 3 (oud) WOS luidde ten tijde van de telastegelegde feiten, voor zover van belang, als volgt:

Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk:

(...)

2°. op ieder, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf omschreven (...) in de artikelen 1 en 2 van de Uitvoeringswet genocideverdrag, indien dit feit is gepleegd tegen of met betrekking tot een Nederlander of een Nederlands rechtspersoon of indien enig Nederlands belang daardoor is of kon worden geschaad;

(...)

4°. op de Nederlander, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf, in artikel 1 bedoeld.

23. De WOS geeft een regeling van de rechtsmacht voor genocide in geval van oorlog begaan of eerst in geval van oorlog strafbaar (artikel 1 aanhef (oud) WOS), waarbij onder oorlog ook een burgeroorlog wordt verstaan (artikel 1 lid 3 (oud) WOS) dan wel indien sprake is van een gewapend conflict dat niet als oorlog kan worden aangemerkt en waarbij Nederland is betrokken hetzij ter individuele of collectieve zelfverdediging, hetzij tot herstel van internationale orde en veiligheid (artikel 1 lid 2 (oud) WOS). De wetgever heeft met deze regeling derhalve - in aanvulling op het territorialiteitsbeginsel ingevolge art. 2 Sr - het actieve personaliteitsbeginsel, het passieve personaliteitsbeginsel en het beschermingsbeginsel als aanknopingspunt voor rechtsmacht genomen.

24. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen Nederlands staatsburger is, dat bij de aan verdachte verweten gedragingen - voor zover bekend - geen Nederlandse slachtoffers zijn gevallen en dat de aan verdachte verweten gedragingen buiten Nederland zijn begaan.

25. Rechtsmacht ingevolge de WOS zou dan nog kunnen bestaan, indien 'enig Nederlands belang is of kan worden geschaad' (art. 3 sub 2 (oud) WOS). Dit is een uitwerking van het beschermingsbeginsel. In de parlementaire geschiedenis wordt nagenoeg geen toelichting gegeven op deze zinsnede. Kennelijk sprak de invulling hiervan voor de wetgever voor zich. Met de berechting van internationale misdrijven is onmiskenbaar een groot internationaal belang gemoeid en dus ook een Nederlands belang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever echter niet dit Nederlands belang op het oog gehad; het Nederlands belang moet geschaad zijn door het begane misdrijf, niet door het ontbreken van de mogelijkheid van berechting daarvan. Er bestaat derhalve geen reden om een Nederlands belang in de zin van artikel 3 sub 2 (oud) WOS te veronderstellen.

26. Zoals uit het vorenstaande blijkt, was er ten tijde van de telastgelegde feiten geen wettelijke bepaling - noch in het Wetboek van Strafrecht, noch in de Uitvoeringswet genocideverdrag, noch in de WOS, noch in enige andere wet - van toepassing die voorzag in rechtsmacht ten aanzien van genocide, door een niet-Nederlander buiten Nederland gepleegd, indien dit feit niet tegen of met betrekking tot een Nederlander of Nederlandse rechtspersoon gepleegd was of indien niet enig Nederlands belang daardoor is geschaad of kon worden geschaad.

27. Dit leidt tot de conclusie dat de wettelijke bepalingen zoals die golden ten tijde van de telastgelegde feiten geen rechtsmacht geven om verdachte te vervolgen en berechten voor genocide.

28. Dit oordeel van de rechtbank vindt bevestiging in de nota naar aanleiding van het verslag van de vaste Kamercommissie voor justitie inzake het wetsvoorstel "Bepalingen verband houdende met de instelling van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen aansprakelijk voor genocide en andere ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht, begaan op het grondgebied van Rwanda en van Rwandese burgers aansprakelijk voor genocide en andere van dergelijke schendingen, begaan op het grondgebied van buurlanden, tussen 1 januari 1994 en 31 december 1994" (verder: Instellingswet Rwanda-tribunaal). De Ministers van Buitenlandse Zaken en (in afwezigheid van de Minister van Justitie) van Binnenlandse Zaken, schrijven daarin onder meer het volgende:

'Wij willen allereerst erop wijzen dat niet direct voorstelbaar is dat Nederland, gelet op het aan artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag liggende materiële territorialiteitsbeginsel toereikende rechtsmacht heeft voor de feiten die opgedragen zijn ter kennisneming van het Rwanda-tribunaal. Het is juist, dat in geval van vervolging voor genocide teruggevallen zou kunnen worden op het passieve personaliteitsbeginsel, maar dan zouden Nederlanders massaal voorwerp moeten zijn geweest van dat soort handelingen.' (Kamerstukken II, 1996-1997, 24 818, nr. 5, p. 7)

29. Inmiddels kent de Wet van 19 juni 2003, houdende regels met betrekking tot ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (Wet internationale misdrijven) Stb. 2003, 270 (verder: WIM), in werking getreden per 1 oktober 2003 (Stb. 2003, 340), een ruimere rechtsmachtregeling onder meer ten aanzien van het misdrijf genocide. Deze wettelijke bepalingen houden - voor zover van belang - het volgende in:

Artikel 2:

1. Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk:

a. op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de in deze wet omschreven misdrijven, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt;

(...)

Artikel 3:

1. Hij die met het oogmerk om een nationale, etnische of godsdienstige groep, dan wel een groep behorend tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen:

a. leden van de groep doodt;

b. leden van de groep zwaar lichamelijk of geestelijk letsel toebrengt;

c. opzettelijk aan de groep levensomstandigheden oplegt die op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging zijn gericht;

d. maatregelen neemt, welke tot doel hebben geboorten binnen de groep te voorkomen; of

e. kinderen van de groep onder dwang overbrengt naar een andere groep, wordt als schuldig aan genocide gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie.

30. Vanaf 1 oktober 2003 is de Nederlandse strafwet dan ook toepasselijk op een ieder die zich waar ook ter wereld aan deze feiten schuldig maakt, mits de verdachte zich op Nederlands grondgebied bevindt (beperkt universaliteitsbeginsel). Met de laatste zinsnede is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld: zich hier bevindt ten tijde van zijn aanhouding. (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 38).

31. De wetgever heeft er bij de totstandkoming van de WIM uitdrukkelijk voor gekozen geen terugwerkende kracht toe te kennen aan deze verruimde rechtsmachtbepaling. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de WIM wordt hierover het volgende opgemerkt:

'Met de vestiging van rechtsmacht hangt samen de vraag naar de mogelijkheid om terugwerkende kracht te verlenen aan de strafbaarstellingen in het onderhavige voorstel. (...) In dit verband wil de regering er allereerst op wijzen dat dit vraagstuk in beginsel alleen betekenis heeft voor de misdrijven tegen de menselijkheid (en die gevallen van genocide waarover Nederland voorheen geen rechtsmacht had).

(D)at het bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk, is om te bepalen tot welk moment de strafbaarstelling dan zou mogen terugwerken, omdat zeer moeilijk bepaalbaar en voor veel discussie vatbaar is wat de stand van het (ongeschreven) volkenrecht op enig moment is. De rechtszekerheid - ratio van het verbod van terugwerkende kracht - is dan ook niet gediend met het verlenen van terugwerkende kracht aan de misdrijven tegen de menselijkheid.' (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 24 en 25)

Het voorgaande betekent dat aan de WIM ook geen originaire rechtsmacht kan worden ontleend voor de telastegelegde feiten.

32. De conclusie is dan ook dat de Nederlandse wetgeving geen aanknopingspunt biedt voor een vervolging en berechting van verdachte ter zake van genocide op basis van originaire rechtsmacht.

(Universele) rechtsmacht op grond van een verdrag en/of besluit van een volkenrechtelijke organisatie

33. Artikel 94 Grondwet luidt als volgt:

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

34. De rechtbank heeft daarom onderzocht of er een verdrag is op grond waarvan de hierboven beschreven wettelijke regeling van de originaire rechtsmacht buiten toepassing moet blijven. Dit blijkt niet het geval te zijn. Zoals hiervoor in paragrafen 19 en 21 is overwogen, houdt het Genocideverdrag - voor zover in dit verband van belang - in dat verdachten dienen te worden berecht door een gerecht van de Staat op wiens grondgebied de feiten zijn begaan of door een internationaal tribunaal. Het Genocideverdrag behelst dus geen verplichting voor Nederland rechtsmacht te scheppen voor gedragingen buiten Nederland gepleegd die kunnen worden gekwalificeerd als genocide. De Nederlandse wettelijke voorschriften zijn derhalve niet in strijd met dit verdrag, evenmin met bepalingen van enig ander verdrag waarbij Nederland partij is.

35. In 1994 bestond er geen besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat een verplichting inhield om rechtsmacht te scheppen voor gedragingen die kunnen worden gekwalificeerd als genocide. Evenmin bestaat er thans een besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat een verplichting inhoudt om met terugwerkende kracht rechtsmacht te scheppen dan wel met terugwerkende kracht rechtsmachtbepalingen uit te breiden ten aanzien van gedragingen die kunnen worden gekwalificeerd als genocide.

(Universele) rechtsmacht op basis van volkenrechtelijk gewoonterecht?

36. De rechtbank heeft zich vervolgens de vraag gesteld of het volkenrechtelijk gewoonterecht een grondslag biedt voor originaire rechtsmacht in de onderhavige zaak.

37. In dit verband is het Decembermoorden-arrest van de Hoge Raad van 18 september 2001 (LJN: AB1471, NJ 2002, 559, m.nt. JR) van belang. De Hoge Raad verwijst hierin naar de uitvoerige parlementaire gedachtewisseling bij de grondwetsherziening van 1983, waarin is bevestigd dat het ongeschreven volkenrecht bindend is voor de Nederlandse rechtsorde. De Hoge Raad oordeelt echter tevens dat de grondwetgever toepassing van ongeschreven volkenrecht niet heeft willen aanvaarden, indien deze toepassing zou botsen met nationale wettelijke voorschriften. In de zaak die bij de Hoge Raad ter berechting voorlag, leidde dit tot het oordeel dat het ongeschreven volkenrecht niet het verbod tot het verlenen van terugwerkende kracht aan strafbaarverklaringen ex artikel 16 Grondwet en artikel 1, eerste lid, Sr buiten toepassing kon laten (zie rechtsoverweging 4.1 tot en met 4.8). De Hoge Raad heeft in dit arrest tevens geoordeeld dat het de rechter niet vrijstaat de nationale rechtsmachtvoorschriften buiten toepassing te laten wegens strijd met het ongeschreven volkenrecht (zie rechtsoverweging 6.1 tot en met 6.4).

38. In het licht van dit arrest heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of een eventuele uitbreiding van de rechtsmachtbepalingen op basis van ongeschreven volkenrecht de nationale regels al dan niet buiten toepassing stelt.

39. De rechtbank is van oordeel dat de nationale rechtsmachtregeling - in het belang van de rechtszekerheid voor zowel de burgers als de instanties die met vervolging en berechting belast zijn - naar haar aard als een uitputtende regeling moet worden beschouwd. Dit betekent dat de wetgever met de vaststelling van de gevallen waarin Nederland rechtsmacht heeft, tevens heeft bepaald de gevallen waarin Nederland geen rechtsmacht heeft. De rechtbank volgt hierin de conclusie van toenmalig advocaat-generaal mr. N. Keijzer, voor het bovengenoemde arrest (zie met name de paragrafen 16, 17 en 69) waarin deze betoogt dat rechtsmachtbepalingen in dezelfde mate als strafbaarstellingen worden beheerst door het legaliteitsbeginsel. Zonder strafrechtsmacht is een strafbaarstelling immers zinledig, aldus de advocaat-generaal. Strafbaarstellingen mogen niet worden uitgebreid buiten de wet om. Evenmin mag buiten de wet om uitbreiding worden gegeven aan de gevallen waarin de Nederlandse strafrechter rechtsmacht heeft.

40. De hiervoor opgeworpen vraag of eventuele uitbreiding van de rechtsmachtbepalingen op basis van ongeschreven volkenrecht de nationale regels 'buiten toepassing' stelt, moet dan ook bevestigend worden beantwoord.

41. Het voorgaande houdt in dat rechtsmachtbepalingen alleen kunnen worden uitgebreid door de wetgever dan wel door een ieder verbindende bepalingen van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties die een verplichting daartoe inhouden.

42. A fortiori geldt dat een regel van ongeschreven volkenrecht welke in strijd is met de nationale rechtsmachtvoorschriften niet met terugwerkende kracht toepassing heeft. De rechtbank vindt bevestiging van dit oordeel in de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de WIM, waarvan een gedeelte hierboven reeds in paragraaf 31 is weergegeven. Onder verwijzing naar het Decembermoorden-arrest van de Hoge Raad heeft de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen aan de (ter zake van genocide) uitgebreide rechtsmachtbepalingen van de WIM geen terugwerkende kracht te verlenen.

'Met betrekking tot de kwestie van de terugwerkende kracht van strafwetgeving heeft de Hoge Raad zeer recent een belangwekkende beslissing gewezen, namelijk in de zaak tegen D. Bouterse betreffende de Decembermoorden in Suriname (HR 18 september 2001 (...)). Hierin heeft de Hoge Raad aangegeven dat artikel 16 Grondwet en artikel 1, eerste lid, Sr een ongeclausuleerd verbod bevatten tot berechting en bestraffen van iemand ter zake van een feit dat ten tijde van het begaan van dat feit niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar was gesteld. Dit verbod kan (dan wel moet) slechts dan opzij worden gezet indien een ieder verbindende bepalingen van verdragen als bedoeld in artikel 94 Grondwet de verplichting bevatten om het betrokken feit met terugwerkende kracht strafbaar te achten. Het verbod van terugwerkende kracht kan, zo stelt de Hoge Raad vast, niet buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met ongeschreven volkenrecht.

(...)

Als de wetgever aan de in het onderhavige voorstel opgenomen strafbaarstellingen terugwerkende kracht zou verlenen, zou hij derhalve in strijd handelen met het, zoals de Hoge Raad aangeeft, ongeclausuleerde verbod van artikel 16 Grondwet.' (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 25)

43. Aangezien het de rechter niet vrijstaat de nationale rechtsmachtvoorschriften buiten toepassing te laten wegens strijd met ongeschreven volkenrecht, kan in het midden blijven of er een regel van ongeschreven volkenrecht bestaat (dan wel in 1994 bestond) op grond waarvan Nederland universele rechtsmacht heeft ten aanzien van genocide. De nationale wettelijke regelingen ter zake rechtsmacht prevaleren immers altijd boven een daarvan afwijkende regel van ongeschreven volkenrecht.

44. De conclusie moet dan ook zijn dat de Nederlandse strafrechter geen originaire rechtsmacht heeft ten aanzien van de aan verdachte verweten betrokkenheid bij genocide.

Afgeleide rechtsmacht

45. De Nederlandse strafrechter kan, zoals hierboven in paragraaf 17 reeds is vermeld, onder omstandigheden ook afgeleide (of subsidiaire) rechtsmacht hebben op grond van artikel 4a, eerste lid, Sr. Dit artikel luidt als volgt:

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder tegen wie de strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt.

Dit artikel is in het Wetboek van Strafrecht opgenomen bij Wet van 6 maart 1985, Stb. 131, inwerkingtreding op 9 juli 1985, Stb. 285.

46. Het gaat hier dus om rechtsmacht voor Nederlandse instanties die met vervolging en berechting van strafbare feiten zijn belast, welke afgeleid wordt van de rechtsmacht van een andere staat op grond van een verdrag waarbij Nederland en die andere staat partij zijn. Toegespitst op de zaak tegen verdachte betekent dit dat de Nederlandse strafrechter rechtsmacht heeft indien:

a. het Rwanda-tribunaal originaire rechtsmacht heeft verdachte te vervolgen voor de hem verweten gedragingen; en

b. het Rwanda-tribunaal (op grond van een redelijke wetsuitleg) kan worden gelijkgesteld met een 'vreemde staat' zoals bedoeld in dit artikel; en

c. er een verdrag is waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt.

Ad a. Beschikt het Rwanda-tribunaal over originaire rechtsmacht?

47. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (verder: de Veiligheidsraad) heeft op 8 november 1994 bij Resolutie 955 (1994) besloten het Rwanda-tribunaal op te richten en heeft met het oog daarop het Statuut van het Rwanda-tribunaal aangenomen dat als annex bij deze Resolutie is gevoegd. De Veiligheidsraad handelde hiermee, net als bij de instelling van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht, begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sedert 1991 (verder: Joegoslavië-tribunaal), op grond van Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties (inwerkingtreding 25 april 1951 Trb. 1951, 144 en zoals nadien gewijzigd, verder: Handvest), in het belang van het herstel van internationale vrede en veiligheid. Het Rwanda-tribunaal werd - kort gezegd - belast met de vervolging en berechting van personen aansprakelijk voor genocide en andere ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht begaan in Rwanda (en de buurlanden) gedurende het jaar 1994. Het Tribunaal heeft geen exclusieve jurisdictie ten aanzien van deze misdrijven, maar het heeft wel het primaat bij de vervolging en berechting daarvan (artikel 8, eerste lid, Statuut).

48. De feiten die genoemd worden in het verzoek tot overname van de Aanklager van het Rwanda-tribunaal betreffen 'genocide' and 'complicity in genocide', begaan door een natuurlijk persoon in Rwanda in de periode tussen 1 januari 1994 en 31 december 1994. De rechtbank stelt vast dat het Rwanda-tribunaal op basis van de artikelen 1, 2, 5, 7 en 8 van het Statuut (de hierboven genoemde annex, zoals nadien gewijzigd) originaire rechtsmacht heeft ter zake deze feiten. Dit is overigens niet betwist door de verdediging.

Ad b. Kan het Rwanda-tribunaal worden gelijkgesteld met 'een vreemde staat'?

49. Het is evident dat het Rwanda-tribunaal geen staat is. Het Tribunaal is op grond van het bepaalde in artikel 29 van het Handvest te beschouwen als een subsidiair orgaan van de Veiligheidsraad, welke een hoofdorgaan is van de Verenigde Naties. Het Tribunaal behoort derhalve tot een internationale organisatie met separate rechtspersoonlijkheid. De Verenigde Naties kan overigens - anders dan de officier van justitie heeft opgemerkt - niet worden opgevat als een collectief van vreemde staten omdat ook Nederland lid daarvan is.

50. Er is geen wettelijke bepaling welke het Rwanda-tribunaal voor de toepassing van artikel 4a Sr gelijkstelt met een vreemde staat dan wel dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaart voor het Rwanda-tribunaal. De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat geleid heeft tot invoering van dit artikel in het Wetboek van Strafrecht biedt evenmin een aanknopingspunt voor een dergelijke gelijkstelling. Dit is begrijpelijk, omdat ten tijde van de invoering van dit artikel het Rwanda-tribunaal en het Joegoslavië-tribunaal nog niet waren opgericht.

51. De wetgever heeft zich bij de totstandkoming van de Wet van 21 april 1994, houdende bepalingen verband houdende met de instelling van het Joegoslavië-tribunaal, Stb. 308, inwerkingtreding 4 mei 1994 (verder: Instellingswet Joegoslavië-tribunaal) gerealiseerd dat de toen bestaande regelingen over interstatelijke samenwerking niet waren toegesneden op de samenwerking met internationale tribunalen en dat de wetgeving om die reden moest worden aangepast. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot deze wet wordt in dit verband onder andere opgemerkt:

'Daarnaast verplicht het Statuut van het Tribunaal Staten tot justitiële en politiële samenwerking met het Tribunaal, in de sfeer van (...) het verzamelen van bewijsmateriaal (...) en het overleveren van verdachten aan het Tribunaal (artikel 29 Statuut). (...) Teneinde ten volle in staat te zijn aan deze verplichtingen te voldoen is bijzondere wetgeving vereist. Zo zijn de bestaande wettelijke regelingen inzake internationale strafrechtelijke samenwerking toegesneden op interstatelijke samenwerking en niet op samenwerking met een internationaal Tribunaal. Dit betreft zowel de uitlevering en de zogenaamde kleine rechtshulp, als de tenuitvoerlegging van door andere dan Nederlandse rechters uitgesproken strafvonnissen. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt op die punten een aanvulling op de bestaande wetgeving te bieden.'

(Kamerstukken II 1993-1994, 23 542, nr. 3, p. 2).

52. Ook ten aanzien van de overlevering aan het Rwanda-tribunaal is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Instellingswet Rwanda-tribunaal opgemerkt dat een eigen regelgeving diende te worden ingevoerd gelet op deze variant van het internationale rechtshulpverkeer:

'Het behoeft in dit verband nauwelijks betoog dat de ingevolge artikel 2, eerste lid, van het voorliggende wetsvoorstel geregelde variant van internationaal rechtshulpverkeer, anders dan de klassieke uitlevering, voorziet in de terbeschikkingstelling van een opgeëiste persoon aan een internationaal, krachtens een Resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ingesteld, orgaan, en niet, zoals gebruikelijk, aan een andere soevereine staat. Dit rechtvaardigt een eigen regelgeving, waarin dit wetsvoorstel voorziet.'

(Kamerstukken II, 1995-1996, 24 818, nr. 3, p. 2)

53. Een voorbeeld van de bedoelde aanvullende regelgeving is het bepaalde in artikel 9, eerste lid, Instellingswet Joegoslavië-tribunaal dat ingevolge artikel 2, tweede lid, Instellingswet Rwanda-tribunaal ook op het Rwanda-tribunaal van toepassing is. Artikel 9, eerste lid, Instellingswet Joegoslavië-tribunaal houdt het volgende in:

Aan verzoeken van het Tribunaal om enigerlei vorm van rechtshulp, gericht tot een al dan niet met name aangeduid orgaan van de justitie of politie in Nederland, wordt zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.

54. Uit de in de paragrafen 51, 52 en 53 geciteerde passages volgt - zoals ook door het openbaar ministerie is betoogd - dat de wetgever reeds in 1993 geen principiële problemen zag in het (moeten) verlenen van internationale rechtshulp aan internationale tribunalen in plaats van alleen aan staten. Integendeel, de bereidheid tot strafrechtelijke samenwerking met de beide Tribunalen spat, zoals de officier van justitie het ter terechtzitting heeft verwoord, werkelijk van de kamerstukken af.

55. De beide Instellingswetten kennen bepalingen betreffende de overlevering, de zogenoemde kleine rechtshulp en de tenuitvoerlegging in Nederland van vonnissen van de Tribunalen. In de beide wetten is echter geen aparte regeling opgenomen om strafvervolgingen van deze internationale tribunalen te laten overnemen door de Nederlandse vervolgingsautoriteiten. De afwezigheid van een dergelijke regeling vindt zijn verklaring in de omstandigheid dat aanvankelijk de nadruk lag op de berechting van verdachten door het Rwanda-tribunaal en Joegoslavië-tribunaal zelf. Dit blijkt uit het in artikel 8 Statuut Rwanda-tribunaal respectievelijk artikel 9 Statuut Joegoslaviëtribunaal neergelegde primaat van berechting door deze tribunalen.

56. Het primaat van berechting door het Rwanda-tribunaal is minder zwaar gaan wegen met Resoluties 1503 (2003) en 1534 (2004). In die Resoluties wordt het Rwandatribunaal (onder andere) opgedragen om zijn werkzaamheden uiterlijk in 2010 af te ronden en met het oog daarop bepaalde categorieën zaken over te dragen aan staten die bevoegd en bereid zijn deze strafzaken te berechten. Als uitvloeisel van deze Resoluties hebben de Aanklager en de President van het Rwanda-tribunaal gezamenlijk een zogenoemde 'Completion Strategy' opgesteld waarin zij aangeven op welke wijze door het tribunaal uitvoering wordt gegeven aan de opdracht tot afronding van zijn werkzaamheden. De Resoluties en de Completion Strategy hebben in Nederland echter niet tot een aanpassing van de wet geleid.

57. De rechtbank attendeert er hierop dat de Raad van State in zijn advies behorende bij het wetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten aan de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof (Kamerstukken II, 2001-2002, 28099 A) de vraag heeft opgeworpen of artikel 4a, eerste lid, Sr niet zou moeten worden aangevuld met het begrip 'een internationaal gerecht'. Dit wetsvoorstel voorzag in een aanpassing van artikel 5 Sr in het licht van de in het Statuut van het Internationaal Strafhof neergelegde verplichting voor Nederland om de werking van de strafwet uit te breiden tot misdrijven tegen de rechtspleging van het Strafhof (artikel 70 lid 4 Statuut). In zijn advies heeft de Raad van State voorgesteld om de uitbreiding van rechtsmacht vorm te geven via de weg van artikel 4a Sr en aldus subsidiaire rechtsmacht te vestigen voor die gevallen waarin het Internationaal Strafhof verdachten van deze misdrijven niet zelf wil berechten, maar dit aan de Nederlandse autoriteiten wil overlaten. Kennelijk heeft de Raad van State er zich rekenschap van gegeven dat artikel 4a Sr is toegesneden op overname van strafvervolging van staten en niet 'van internationale tribunalen. De wetgever heeft echter gekozen voor het vestigen van originaire rechtsmacht ten aanzien van het hiervoor genoemde type strafbare feiten, waardoor het onderwerp van de aanvulling op artikel 4a Sr, in de zin zoals de Raad van State heeft gesuggereerd, in het wetgevingsproces niet meer aan de orde is gekomen. Niet is gebleken echter van enig principieel bezwaar tegen een zodanige aanvulling.

58. De rechtbank maakt in dit verband nog melding van het door de Nederlandse regering ingebrachte standpunt ten aanzien van de uitleg van het begrip vreemde staat in de procedure bij het Rwanda-tribunaal betreffende de overdracht van de verdachte Michel Bagaragaza naar Nederland (Case No. ICTR-2005-86-11#b/s). De Nederlandse regering heeft zich daarin uitgesproken voor een interpretatie van het begrip 'vreemde staat' in artikel 4a SR in de zin dat hieronder ook het Rwanda-tribunaal kan worden verstaan. In paragraaf 19 van de 'Decision on the Prosecutor's Request for Referral of the Indictment to the Kingdom of the Netherlands' d.d. 13 april 2007 heeft de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal ('Trial Chamber') het standpunt van de Nederlandse regering in deze als volgt geciteerd:

The Netherlands acknowledges that the issue of accepting transfer of criminal cases from international tribunals is a recent phenomenon and is therefore unsettled in its law. Nonetheless, it emphasizes the importance placed on cooperation with the ICTR and ICTY under Dutch law, and argues that "an interpretation which would exclude the ICTR from the definition of foreign state would run contrary to past and current views on the importance of cooperation with the ICTR". As support for its position, it points to Article 2, paragraph 2 of the ICTR Implementation Law which incorporates by reference Articles 3 to 18 of the ICTY Implementation Law. (...) The Netherlands submits that it "believes it important to help to extend international case law on grave breaches of the most fundamental norms of international humanitarian law, such as genocide, crimes against humanity and war crimes".'

59. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het volgende. Toekenning van rechtsmacht aan internationale tribunalen is een recente rechtsontwikkeling waarbij de exclusiviteit van berechting door staten - met uitzondering van de periode direct na de Tweede Wereldoorlog - heeft plaatsgemaakt voor een concurrerende rechtsmacht waarbij afhankelijk van het type internationale Tribunaal de prioriteit van de vervolging bij de staat of bij het internationale Tribunaal ligt. De Nederlandse autoriteiten werken met deze internationale Tribunalen samen en verlenen aan hen diverse vormen van rechtshulp. Bij het Rwanda-tribunaal lag aanvankelijk de nadruk op berechting door het Tribunaal maar dit is inmiddels niet meer het geval door de beslissing van de Veiligheidsraad de werkzaamheden van het Rwanda-tribunaal op afzienbare termijn af te ronden. Thans worden lidstaten van de VN opgeroepen de berechting van verdachten van het Tribunaal over te nemen. De omstandigheid dat artikel 4a Sr alleen melding maakt van vreemde staten waarvan strafvervolging kan worden overgenomen behoeft er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg te staan dat Nederland aan dergelijke verzoeken van het Tribunaal gevolg geeft. Nederland werkt al jaren samen met de Tribunalen als waren deze vreemde staten. Daarom brengt een redelijke wetsuitleg mee dat het Rwanda-tribunaal voor de toepassing van het bepaalde in artikel 4a Wetboek van Strafrecht kan worden gelijkgesteld met een 'vreemde staat'. Dit ligt in het verlengde van de bestendigde lijn van de wetgever en vereist geen nadere rechtspolitieke keuze.

60. In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank de raadsman niet kan volgen in zijn betoog dat het begrip 'vreemde staat' restrictief dient te worden uitgelegd. De raadsman verwijst hierbij onder meer naar artikel 552h, eerste lid, Sv en het arrest HR 28 maart 2000, NJ 2000, 483 waarin de Hoge Raad naar voornoemde bepaling verwijst. De raadsman miskent hiermee dat Nederland geen wederzijdse internationale strafrechtelijke rechtshulprelatie heeft met de Europese Commissie, zoals in het geval dat in dit arrest ter berechting voorlag, maar wel met de beide tribunalen. Het beroep dat de raadsman op dit artikel en genoemd arrest doet, gaat dan ook niet op.

Ad c. Is er een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt?

61. Artikel 4a Sr is ingevoerd met de 'Wet tot wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met het oog op de overdracht van strafvervolgingen door en aan Nederland alsmede uitvoering van de desbetreffende Europese en Benelux-verdragen, wijziging van de Uitleveringswet en uitvoering van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme' (Stb. 1985, 131). Over de inhoud en doelstelling van deze wet wordt in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt:

'Het hier te bespreken wetsontwerp bevat een algemene regeling betreffende de procedure die moet worden gevolgd wanneer Nederland aan een vreemde mogendheid verzoekt een strafvervolging in te stellen tegen iemand die in Nederland van een strafbaar feit wordt verdacht, alsmede betreffende de gevolgen die aan een dergelijk verzoek zijn verbonden. Tevens behelst het wetsontwerp regels voor de behandeling van verzoeken tot het instellen van een strafvervolging, die door een vreemde mogendheid tot Nederland zijn gericht.

Inzake de internationale overdracht en de overname van strafvervolging zijn zowel in het verband van de Raad van Europa als in dat van de Benelux verdragen van algemene strekking tot stand gekomen. Gedoeld wordt op het Europees verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging van 15 september 1972, Trb. 1973, nr. 84 en het Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het overnemen van strafvervolgingen van 11 mei 1973, Trb. 1974, nr. 184. Het wetsontwerp beoogt de toepassing van die verdragen door Nederland mogelijk te maken. Het is echter niet tot bepalingen ter uitvoering van die verdragen beperkt. (...) Nog een derde verdrag is in dit wetsontwerp betrokken, nl. het op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europees verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1977, nr. 63). De reden om de uitvoering daarvan in het onderhavige wetsontwerp te regelen is gelegen in de artikelen 6 en 7 van het verdrag. Die bepalingen nopen ertoe in het Wetboek van Strafrecht een jurisdictiegrondslag neer te leggen voor de vervolging van de in artikel 1 van het verdrag bedoelde feiten voor de gevallen dat de Nederlandse strafrechter niet reeds ingevolge de artikelen 2 tot en met 5 van dat Wetboek originaire bevoegdheid toekomt.

Datzelfde geldt in het algemeen voor het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging (artikel 2) en voor het overeenkomstige Beneluxverdrag (artikel 17).'

(Kamerstukken II, 1979-1980, 15 972, nrs. 1-3, p. 7-8)

62. In de geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis wordt tot uitdrukking gebracht dat verdragen zoals bijvoorbeeld het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging (verder: EVOS) de grondslag kunnen vormen voor een overdracht tot strafvervolging, in die gevallen waarin de Nederlandse strafrechter geen originaire rechtsmacht heeft voor de in het verzoek tot overdracht genoemde strafbare feiten. In de hiervoor aangehaalde passage uit de memorie van toelichting wordt artikel 2 EVOS genoemd. Deze bepaling houdt in:

1. Voor de toepassing van dit Verdrag is elke Verdragsluitende Staat bevoegd elk strafbaar feit waarop de strafwet van een andere Verdragsluitende Staat van toepassing is, te vervolgen op grond van zijn eigen strafwet.

2. De aan een Verdragsluitende Staat uitsluitend op grond van het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend na een verzoek om strafvervolging, afkomstig van een andere Verdragsluitende Staat.

In deze bepaling is de tussen de betrokken staten gemaakte - wederzijdse - afspraak neergelegd dat er vervolgingsrecht - en daarmee rechtsmacht - bestaat indien de ene staat de andere staat om overname van strafvervolging verzoekt. Het overeenkomstige Beneluxverdag bevat een vergelijkbare bepaling.

63. Het EVOS behelst voorts uitgebreide en gedetailleerde bepalingen betreffende de gevallen waarin overdracht van strafvervolging mogelijk is, de wijze waarop overdracht/overname plaatsvindt alsmede de gevolgen van een verzoek tot overname in de verzoekende staat, de gevolgen van een dergelijk verzoek in de aangezochte staat, de voorlopige maatregelen te treffen in de aangezochte staat, de samenloop van strafvervolging en bepalingen ter zake het ne bis in idem-beginsel. Het Beneluxverdrag kent soortgelijke bepalingen.

64. De wetgever heeft in de memorie van toelichting welke geleid heeft tot invoering van artikel 4a Sr op verscheidene plaatsen benadrukt dat de uitbreiding van de rechtsmacht van de Nederlandse strafrechter in het verdrag moet zijn geregeld.

'Toevoegingen aan de regels van het Nederlandse strafrecht betreffende strafbaarheid en vervolgbaarheid zijn in de voorgestelde bepalingen niet te vinden.

Voor regeling van deze onderwerpen met het oog op de internationale overdracht van strafvervolgingen is een verdrag de geëigende plaats. Dat geldt ook voor de uitbreiding van de competentie van de Nederlandse strafrechter, waarvoor niet het nieuw in te voegen artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht, maar het toepasselijke verdrag de grondslag biedt.'

(Kamerstukken II, 1979-1980, 15 972. nrs. 1-3, p. 8)

'De in Titel II van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bepalingen betreffende de omvang van de werking van de strafwet hebben een dubbele functie. Zij stellen de jurisdictie, de bevoegdheid van de Nederlandse rechter tot kennisneming van strafbare feiten, vast en bepalen tevens, dat die feiten naar Nederlands recht moeten worden beoordeeld. Zij veronderstellen het bestaan van een vervolgingsrecht dat immers voorwaarde voor jurisdictie is (vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 1a bij artikel 2).

Het vervolgingsrecht kan aan een staat krachtens verdrag toekomen voor zaken die niet reeds ingevolge de wet onder de nationale jurisdictie vallen. Zowel het Europese als het Beneluxverdrag betreffende het overnemen van strafvervolgingen bevat bepalingen, waarbij aan de verdragsstaten het vervolgingsrecht in bepaalde gevallen wordt toegekend. Daarmede staat voor die gevallen de jurisdictie van de nationale strafrechter vast. Beide verdragen bepalen daarnaast, dat bij overdracht van strafvervolging in gevallen waarin het vervolgingsrecht uit het verdrag voortvloeit, ook de wet van de aangezochte staat toepasselijk is.

Ten einde nu - ook met het oog op mogelijke toekomstige verdragen - elke twijfel uit te sluiten omtrent de jurisdictie en het toepasselijke recht in gevallen waarin een strafvervolging krachtens verdrag aan Nederland wordt overgedragen zonder dat de Nederlandse strafwet reeds uit hoofde van een van de artikelen 2-7 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is, wordt het ontworpen artikel 4a voorgesteld.

Het lijkt ook nuttig, dat het wetboek zelf eraan herinnert, dat de competentie van de Nederlandse strafrechter uit een verdrag kan voortvloeien.'

(Kamerstukken II, 1979-1980, 15 972, nrs. 1-3, p. 12)

65. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever is geweest dat de bevoegdheid tot strafvervolging en berechting moet volgen uit een verdrag waarin expliciete afspraken zijn gemaakt over de overdracht van het vervolgingsrecht en in ieder geval een regeling is getroffen ten aanzien van de gevallen waarin overdacht mogelijk is. De rechtbank wijst de andersluidende visie van de officier van justitie op dit punt dan ook van de hand.

66. De officier van justitie heeft - kort gezegd - betoogd dat de verdragsbasis voor overname zoals vereist in artikel 4a Sr kan worden gevonden in:

(I) het Handvest van de Verenigde Naties in samenhang met het Statuut van het Rwanda-tribunaal;

(II) het Genocideverdrag.

(I) Het Handvest en het Statuut als verdragsbasis?

67. De rechtbank stelt allereerst vast dat het Handvest geen enkele bepaling bevat op grond waarvan Nederland verplicht is samen te werken met het Rwanda-tribunaal, laat staan een bepaling waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt in geval het Rwanda-tribunaal een zaak overdraagt aan Nederland. Derhalve kan het Handvest op zichzelf niet beschouwd worden als een verdrag op grond waarvan aan Nederland in deze zaak afgeleide rechtsmacht toekomt.

68. De officier van justitie heeft - kort gezegd - betoogd dat het Handvest van de Verenigde Naties, meer in het bijzonder hoofdstuk VII daarvan, in samenhang bezien met het Statuut Rwanda-tribunaal de verdragsbasis vormt die artikel 4a Sr vereist. Zij heeft daarbij met name gewezen op artikel 28 van het Statuut Rwanda-tribunaal. Weliswaar kan in deze bepaling, aldus de officier van justitie, geen verplichting tot overname van strafvervolging worden gelezen, maar wel een bevoegdheid daartoe.

69. De officier van justitie heeft in dit kader ook gewezen op de parlementaire behandeling van de Instellingswet Joegoslavië-tribunaal, in het bijzonder hetgeen in de memorie van toelichting wordt opgemerkt over de overlevering aan dit Tribunaal. Zij heeft betoogd dat overlevering ingevolge de Grondwet slechts is toegestaan op grond van een verdrag en dat de wetgever hoofdstuk VII Handvest ziet als verdragsbasis voor overlevering aan dit Tribunaal. Aangezien in artikel 2, tweede lid, Instellingswet Rwanda-tribunaal de artikelen 3 tot en met 18 Instellingswet Joegoslavië-tribunaal van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, heeft dit ook betekenis voor het Rwandatribunaal.

Volgens de officier van justitie heeft hoofdstuk VII van het Handvest ook te gelden als verdragsbasis voor overname van strafvervolging door Nederland van de beide Tribunalen, omdat het zowel bij overlevering als bij overname gaat om vormen van primaire rechtshulp.

70. De officier van justitie heeft voorts gewezen op de vonnissen van deze rechtbank van 16 oktober 2001 (NJ 2002, 20; LJN: AD 8745) en 14 februari 2002 (KG 02/26; LJN: AD9260). Aan deze uitspraken heeft zij de conclusie verbonden dat medewerking aan het verzoek van het Rwanda-tribunaal aan de Nederlandse autoriteiten tot overname van de strafvervolging van verdachte een rechtsplicht is voor Nederland die ingevolge het bepaalde in artikel 25 en 103 Handvest voorrang heeft op andere nationale en internationale verplichtingen en bepalingen.

71. De rechtbank merkt allereerst op dat anders dan bij het Internationaal Strafhof (opgericht bij het Statuut van Rome in zake het Internationaal Strafhof d.d. 17 juli 1998, Trb. 2000, 120 en voor Nederland inwerking getreden op 1 juli 2002) beide Tribunalen niet zijn opgericht bij multilateraal verdrag, maar bij Resoluties van de Veiligheidsraad met als annex het Statuut van het betreffende Tribunaal (zie hierboven in paragraaf 47). Ingevolge artikel 25 Handvest dienen de leden van de Verenigde Naties de besluiten van de Veiligheidsraad overeenkomstig het Handvest te aanvaarden en uit te voeren en zijn zij derhalve gebonden aan deze door de Veiligheidsraad aangenomen Resoluties. Voorts bepaalde de Veiligheidsraad in deze Resoluties dat alle staten, overeenkomstig het bepaalde in de beide Statuten, moeten samenwerken met de beide Tribunalen en de organen daarvan, alsmede de nationale wetgeving hiertoe dienden aan te passen. In het Statuut zijn diverse vormen van rechtshulp omschreven waartoe lidstaten bevoegd of verplicht zijn.

72. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat het Handvest in samenhang met het Statuut kan worden beschouwd als een verdrag op grond waarvan internationale rechtshulp kan worden verleend.

73. De rechtbank stelt echter vervolgens vast - evenals de officier van justitie heeft gedaan - dat in het Statuut geen expliciete regeling is opgenomen die een verplichting of bevoegdheid creëert voor Nederland om - op verzoek van het Rwanda-tribunaal - strafvervolging van het Tribunaal over te nemen.

74. De officier van justitie heeft, zoals boven vermeld, ter onderbouwing van haar stelling een beroep gedaan op artikel 28 van het Statuut. Dit artikel luidt als volgt:

Cooperation and Judicial Assistance

1. States shall cooperate with the International Tribunal for Rwanda in the investigation and prosecution of persons accused of committing serious violations of international humanitarian law.

2. States shall comply without undue delay with any request for assistance or an order issued by a Trial Chamber, including but not limited to:

(a) The identification and location of persons;

(b) The taking of testimony and the production of evidence;

(c) The service of documents;

(d) The arrest or detention of persons;

(e) The surrender or the transfer of the accused tot the International Tribunal for Rwanda.

75. Naar het oordeel van de rechtbank bevat deze bepaling een algemene samenwerkingsverplichting ('shall cooperate') voor lidstaten jegens het Rwandatribunaal (lid 1) alsmede een specifieke samenwerkingsverplichting ('shall comply') op een aantal nader omschreven terreinen (lid 2) teneinde onderzoek en berechting door het Rwanda-tribunaal mogelijk te maken. Evenals de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat dit artikel geen verplichting tot overname van strafvervolging inhoudt. Anders dan de officier van justitie vermag de rechtbank in dit artikel echter niet te lezen dat het de bevoegdheid van lidstaten schept strafvervolging van het Rwandatribunaal over te nemen. Strekking en woordkeuze van dit artikel verzetten zich tegen deze interpretatie. Het Rwanda-tribunaal heeft, zoals hierboven overwogen, het primaat bij de berechting van internationale misdrijven begaan in de periode 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994 in Rwanda (en de buurlanden). De Resolutie waarmee het Tribunaal is ingesteld verplicht de lidstaten, waar mogelijk, het Tribunaal behulpzaam te zijn bij de uitvoering van de hem opgedragen taak. Artikel 28 van het Statuut Rwanda-tribunaal vormt hiervan de uitwerking. Het gaat in dit artikel om rechtshulp die door de lidstaten moet worden verleend aan het Rwanda-tribunaal met het oog op berechting door het Rwanda-tribunaal; niet om een bevoegdheid van lidstaten berechting van het Rwanda-tribunaal over te nemen. Het beroep dat de officier van justitie op dit artikel doet, faalt dus.

76. De rechtbank kan de officier van justitie evenmin volgen in het beroep dat zij doet op de in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Instellingswet Joegoslavië-tribunaal genoemde verdragsbasis voor overlevering. Hierover wordt in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt:

'Artikel 2 biedt de wettelijke bevoegdheid om personen over te leveren aan het Tribunaal. Aangenomen moet worden dat het hier gaat om een vorm van uitlevering in de zin van artikel 2, derde lid, van de Grondwet, dat hiertoe een verdragsgrondslag vereist en verdere voorschriften bij wet te geven.

Daargelaten de vraag of als gevolg van Resolutie 827, dat Staten verplicht tot de in het Statuut geregelde vormen van samenwerking met het Tribunaal, Grondwettelijke voorschriften geacht kunnen worden terzijde te zijn gesteld, kan in elk geval worden gesteld, dat deze verplichting haar grondslag vindt in Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties en dat daarin de Grondwettelijk vereiste verdragsbasis kan worden gevonden.'

(Kamerstukken II, 1993-1994, 23 542, nr. 3, p.3)

77. De rechtbank stelt vast dat overlevering aan de Tribunalen in de beide Statuten expliciet is geregeld als een verplichte vorm van samenwerking tussen de Tribunalen en de lidstaten. Om die reden is het begrijpelijk dat de wetgever heeft geoordeeld dat hoofdstuk VII van het Handvest - naar de rechtbank begrijpt in samenhang gelezen met (deze bepalingen van) de Statuten - kan dienen als vereiste verdragsbasis. Zoals hierboven vermeld is overname van strafvervolging echter in het geheel niet geregeld in de Statuten van de beide Tribunalen. Het beroep dat de officier van justitie doet op hetgeen de wetgever heeft overwogen ten aanzien van de verdragsgrondslag ter zake overlevering kan daarom geen steun bieden aan de door haar verdedigde stelling dat het Handvest en het Statuut Rwanda-tribunaal de verdragsgrondslag bieden voor overname van strafvervolging, een niet verplichte vorm van samenwerking.

78. Sterker nog, uit de parlementaire geschiedenis van de Instellingswet Joegoslaviëtribunaal valt af te leiden dat de wetgever het Handvest en het Statuut niet beschouwt als verdragsbasis voor niet verplichte samenwerking tussen de Tribunalen en Nederland, in die gevallen waarin de Nederlandse wet hiervoor een verdrag vereist. Artikel 26 Statuut Rwanda-tribunaal en artikel 27 Statuut Joegoslavië-tribunaal behelzen bepalingen inzake de tenuitvoerlegging door lidstaten van door de Tribunalen gewezen vonnissen, een niet verplichte vorm van samenwerking tussen de Tribunalen en de lidstaten.

Tenuitvoerlegging in Nederland van buitenlandse strafvonnissen, is geregeld in de Wet van 10 september 1986, houdende regelen betreffende de overname van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke beslissingen en de overdracht van de tenuitvoerlegging van Nederlandse strafrechtelijke beslissingen naar het buitenland, Stb. 1986, 464, met een gefaseerde inwerkingtreding (verder: WOTS). Artikel 2 van deze wet luidt als volgt:

Tenuitvoerlegging in Nederland van buitenlandse rechtelijke beslissingen geschiedt niet dan krachtens een verdrag.

De wetgever heeft hier dus, evenals het geval is bij overname van strafvervolging (artikel 4a Sr), als voorwaarde geformuleerd dat tenuitvoerlegging alleen kan geschieden op grond van een verdrag. De wetgever heeft dit onder ogen gezien bij de totstandkoming van de Instellingswet Joegoslavië-tribunaal. Deze wet bevat een regeling ter zake de uitvoering door Nederland van door dit tribunaal gewezen vonnissen (artikel 11 tot en met 14). Onder de bepalingen van de WOTS die in deze wet van overeenkomstige toepassing worden verklaard behoort niet het hierboven geciteerde artikel 2. De wetgever heeft met andere woorden het verdragsvereiste van dit artikel uitdrukkelijk buiten toepassing gesteld. Tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen door Nederland is dus alleen mogelijk ofwel krachtens een verdrag ofwel ingevolge een bepaling in een bijzondere wet, zoals de Instellingswet Joegoslaviëtribunaal.

Hetzelfde heeft te gelden voor overname van strafvervolging door Nederland. Immers, overname van strafvervolging en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen zijn niet verplichte vormen van samenwerking en ten aanzien van deze beide stelt de Nederlandse wet als voorwaarde dat een verdrag bestaat waarin deze samenwerking is geregeld.

79. In het verlengde hiervan is de rechtbank voorts van oordeel dat ook het beroep dat de officier van justitie doet op de vonnissen van deze rechtbank d.d. 16 oktober 2001 en 14 februari 2002 haar niet baat. Beide vonnissen zien immers op overlevering van een verdachte aan het Rwanda-tribunaal. In de vonnissen komt - kort gezegd - het volgende tot uitdrukking:

• de instelling van het Rwanda-tribunaal (en het Statuut van dit Tribunaal) vindt zijn directe grondslag in hoofdstuk VII van het Handvest;

• lidstaten zijn op grond van artikel 25 van het Handvest verplicht om hun medewerking te verlenen aan het Rwanda-tribunaal, nu het Rwanda-tribunaal is gebaseerd op een besluit van de Veiligheidsraad;

• verplichtingen van lidstaten krachtens het Handvest hebben - in geval van strijdigheid - op grond van artikel 103 van het Handvest voorrang op de verplichtingen van die lidstaten krachtens andere internationale overeenkomsten;

• artikel 28 van het Statuut van het Rwanda-tribunaal verplicht lidstaten onvoorwaardelijk om te voldoen aan verzoeken of bevelen van het Rwanda-tribunaal tot aanhouding en overlevering.

Dit betekent dat de Nederlandse autoriteiten op grond van het Statuut van het Rwandatribunaal en de artikelen 25 en 103 van het Handvest verplicht zijn aan een verzoek van het Rwanda-tribunaal tot overlevering te voldoen.

Niet valt in te zien dat de in de vonnissen bevestigde rechtsplicht van Nederland tot overlevering van een verdachte aan het Rwanda-tribunaal mede een rechtsgrond zou kunnen zijn voor een bevoegdheid van Nederland tot overname van strafvervolging van het Rwanda-tribunaal, nu het Statuut deze overdracht/overname onbenoemd en ongeregeld heeft gelaten.

80. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het Handvest in onderling verband en samenhang bezien met (artikel 28 van) het Statuut Rwanda-tribunaal niet kan worden beschouwd als een verdrag waaruit de bevoegdheid van Nederland tot overname van strafvervolging volgt.

81. De rechtbank heeft zich ten slotte in dit kader, mede gelet op de eerdergenoemde beschikking van de rechter-commissaris d.d. 11 januari 2007 (zie hierboven onder 10), de vraag gesteld of het Handvest, in samenhang met het Statuut en Resoluties 1503 (2003) en 1534 (2004) van de Veiligheidsraad, de wettelijk vereiste verdragsgrondslag bieden voor overname van strafvervolging.

82. De rechter-commissaris heeft, zoals hierboven vermeld (zie paragraaf 10), beslist dat Nederland niet de bevoegdheid heeft verdachte ter zake het genocidefeit te vervolgen en berechten, dit omdat verdachte geen deel uitmaakt van de Completion Strategy van het Rwanda-tribunaal. De rechter-commissaris heeft in haar beslissing wel geoordeeld dat het Handvest in samenhang met het Statuut en Resolutie 1503 (2003) als wettelijk verdragsgrondslag kan worden opgevat. De rechtbank volgt haar hierin niet. De Resoluties 1503 (2003) en 1534 (2004) dragen het Rwanda-tribunaal op zijn werkzaamheden uiterlijk in 2010 af te ronden en met het oog daarop zaken waarin het 'intermediate- and lower-rank' verdachten betreft, over te dragen aan staten die bevoegd zijn deze zaken te berechten. Als uitvloeisel van deze Resoluties hebben de President van het Rwanda-tribunaal en de Aanklager een Completion Strategy opgesteld. De betreffende Resoluties roepen de lidstaten op strafzaken van het Rwanda-tribunaal over te nemen, maar behelzen geen verplichting daartoe. Een dergelijke verplichting valt ook niet af te leiden uit de Completion Strategy. De Completion Strategy is niet meer dan een voortgangsrapportage van het Rwandatribunaal aan de Veiligheidsraad over de wijze waarop en de snelheid waarmee het Tribunaal toewerkt naar afronding van zijn werkzaamheden in 2010. De betreffende Resoluties bevatten geen expliciete afspraken inzake de overdracht van strafvervolging en geen regeling ten aanzien van de gevallen waarin overdracht mogelijk is. Ook de Resoluties - in samenhang bezien met het Handvest en het Statuut Rwanda-tribunaal - bieden dus niet de verdragsgrondslag zoals artikel 4a Sr vereist (zie hierboven in paragraaf 65).

(II) Het Genocideverdrag als verdragsbasis?

83. De officier van justitie heeft voorts betoogd dat het Genocideverdrag, in het bijzonder de artikelen VI en I hiervan, gelezen in samenhang met de beslissing van het Internationaal Gerechtshof (verder: IGH) in de zaak betreffende de 'Application of the Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide' (Bosnia en Herzegovina v. Yugoslavia) van 11 juli 1996, paragraaf 31, de basis kan vormen voor overname van strafvervolging. De officier van justitie heeft in het bijzonder gewezen op de overweging dat:

"the rights and obligations enshrined by the Convention are rights and obligations erga omnes. The Court notes that the obligation each State thus has to prevent and to punish the crime of genocide is not territorially limited by the Convention".

De officier van justitie heeft ook nog gewezen op het hiervoor reeds genoemde standpunt van de Nederlandse regering in de zaak van de 'Prosecutor v. M. Bagaragaza' (zie hierboven in paragraaf 58), waaruit blijkt dat de regering deze opvatting van de officier van justitie deelt.

84. Naar het oordeel van de rechtbank dient de door het openbaar ministerie aangehaalde passage uit het arrest van het IGH nadrukkelijk in samenhang te worden gelezen met de passage uit het advies van het IGH van 28 mei 1951 in Reservations to the Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide (I.C.J. Reports 1951), die daaraan blijkens het hierna volgend citaat voorafgaat, en in de context van het door (het toenmalige) Joegoslavië gevoerde verweer.

85. Het IGH heeft in voornoemde zaak onder meer het volgende overwogen:

'30. To found its jurisdiction, the Court must, however, still ensure that the dispute in question does indeed fall within the provisions of Article IX of the Genocide Convention. Yugoslavia disputes this. It contests the existence in this case of an "international dispute" within the meaning of the Convention, basing itself on two propositions:

first,

- that the conflict occurring in certain parts of the Applicant's territory was of a domestic nature,

- Yugoslavia was not party to it and

- did not exercise jurisdiction over that territory at the time in question (...)

31. (...) Lastly, as to the territorial problems linked to the application of the Convention, the Court would point out that the only provision relevant to this, Article VI, merely provides for persons accused of one of the acts prohibited by the Convention to "be tried by a competent tribunal of the State in the territory of which the act was committed ...".

It would also recall its understanding of the object and purpose of the Convention, as set out in its Opinion of 28 May 1951, cited above:

"The origins of the Convention show that it was the intention of the United Nations to condemn and punish genocide as 'a crime under international law' involving a denial of the right of existence of entire human groups, a denial which shocks the conscience of mankind and results in great losses to humanity, and which is contrary to moral law and to the spirit and aims of the United Nations (Resolution 96 (1) of the General Assembly, December 11th 1946).

The first consequence arising from this conception is that the principles underlying the Convention are principles which are recognized by civilized nations as binding on States, even without any conventional obligation. A second consequence is the universal character both of the condemnation of genocide and of the Co-operation required 'in order to liberate mankind from such an odious scourge' (Preamble to the Convention)." (I. C. J. Reports 1951, p. 23.)

It follows that the rights and obligations enshrined by the Convention are rights and obligations erga omnes. The Court notes that the obligation each State thus has to prevent and to punish the crime of genocide is not territorially limited by the Convention.'

86. Het IGH heeft hierin tot uitdrukking gebracht dat het voorkomen dat het misdrijf van genocide wordt gepleegd en de bestraffing ervan een gedeelde verantwoordelijkheid is voor alle staten welke (natuurlijk) niet ophoudt bij de landsgrenzen van elke staat. Dit is de gedachte die ten grondslag ligt aan het Genocideverdrag maar die ook geldt, los van enige verdragsrechtelijke verplichting. De rechtbank begrijpt het IGH aldus dat los van de vraag of iemand kan worden berecht in een bepaalde staat voor het misdrijf van genocide, staten hoe dan ook de verplichting hebben om zich in te zetten op alle mogelijke manieren om de samenleving te vrijwaren van het misdrijf van genocide.

Deze verplichting omvat zowel het voorkomen van dit misdrijf als de bestraffing ervan.

87. De door de officier van justitie aangehaalde passage heeft derhalve geen betrekking op vragen die samenhangen met rechtsmacht hetzij in originaire dan wel in afgeleide vorm. Nu in het Genocideverdrag zelf geen voor overdracht relevante bepalingen zijn neergelegd, is de rechtbank van oordeel dat het Genocideverdrag geen verdrag is waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging volgt. De rechtbank neemt op dit punt dus ook afstand van het door de Nederlandse regering in de zaak van de 'Prosecutor v. M. Bagaragaza' ingebrachte standpunt (zie paragraaf 23 van de 'decision' van de Kamer van Berechting), hetwelk, zoals hierboven in paragraaf 83 is vermeld, gelijkluidend is aan het betoog van de officier van justitie in deze zaak.

88. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat geen verdrag bestaat waaruit de bevoegdheid van Nederland tot overname van strafvervolging volgt. Dit betekent dat de Nederlandse strafrechter geen afgeleide rechtsmacht heeft op grond van artikel 4a Sr."

5.2. Het Hof heeft de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte ter zake van het in genoemde zaak onder 1 tenlastegelegde doen steunen op onder meer de volgende gronden:

"9. Zoals hierboven (...) al werd aangeduid, wordt de verdachte in de inleidende dagvaardingen een vijftal ernstige misdrijven verweten die door hem als Rwandees in Rwanda in het jaar 1994 zouden zijn gepleegd. Deze verwijten zijn elk enerzijds geformuleerd als een oorlogsmisdrijf (dan wel als foltering), anderzijds als genocide. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat rechtsmacht voor de als genocide geformuleerde feiten ontbreekt en heeft het openbaar ministerie daarom in de

vervolging van die feiten niet-ontvankelijk verklaard.

(...)

Originaire rechtsmacht?

11. Originaire rechtsmacht kan, aldus de rechtbank (rov. 15 t/m 27), worden ontleend aan het bepaalde in de artikelen 2 t/m 4 en 5 t/m 7 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), dan wel aan artikel 5 van de uitvoeringswet genocideverdrag of artikel 3 van de Wet oorlogsstrafrecht (WOS). Het hof is - met de rechtbank, de officier van justitie en de verdediging - van oordeel dat de bedoelde voorschriften voor wat betreft de tenlastegelegde genocide toepassing missen en dat daaraan derhalve geen rechtsmacht kan worden ontleend. Het hof verwijst daarvoor naar bovenvermelde overwegingen van de rechtbank.

(...)

12. Met de rechtbank (rov. 29 t/m 32) is het hof van oordeel dat aan de ná de verweten gedragingen in werking getreden Wet internationale misdrijven (die in artikel 3 een secundaire universele rechtsmacht ten aanzien van genocide schept) evenmin rechtsmacht kan worden ontleend. De wetgever heeft in verband met de rechtszekerheid - uitdrukkelijk - terugwerkende kracht niet gewild.

13. Met de rechtbank (rov. 33 t/m 44) is het hof van oordeel dat in het volkenrecht evenmin grondslag voor rechtsmacht kan worden gevonden.

Afgeleide rechtsmacht op grond van artikel 4a Sr?

14. Ten slotte zou rechtsmacht - in afgeleide of subsidiaire vorm - kunnen worden ontleend aan het bepaalde in artikel 4a Sr. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat dit artikel in de onderhavige zaak toepassing mist.

15. Artikel 4a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (in werking sedert 19 juli 1985) luidt:

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder tegen wie de strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt.

Wil van afgeleide rechtsmacht op grond van deze bepaling sprake kunnen zijn, dan is derhalve vereist dat

a) gesproken kan worden van een 'staat'

b) die originaire rechtsmacht heeft en

c) de vervolging door een orgaan van die staat bevoegd aan Nederland is overgedragen en

d) er een verdrag kan worden aangewezen "waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt".

16. Met betrekking tot de onder a) genoemde voorwaarde is het hof met de rechtbank van oordeel dat - gelet op de status van het Rwanda-tribunaal - op zichzelf veel pleit voor een welwillende, 'functionele' uitleg, van deze voorwaarde die ertoe leidt dat dit Tribunaal wordt aangemerkt als 'staat' in de zin van artikel 4a Sr. Daar staan echter een aantal overwegingen tegenover die het hof - anders dan de rechtbank - tot de conclusie brengen dat een dergelijke functionele uitleg niet kan worden aanvaard, zodat reeds op deze grond dit artikel toepassing mist.

Het hof heeft daarbij allereerst de aard van het in het geding zijnde voorschift in aanmerking genomen. In de visie van het hof valt een rechtsmachtvoorschrift (tot op zekere hoogte) met een strafbaarstelling en een sanctienorm te vergelijken; daarom moet een dergelijk voorschrift aan eisen van kenbaarheid voldoen. Het gelijkstellen van een orgaan van de Verenigde Naties met een 'staat' in de zin van artikel 4a Sr voldoet niet aan die kenbaarheidseis. Evenals de rechtbank (rov. 39) wijst het hof op de door de toenmalige advocaat-generaal mr. N. Keijzer ontwikkelde cassatiemiddelen voor het Decembermoorden-arrest van de Hoge Raad van 18 september 20011. Bovendien berust het rechtshulpverkeer tussen staten op reciprociteit, welke wederkerigheid nu juist in de verhouding tussen het Tribunaal en Nederland vergaand ontbreekt, gelet op het 'verticale' karakter van die verhouding.

Het hof wijst er vervolgens ook op dat in de instellingswetgeving van de tribunalen (zie hierna § 25 onder c, de regeling in de Instellingswet voor het Joegoslavië-tribunaal2 is ook van toepassing verklaard op het Rwanda-tribunaal) ten aanzien van verschillende bevoegdheidsregelingen in het kader van de internationale rechtshulp wordt bepaald dat deze van overeenkomstige toepassing zijn, naar 's hofs oordeel omdat deze in de relatie tot het Tribunaal rechtstreekse toepassing missen.

In de Memorie van Toelichting3 bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot deze wet wordt in dit verband onder meer opgemerkt:

"Daarnaast verplicht het Statuut van het Tribunaal Staten tot justitiële en politiële samenwerking met het Tribunaal, in de sfeer van (...) het verzamelen van bewijsmateriaal (...) en het overleveren van verdachten aan het Tribunaal (artikel 29 Statuut). (...) Teneinde ten volle in staat te zijn aan deze verplichtingen te voldoen is bijzondere wetgeving vereist. Zo zijn de bestaande wettelijke regelingen inzake internationale strafrechtelijke samenwerking toegesneden op interstatelijke samenwerking en niet op samenwerking met een internationaal Tribunaal. Dit betreft zowel de uitlevering en de zogenaamde kleine rechtshulp, als de tenuitvoerlegging van door andere dan Nederlandse rechters uitgesproken strafvonnissen. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt op die punten een aanvulling op de bestaande wetgeving te bieden."

Ook ten aanzien van de overlevering aan het Rwanda-tribunaal is in de Memorie van Toelichting4 bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Instellingswet Rwanda-tribunaal opgemerkt dat een eigen regelgeving diende te worden ingevoerd gelet op deze variant van het internationale rechtshulpverkeer:

"Het behoeft in dit verband nauwelijks betoog dat de ingevolge artikel 2, eerste lid, van het voorliggende wetsvoorstel geregelde variant van internationaal rechtshulpverkeer, anders dan de klassieke uitlevering, voorziet in de terbeschikkingstelling van een opgeëiste persoon aan een internationaal, krachtens een Resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ingesteld, orgaan, en niet, zoals gebruikelijk, aan een andere soevereine staat. Dit rechtvaardigt een eigen regelgeving, waarin dit wetsvoorstel voorziet."

Het hof constateert ten slotte dat naast het zogenaamde Weense Verdragenverdrag (van 23 mei 1969, Trb. 1977, 169), dat betrekking heeft op internationale, schriftelijke overeenkomsten tussen Staten gesloten, een tweede Verdrag van Wenen tot stand is gebracht over het verdragenrecht tussen Staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties onderling (Verdrag van 21 maart 1986, Trb. 1987, 136). Ook dit gegeven indiceert dat Staten en internationale organisaties dienen te worden onderscheiden.

Hoewel het hof het met de rechtbank (rov. 55) eens is dat destijds aan overdracht van strafvervolging aan Nederland niet zal zijn gedacht, levert dat een onvoldoende krachtig argument op om thans een teleologische interpretatie zonder genoegzame basis toe te passen. Ook de omstandigheid dat blijkens de beslissing van het Rwanda-tribunaal in de (vergelijkbare) zaak Bagaragaza5 de Nederlandse regering het standpunt innam dat het Rwanda-tribunaal wél onder het begrip 'staat' in artikel 4a Sr valt, brengt het hof niet tot een andere beoordeling."

Hoewel, als vermeld, naar het oordeel van het hof reeds op deze grond artikel 4a Sr toepassing mist, acht het hof het geraden ook de in § 15 onder b, c en d genoemde criteria voor toepassing van dit artikel te bespreken.

17. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de rechtsmacht en daarmee de vervolgingsbevoegdheid van het Rwanda-tribunaal, casu quo de daaraan verbonden Prosecutor, in de onderhavige zaak op grond van (in het bijzonder) de artikelen 1 en 2 van het bij resolutie 955 (1994) d.d. 8 november 1994 door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties vastgestelde Statuut van het Tribunaal (hierna te noemen: het Statuut), buiten twijfel vast staat. Aan de hierboven (zie § 15) onder b genoemde voorwaarde voor toepassing van artikel 4a Sr is dus voldaan.

18. Aan de hierboven (zie § 15) onder c genoemde voorwaarde van artikel 4a Sr is eveneens voldaan nu het hof - met de rechtbank - evenmin twijfels heeft over de bevoegdheid van de Prosecutor van het Tribunaal om de vervolging in de onderhavige zaak over te dragen, gelet op diens volle en exclusieve vervolgingsbevoegdheid als orgaan van het Tribunaal (op grond van de artikelen 10 en 15, tweede lid, van het Statuut). Het hof heeft daarbij meegewogen dat de in artikel 11bis van de 'Rules of Procedure and Evidence' (RPE) van het Tribunaal omschreven procedure tot overdacht van strafvervolging blijkens haar bewoordingen slechts betrekking heeft op zaken die reeds aanhangig zijn bij het Tribunaal.

De Prosecutor heeft in zijn verzoek d.d. 29 september 2006 tot overname van de strafvervolging in de onderhavige zaak ook medegedeeld dat de overdracht van dergelijke 'un-indicted cases' binnen zijn bevoegdheid op grond van het Statuut ligt. Er is naar 's hofs oordeel geen aanleiding bij die mededeling vraagtekens te zetten, gelet ook op paragraaf 39 van de brief d.d. 29 mei 2006 van de President van het Tribunaal aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, inzake de Completion Strategy van het Tribunaal.

Overdracht gebaseerd op verdrag?

19. Vastgesteld kan worden dat het bij de overdracht van strafvervolging om één van de vormen van internationale rechtshulp in strafzaken gaat, waarvoor op zichzelf geen basis in een verdrag wordt vereist. (Die eis geldt blijkens artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht echter wél indien Nederland géén originaire rechtsmacht heeft en de overdracht van de strafvervolging (afgeleide) rechtsmacht moet scheppen; de rechtbank (r.ov. 61 t/m 65) heeft - mede op basis van de door haar weergegeven wetsgeschiedenis - geoordeeld dat aan een verdrag dat dit rechtsgevolg kan meebrengen zekere eisen van specificiteit moeten worden gesteld: "de bevoegdheid tot strafvervolging en berechting moet volgen uit een verdrag waarin expliciete afspraken (curs. Hof) zijn gemaakt over de overdracht van het vervolgingsrecht en in ieder geval een regeling is getroffen ten aanzien van de gevallen waarin overdacht mogelijk is" (r.ov. 65).

20. Het hof deelt de visie van de rechtbank dat enige specificiteit vereist is. In ieder geval kunnen algemene afspraken of intentieverklaringen over (wederzijdse) samenwerking in strafzaken niet voldoende specifiek worden geacht om rechtsmacht te creëren, mede gelet op het grote belang dat aan het voorkomen van jurisdictieconflicten wordt gehecht. Zoals eerder gesteld, zijn de eisen die aan een rechtsmachtscheppende overdracht van strafvervolging worden gesteld strenger dan die, welke ten aanzien van de overdracht van strafvervolging sec gelden (en waarvoor de verdragseis niet geldt).

Het hof wijst in dit verband ook op het gestelde in de Memorie van Toelichting6 bij het wetsvoorstel dat leidde tot de invoering van artikel 4a Sr:

"Toevoegingen aan de regels van het Nederlandse strafrecht betreffende strafbaarheid en vervolgbaarheid zijn in de voorgestelde bepalingen niet te vinden. Voor regeling van deze onderwerpen met het oog op de internationale overdracht van strafvervolgingen is een verdrag de geëigende plaats. Dat geldt ook voor de uitbreiding van de competentie van de Nederlandse strafrechter, waarvoor niet het nieuw in te voegen artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht, maar het toepasselijke verdrag de grondslag biedt."

Op zichzelf wijst het openbaar ministerie er terecht op dat de in artikel 552hh van het Wetboek van Strafvordering genoemde verdragen (die in geval van het weigeren van uitlevering het initiëren van een strafvervolging verlangen door de zaak aan de vervolgende instantie over te dragen, volgens het adagium "aut dedere aut judicare" niet een uitgewerkt stelsel van regels bevatten. Wel zijn de betrokken Staten met het oog op die eventuele berechting verplicht ervoor te zorgen dat de bevoegdheid tot strafvervolging van de in die verdragen bedoelde feiten is verzekerd, met het oog waarop het bedoelde artikel in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen. Nu de verdragen slechts betrekking hebben op (een beperkte groep) specifieke delicten, wordt ook daarin zekere afgrenzing gevonden (namelijk ten aanzien van 'de gevallen waarin' de regeling toepassing vindt). Het hof wijst in dit verband op de regeling in artikel 4 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 20 december 1988, Trb. 1990, 94, tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. In dat artikel wordt ten aanzien van bepaalde situaties (bijvoorbeeld indien het feit is begaan op het grondgebied van de verdragsluitende staat, dan wel niet wordt uitgeleverd omdat de verdachte eigen onderdaan is) voorgeschreven dat rechtsmacht wordt gevestigd. In andere gevallen, bijvoorbeeld wanneer de verdachte zich op het grondgebied van een staat bevindt en deze hem niet wil uitleveren, is die staat bevoegd, maar zeker niet in alle gevallen verplicht om rechtsmacht te vestigen. Dit verdrag is niet in artikel 552hh Sv opgenomen, naar het hof uit de parlementaire geschiedenis van de betreffende goedkeuringswet afleidt7 omdat Nederland in dit verband geen afgeleide rechtsmacht aanvaardt (in de door het verdrag verplicht gestelde vestiging van rechtsmacht wordt al in de regeling van rechtsmacht in het Wetboek van Strafrecht voorzien).

Met andere woorden: Afgeleide rechtsmacht moet niet alleen een basis in een verdrag hebben, maar de Nederlandse wetgever moet ook besluiten van een facultatieve bevoegdheid al dan niet gebruik te maken. Dat gegeven noopt de rechter des te meer tot terughoudendheid bij zijn rechtsvinding.

21. Het openbaar ministerie heeft ook nog gewezen op de formulering in artikel 4a: de bevoegdheid tot strafvervolging moet uit het verdrag 'volgen', welk werkwoord het openbaar ministerie in navolging van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel parafraseert als 'voortvloeien'. Wat er ook zij van deze taalkundige parafrasering, het hof leidt mede uit de in § 20 geciteerde passage uit de Memorie van Toelichting af dat een verdrag in de zin van artikel 4a Sr niet alleen een regeling van overdracht van strafvervolging moet bevatten maar tevens expliciet moet voorzien in de (afgeleide) jurisdictie.

22. Het openbaar ministerie heeft tevens een beroep gedaan op a) het Handvest van de Verenigde Naties in samenhang met het Statuut van het Rwanda-tribunaal (en de relevante resoluties en de Completion Strategy) en b) het Genocideverdrag, als zijnde een verdrag in de zin van artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht, "waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging ... volgt".

Het Handvest van de Verenigde Naties c.a.

23. Met betrekking tot het Handvest van de Verenigde Naties, het Statuut van het Rwanda-tribunaal en de toepasbare Rules of Procedure and Evidence kan het navolgende worden vastgesteld.

Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties vormt blijkens Resolutie 955 (1994) mede grondslag voor de instelling van het Rwanda-tribunaal, hetgeen het gewicht van dat orgaan en de dominante verplichtingen van staten om aan het Handvest te voldoen, onderstreept.

Daarop heeft het openbaar ministerie terecht gewezen, daarbij verwijzende naar de artikelen 25 en 103 van het Handvest, luidende:

Article 25

The Members of the United Nations agree to accept and carry out the decisions of the Security Council in accordance with the present Charter.

Article 103

In the event of a conflict between the obligations of the Members of the United Nations under the present Charter and their obligations under any other international agreement, their obligations under the present Charter shall prevail.

Maar die verplichtingen moeten dan wel voldoende gearticuleerd zijn, zoals hiervoor werd overwogen. Het Handvest bevat geen blanco volmacht om willekeurig welke eis aan een staat te stellen. Dat blijkt ook uit de formulering van de genoemde Resoluties, die onder 2. wijst op de verplichtingen die voortvloeien, uit de Resolutie en het Statuut van het Rwanda-tribunaal:

"Decides that all States shall cooperate fully with the International Tribunal and its organs in accordance with the present resolution and the Statute of the International Tribunal and that consequently all States shall take any measures necessary under their domestic law to implement the provisions of the present resolution and the Statute, including the obligation of States to comply with requests for assistance or orders issued by a Trial Chamber under Article 28 of the Statute...".

24. In dit verband wijst het hof op een aantal meer specifieke bepalingen.

a) In het Statuut van het Rwanda-tribunaal wordt ondermeer bepaald:

Article 8: Concurrent Jurisdiction

1. The International Tribunal for Rwanda and national courts shall have concurrent jurisdiction to prosecute persons for serious violations of international humanitarian law committed in the territory of Rwanda and Rwandan citizens for such violations committed in the territory of the neighbouring States, between 1 January 1994 and 31 December 1994.

2. The International Tribunal for Rwanda shall have the primacy over the national courts of all States. At any stage of the procedure, the International Tribunal for Rwanda may formally request national courts to defer to its competence in accordance with the present Statute and the Rules of Procedure and Evidence of the International Tribunal for Rwanda.

Article 28: Cooperation and Judicial Assistance

1. States shall cooperate with the International Tribunal for Rwanda in the investigation and prosecution of persons accused of committing serious violations of international humanitarian law.

2. States shall comply without undue delay with any request for assistance or an order issued by a Trial Chamber, including but not limited to:

(a)The identification and location of persons;

(b)The taking of testimony and the production of evidence;

(c) The service of documents;

(d) The arrest or detention of persons;

(e) The surrender or the transfer of the accused to the International Tribunal for Rwanda.

b) De Rules of Procedure and Evidence bepalen in regel 11 bis onder meer:

Rule 11bis: Referral of the Indictment to another Court

(A) If an indictment has been confirmed, whether or not the accused is in the custody of the Tribunal, the President may designate a Trial Chamber which shall determine whether the case should be referred to the authorities of a State:

(i) in whose territory the crime was committed; or

(ii) in which the accused was arrested; or

(iii) having jurisdiction and being willing and adequately prepared to accept such a case, so that those authorities should forthwith refer the case to the appropriate court for trial, within that State.

(B) The Trial Chamber may order such referral proprio motu or at the request of the Prosecutor, after having given to the Prosecutor and, where the accused is in the custody of the Tribunal, the accused, the opportunity to be heard.

c) In de Nederlandse wetgeving is in het bijzonder van belang de Instellingswet Joegoslavië-tribunaal (zie noot 2) . In deze wet, waarvan de na te noemen bepalingen ook voor het Rwanda-tribunaal gelden, wordt onder meer bepaald:

Artikel 2.

Op verzoek van het Tribunaal kunnen personen aan het Tribunaal ter vervolging en berechting worden overgeleverd ter zake van strafbare feiten waarvan het Tribunaal ingevolge zijn Statuut bevoegd is kennis te nemen.

Artikel 9.

1. Aan verzoeken van het Tribunaal om enigerlei vorm van rechtshulp, gericht tot een al dan niet met name aangeduid orgaan van de justitie of politie in Nederland, wordt zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.

2. De artikelen 552i, 552j, 552n, 552o tot en met 552q - met uitzondering van de verwijzing in artikel 552p, vierde lid, naar artikel 552d, tweede lid - van het Wetboek van Strafvordering en artikel 51, eerste en vierde lid, van de Uitleveringswet zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Vertegenwoordigers van het Tribunaal wordt desverzocht toegestaan bij de uitvoering van verzoeken, als bedoeld in het eerste lid, tegenwoordig te zijn en de nodige vragen te doen stellen aan bij die uitvoering betrokken personen.

4. De met de uitvoering van verzoeken om rechtshulp belaste Nederlandse autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van daarbij betrokken personen en zijn te dien einde bevoegd voorwaarden te stellen aan de wijze waarop aan verzoeken om rechtshulp uitvoering wordt gegeven.

Artikel 11.

1. Op verzoek van het Tribunaal kunnen door het Tribunaal bij onherroepelijke uitspraak opgelegde vrijheidsstraffen in Nederland worden tenuitvoergelegd.

2. Op verzoek van het Tribunaal kan te dien einde de veroordeelde voorlopig worden aangehouden.

3. De officier van justitie of hulpofficier te 's-Gravenhage is bevoegd de voorlopige aanhouding te bevelen.

4. De artikelen 9, tweede tot en met vijfde lid, 10, 11, eerste lid en tweede lid, onder a, en 12 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen zijn van overeenkomstige toepassing.

5. Op verzoek van het Tribunaal kunnen door het Tribunaal bij onherroepelijke uitspraak uitgevaardigde bevelen tot restitutie als bedoeld in artikel 24, derde lid, van het Statuut in Nederland worden tenuitvoergelegd. De artikelen 13, 13a, 13b en 13d tot en met 13f - met uitzondering van de verwijzing in artikel l3d, tweede lid, naar artikel 552d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering - van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen zijn van overeenkomstige toepassing.

25. Uit deze bepalingen vallen naar 's hofs oordeel de navolgende conclusies te trekken:

a) bij de overdracht van strafvervolging aan het Rwandatribunaal dient aan een daartoe strekkend verzoek zonder voorbehoud te worden voldaan, terwijl de overdracht door het Tribunaal blijkens Rule 11 bis RPE in de onder (iii) genoemde situatie niet alleen afhankelijk is van de bereidheid van de ontvangende staat, maar ook van het bestaan van jurisdictie.

Die jurisdictievraag wordt (met andere vragen) door het Rwanda-tribunaal uitgebreid getoetst voordat een verzoek tot overname door een staat tot stand komt. Het hof verwijst in dit verband naar de beslissing van Trial Chamber III van 19 mei 20068, waarin het Tribunaal de overdracht van de strafvervolging van Bagaragaza aan Noorwegen weigerde omdat Noorwegen ratione materiae geen 'jurisdictie' (in de zin van strafbaarstelling van genocide) had en 'slechts' op grond van commune delicten zou kunnen vervolgen. Noorwegen had (blijkens noot 11 van deze beslissing) het Genocideverdrag wel geratificeerd maar niet in zijn nationale wetgeving geïmplementeerd.

Het hof leidt hieruit af dat overname van strafvervolging van het Tribunaal op grond van Rule 11bis RPE slechts kan geschieden indien de daartoe aan te zoeken staat zelfstandige (originaire) rechtsmacht heeft. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de Prosecutor in het geval van een niet bij het Tribunaal aangebrachte zaak niet aan deze voorwaarde voor (een verzoek tot) overname gebonden zou zijn;

b) Artikel 28 van het Statuut verplicht staten tot samenwerking met het Tribunaal en noemt in het tweede lid enuntiatief een aantal verzoeken tot rechtshulp waaraan onverwijld moet worden voldaan. Met de rechtbank (r.ov. 75) is het hof van oordeel dat deze verplichtingen blijkens de bewoordingen van het artikel in de sleutel staan van onderzoek en vervolging door het Tribunaal zelf.

Het voorschift van Rule 11 bis RPE heeft betrekking op de overdracht van de vervolging aan een staat en vindt in zoverre dus geen grondslag in artikel 28 van het Statuut. Uit het kennelijke verband met de hierna (§ 26) te noemen Completion Stategy ingevolge opdracht van de Veiligheidsraad leidt het hof af dat Rule 11bis RPE rechtstreekse grondslag in het Handvest vindt. Maar zulks leidt er niet toe dat uit die Rule méér bevoegdheden van de Prosecutor voortvloeien of daarmee samenhangende verplichtingen van staten moeten worden afgeleid dan uit de bewoordingen van die Rule volgen. En in Rule 11bis A, onder (iii), wordt - zoals hierboven al werd geconstateerd - uitdrukkelijk uitgegaan van de overdracht aan een staat die al (originaire) jurisdictie heeft.

Om die reden kan naar 's hofs oordeel dus niet worden gezegd dat via het Handvest van de Verenigde Naties, voorschriften in het Statuut van het, Rwanda-tribunaal en/of de Rules of Procedure and Evidence het door de Prosecutor gedane verzoek tot overname van strafvervolging in de onderhavige zaak een verdragsrechtelijke rechtsplicht voor Nederland oplevert die dit verzoek maakt tot een verzoek als bedoeld in artikel 4a Sr.

Het hof wijst in dit verband op de ter terechtzitting in hoger beroep van de zijde van de advocaat-generaal overgelegde 'short paper', gevoegd als bijlage bij bovenvermeld e-mailbericht van de Prosecutor van 30 november 2007 (zie § 8), met betrekking tot de verhouding tussen artikel 28 van het Statuut van het Rwandatribunaal en artikel 11 bis van de Rules of Procedure and Evidence. In deze paper wordt onder meer aandacht besteed aan de jurisprudentie van the Appeals Chamber (van het Joegoslavië-tribunaal) met betrekking tot deze artikelen. Uit deze jurisprudentie kan worden afgeleid dat the Appeals Chamber van oordeel is dat er voor staten noch op basis van artikel 28 van het Statuut van het Tribunaal, noch op basis van artikel 11bis van de Rules of Procedure and Evidence, een verplichting bestaat tot overname van strafvervolging van het Tribunaal.

c) In de hiervoor genoemde Instellingswet is beproefd de uit het Statuut van het Rwanda-tribunaal voortvloeiende verplichtingen te 'vertalen' naar de Nederlandse situatie, rekening houdende met de overige Nederlandse wetgeving. Zo is in de Instellingswet een brug naar de uitleveringswetgeving, de wetgeving inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen en naar de regelgeving met betrekking tot de (algemene) internationale kleine rechtshulp in strafzaken geslagen.

Het hof kan - met de rechtbank (r.ov. 77) - niet anders vaststellen dan dat de Nederlandse wetgever (welbewust dan wel abusievelijk) heeft nagelaten om de overname van strafvervolging door Nederland te regelen. Die zou (anders dan bij de overdracht van de tenuitvoerlegging van beslissingen van het Tribunaal) ook nog wel zonder verdrag kunnen plaatshebben, maar dan zonder de jurisdictie-uitbreiding die in artikel 4a Sr is voorzien.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de rechter niet bevoegd is deze - thans kennelijk als zodanig door het openbaar ministerie ervaren - lacune bij wege van ook wat dit betreft louter teleologische interpretatie op te vullen.

26. Het verzoek van de Prosecutor is blijkens de toelichting ingegeven door de zogenoemde Completion Strategy van het Rwanda-tribunaal, die er - ingevolge opdracht van de Veiligheidsraad (Resolutie 1503 (2003) van 28 augustus 2003) - op is gericht zich te concentreren op de "most senior leaders suspected of being most responsible" voor de misdrijven ten aanzien waarvan het Tribunaal bevoegd is, de werkzaamheden uiterlijk in 2010 af te ronden en met het oog daarop "intermediate- and lower-rank accused" over te dragen aan "competent national jurisdictions". Ook de tekst van deze Resolutie kan dus geen relevante verplichting scheppen, nu Nederland niet over de vereiste (originaire) rechtsmacht (competence) beschikt.

Het Genocideverdrag

27. Met betrekking tot de rechtsmacht die op het Genocideverdrag kan worden gebaseerd, zijn in het bijzonder de artikelen V en VI van dat verdrag en hun transformatie naar artikel 5 van de Uitvoeringswet Genocideverdrag van belang.

Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide

Article V

The Contracting Parties undertake to enact, in accordance with their respective Constitutions, the necessary legislation to give effect to the provisions of the present Convention, and, in particular, to provide effective penalties for persons guilty of genocide or any of the other acts enumerated in article III.

Article VI

Persons charged with genocide or any of the other acts enumerated in article III shall be tried by a competent tribunal of the State in the territory of which the act was committed, or by such international penal tribunal as may have jurisdiction with respect to those Contracting Parties which shall have accepted its jurisdiction.

Uitvoeringswet Genocideverdrag, artikel 5

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander, die zich buiten Nederland schuldig maakt:

1°. aan een misdrijf omschreven in (de artikelen 1 en 2 van deze wet;

2°. aan het misdrijf omschreven in artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht, indien het (strafbare feit of het misdrijf waarvan in dat artikel gesproken wordt, is een misdrijf als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van deze wet.

2. De vervolging kan ook plaats hebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit Nederlander wordt.

Het hof stelt vast dat het Genocideverdrag op zichzelf, gelet op het bepaalde in artikel V, alle ruimte geeft voor een ruime, zelfs (secundair) universele vestiging van rechtsmacht, zoals het Internationaal Gerechtshof in zijn arrest van 11 juli 19969, § 31, besliste:

"The Court sees nothing in this provision which would make the applicability of the Convention subject to the condition that the acts contemplated by it should have been committed within the framework of a particular type of conflict. The contracting parties expressly state therein their willingness to consider genocide as "a crime under international law", which they must prevent and punish independently of the context "of peace" or "of war" in which it takes place. In the view of the Court, this means that the Convention is applicable, without reference to the circumstances linked to the domestic or international nature of the conflict, provided the acts to which it refers in Articles II and III have been perpetrated. In other words, irrespective of the nature of the conflict forming the background to such acts, the obligations of prevention and punishment which are incumbent upon the States parties to the Convention remain identical.

As regards the question whether Yugoslavia took part - directly or indirectly - in the conflict at issue, the Court would merely note that the Parties have radically differing viewpoints in this respect and that it cannot, at this stage in the proceedings, settle this question, which clearly belongs to the merits.

Lastly, as to the territorial problems linked to the application of the Convention, the Court would point out that the only provision relevant to this, Article VI, merely provides for persons accused of one of the acts prohibited by the Convention to "be tried by a competent tribunal of the State in the territory of which the act was committed . . .". It would also recall its understanding of the object and purpose of the Convention, as set out in its Opinion of 28 May 1951, cited above:

"The origins of the Convention show that it was the intention of the United Nations to condemn and punish genocide as 'a crime under international law' involving a denial of the right of existence of entire human groups, a denial which shocks the conscience of mankind and results in great losses to humanity, and which is contrary to moral law and to the spirit and aims of the United Nations (Resolution 96 (1) of the General Assembly, December 11 th 1946).

The first consequence arising from this conception is that the principles underlying the Convention are principles which are recognized by civilized nations as binding on States,, even without any conventional obligation. A second consequence is the universal character both (of the condemnation of genocide and of the co-operation required 'in order to liberate mankind from such an odious scourge" (Preamble to the Convention)."

(I.C.J. Reports 1951, p. 23.)

It follows that the rights and obligations enshrined by the Convention are rights and obligations erga omnes. The Court notes that the obligation each State thus has to prevent and to punish the crime of genocide is not territorially limited by the Convention."

De wetgever heeft er destijds in de uitvoeringswet echter voor gekozen om 'slechts' een actief personaliteitsbeginsel toe te passen. Het is van belang vast te stellen dat Nederland daarmee zijn verdragsrechtelijke verplichtingen niet tekort heeft gedaan, zoals kan worden afgeleid uit de recente beslissing van het Internationaal Gerechtshof van 26 februari 200710. Paragraaf 442 van deze beslissing luidt:

"The Court would first recall that the genocide in Srebrenica, the commission of which it has established above, was not carried out in the Respondent's territory.

It concludes from this that the Respondent cannot be charged with not having tried before its own courts those accused of having participated in the Srebrenica genocide, either as principal perpetrators or as accomplices, or of having committed one of the other acts mentioned in Article III of the Convention in connection with the Srebrenica genocide. Even if Serbian domestic law granted jurisdiction to its criminal courts to try those accused, and even supposing such proceedings were compatible with Serbia's other international obligations, inter alia its obligation to co-operate with the ICTY, to which the Court will revert below, an obligation to try the perpetrators of the Srebrenica massacre in Serbia's domestic courts cannot be deduced from Article VI. Article VI only obliges the Contracting Parties to institute and exercise territorial criminal jurisdiction; while it certainly does not prohibit States, with respect to genocide, from conferring jurisdiction on their criminal courts based on criteria other than where the crime was committed which are compatible with international law, in particular the nationality of the accused, it does not oblige them to do so."

De hiervoor bedoelde (secundaire) universele rechtsmacht voor (onder meer) genocide is inmiddels wél neergelegd in artikel 3 van de Wet internationale misdrijven, die sedert 1 oktober 2003 geldt, zoals hiervoor (§ 12) werd aangegeven. In die paragraaf werd óók vastgesteld dat de wetgever er destijds welbewust voor heeft gekozen om aan deze regeling géén terugwerkende kracht te verlenen. Het hof wijst in dit verband nog op het antwoord van de Minister van Justitie op Kamervragen11 die naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank in de onderhavige zaak werden gesteld:

"De overweging van de rechtbank dat zij zich geconfronteerd ziet met een lacune in de bestaande regelgeving, welke zij niet kan oplossen door middel van een redelijke wetsuitleg, berust op de bewoordingen van voornoemde multilaterale verdragen. Voor zover de rechtbank overweegt dat er ten tijde van de ten laste gelegde feiten geen nationale wettelijke bepaling van toepassing was die voorzag in rechtsmacht ten aanzien van genocide, dient opgemerkt te worden dat deze niet-toepasselijkheid voortvloeit uit de keuze van de Nederlandse wetgever en de stand van het internationale recht toentertijd om geen ruime extraterritoriale rechtsmacht te vestigen.

Nederland kent thans op grond van de Wet internationale misdrijven, in werking getreden per 1 oktober 2003, een ruimere rechtsmachtregeling voor onder meer het misdrijf genocide. De wetgever heeft bij de totstandkoming van deze wet er uitdrukkelijk voor gekozen geen terugwerkende kracht toe te kennen aan deze verruimde rechtsmachtregeling."

28. Gelet op de wijze waarop hier te lande aan het Genocideverdrag uitvoering is gegeven, vermag het hof niet in te zien dat dit verdrag thans - via artikel 4a Sr - rechtsmacht zou kunnen scheppen. Het hof wijst er - ten overvloede - wederom op dat de wetgever bij de implementatie van verdragen moet kiezen in hoeverre hij facultatieve verplichtingen in de Nederlandse wetgeving wil implementeren.

Mini-verdrag?

29. Ten slotte is de vraag aan de orde of wellicht in de onderhavige zaak een andere overeenkomst een verdrag in de zin van artikel 4a Sr kan opleveren.

In de hierboven in § 8 omschreven correspondentie van de Prosecutor van het Rwanda-tribunaal met organen van de Staat der Nederlanden zijn op zichzelf zekere aanknopingspunten te vinden voor de veronderstelling dat beide organen afspraken hebben gemaakt over de overdracht van de onderhavige zaak, zodat de vraag zou kunnen rijzen of het de bedoeling is geweest daarover een 'verdrag' (in materiële zin) te sluiten.

Het openbaar ministerie is van mening dat deze vraag bevestigend kan worden beantwoord nu er sprake is van wilsovereenstemming en voldoende bepaald is wat het onderwerp van de overeenkomst is. Er zijn in de visie van het openbaar ministerie termen aanwezig om van een verdrag in de zin van artikel 4a Sr te spreken. Het openbaar ministerie verwijst ter onderbouwing van dit standpunt onder meer naar het op zijn verzoek uitgebrachte advies van 30 november 2007 van K. Brölmann, Universitair hoofddocent Internationaal Recht aan de Universiteit van Amsterdam. In dit advies wordt onder meer geconcludeerd dat - uitgaande van de vormvrijheid van verdragen - het internationaal recht zich er niet tegen verzet de correspondentie tussen de Prosecutor van het Rwanda-tribunaal en de Minister van Justitie te beoordelen als een internationaal-juridische overeenkomst of 'verdrag' in de volkenrechtelijke zin. Brölmann komt tot deze conclusie op grond van het navolgende: De afspraak tussen de Nederlandse Minister en de aanklager van het Tribunaal berust op (i) een tweezijdige communicatie; (ii) met een normatieve inhoud; (iii) tussen internationale rechtspersonen, (iv) vertegenwoordigd door (naar relevant intern recht) 'organen' die vanuit volkenrechtelijk perspectief kunnen worden geacht te beschikken over verdragssluitende bevoegdheid. Hiermee beantwoordt de afspraak naar de mening van Brölmann aan de definitie van 'verdrag'.

Voorts wijst het openbaar ministerie op de reactie van de Prosecutor van het Rwanda-tribunaal zoals weergegeven in § 8. In antwoord op het schriftelijk verzoek van de advocaat-generaal heeft de Prosecutor bericht dat een overeenkomst gesloten is met de Nederlandse autoriteiten betreffende de ovemame van strafvervolging van de verdachte.

De Prosecutor stelt in het bericht onder meer:

".. there was an agreement between the Prosecutor of the ICTR and authorities in the Netherlands concerning the transfer of the case against [verdachte] as far as proceedings for the crimes of genocide are concerned".

en voorts:

"In the opinion of the ICTR Prosecutor the agreement was binding upon delivery of the assent to the Request by the Minister of Justice of the Kingdom of the Netherlands."

Het verzoek van de Prosecutor en de brief van de Minister van Justitie aan de officier van justitie kunnen volgens het Ministerie van Buitenlandse Zaken daarentegen niet worden aangemerkt als een verdrag in volkenrechtelijke zin. Dit standpunt, zoals weergegeven in een brief van 22 november 2007 van de Juridisch Adviseur, Hoofd van de afdeling Intemationaal Recht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de advocaat-generaal, is onder meer gebaseerd op de overweging dat schriftelijke wilsovereenstemming de basis vormt van een verdrag in volkenrechtelijke zin. Nu in de onderhavige zaak op het schriftelijke verzoek van de Aanklager van het Rwanda Tribunaal tot ovemame van strafvervolging geen schriftelijke reactie van de zijde van de Nederlandse autoriteiten is gevolgd is aan deze voorwaarde niet voldaan.

Het hof overweegt dat in de hierboven in paragraaf 8 omschreven correspondentie tussen de Prosecutor van het Rwanda-tribunaal en organen van de Staat der Nederlanden op zichzelf zekere aanknopingspunten te vinden zijn voor de veronderstelling dat beide organen afspraken hebben gemaakt over de overdracht van de onderhavige zaak.

Nu het hof geen aanleiding ziet om de bevoegdheid van de Prosecutor om dergelijke afspraken te maken in twijfel te trekken, gaat het hof er vanuit dat er aldus een - uitermate vormvrij - verdrag is gesloten tussen de Prosecutor en de Nederlandse Minister van Justitie.

Vervolgens rijst de vraag of een dergelijk - vormvrij - verdrag kan worden beschouwd als een verdrag in de zin van artikel 4a Sr. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Het hof overweegt daartoe onder meer dat artikel 4a Sr naar het oordeel van het hof ziet op een algemene regeling die onder meer voldoet aan de eisen van kenbaarheid. Daaraan is - als overwogen - niet voldaan.

Ook staat artikel 91 van de Grondwet eraan in de weg dat het Koninkrijk aan een dergelijk verdrag wordt gebonden nu bedoeld vormvrij verdrag niet kan worden geschaard onder de gevallen, waarvoor geen goedkeuring is vereist.

Voorts overweegt het hof dat de regelingen van rechtsmacht een expliciet en gesloten stelsel zijn met een hoog openbare-orde-gehalte.

Gelet op artikel 94 van de Grondwet kan daarvan niet op grond van het ongeschreven gewoonterecht, doch slechts op grond van een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties worden afgeweken.

Een en ander zou mogelijk anders zijn geweest, indien de Verenigde Naties met de Nederlandse autoriteiten een verdrag zouden hebben gesloten waarin werd vastgelegd dat in het kader van de Completion Strategy de strafvervolging van verdachten, wier zaken (nog) niet bij het Tribunaal zijn aangebracht, in overleg aan Nederland zal kunnen worden overgedragen, ook in de gevallen waarin Nederland geen originaire rechtsmacht heeft.

Slotsom

30. Het voorgaande leidt het hof tot de navolgende conclusie.

Met betrekking tot de regeling van de rechtsmacht in geval van genocide heeft zich in de afgelopen decennia kennelijk een ontwikkeling in de internationale en nationale opvattingen voltrokken, die ertoe heeft geleid dat in de Wet internationale misdrijven een ruime rechtsmachtregeling tot stand is gebracht, waaraan echter geen terugwerkende kracht is toegekend.

De omstandigheden waarvan bij de instellingswetgeving voor de tribunalen werd uitgegaan, zijn met de voorgeschreven Completion Strategy van de Tribunalen ingrijpend gewijzigd en hebben ertoe geleid dat de behoefte is gerezen om strafzaken van (in casu) het Rwanda-tribunaal over te nemen. Het hof heeft echter moeten vaststellen dat het Nederlandse wettelijke instrumentarium op het punt van de afgeleide rechtsmacht tekort schiet12.

Hoezeer het hof oog heeft voor de wens om de ernstigste misdrijven, waarvan in casu sprake is, niet onvergolden te laten (zoals in de Memorie van Toelichting bij de Wet Internationale Misdrijven wordt beklemtoond), die wens kan echter niet voldoende grondslag voor rechtsmacht ter zake van genocide opleveren. Het hof stipuleert daarbij dat de bovenstaande overwegingen geen betrekking hebben op de (voortgezette) vervolging van dezelfde feitencomplexen in de vorm van oorlogsmisdrijven of foltering.

31. Het vorenstaande dient ertoe te leiden dat het openbaar ministerie in zijn vervolging van de verdachte ter zake van genocide niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Voetnoten:

1 LJN: AB1471, NJ 2002,559, m.nt. JR

2 Wet van 21-04-1994, Stb. 308, tot instelling van het Internationaal Tribunaal voor vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sedert 1991 (hierna: Instellingswet)

3 Kamerstukken II 1993-1994, 23 542, nr. 3, p. 2

4 Kamerstukken II, 1995-1996, 24 818, nr. 3, p. 2

5 Decision on Prosecution's request for referral of the indictment to the Kingdom of the Netherlands; Case No. ICTR-2005-86-llbis; Trial Chamber III, decision of 13 April 2007, § 18 e.v.

6 Kamerstukken II, 1979-1980, 15 972, nrs. 1-3, p. 8

7 Rijkswet van 2-7-1993, Stb. 387. Zie Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1990-1991, 22 080 (R 1406), nr.3, blz 11-12

8 Vgl. noot 5

9 Case concerning application of the Convention on the prevention and punishment of the crime of genocide - Bosnia and Herzegovina v Yougoslavia

10 Case concerning the application of the Convention on the prevention and punishment of the crime of genocide - Bosnia and Herzegovina v Serbia and Montenegro

11 Aanhangsel Hand. TK 2006-2007 nr 2466

12 De Instellingswetgever Rwanda-tribunaal gaf ervan blijk te beseffen dat 'niet direct voorstelbaar' is dat Nederland toerekende (originaire) rechtsmacht zou hebben. Het Rwanda-tribunaal heeft echter het primaat en Nederland kan zonder meer aan een verzoek tot overlevering voldoen ... Zie Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II, 1995-1996, 24 818, nr.5, p.6."

6. Beoordeling van het middel van de Advocaat-Generaal bij het Hof

6.1. Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat aan art. 4a Sr geen zogenoemde afgeleide rechtsmacht kan worden ontleend.

6.2. Het gaat in de onderhavige zaak om een Rwandees die ervan wordt beschuldigd dat hij - voor zover in cassatie van belang - in 1994 in Rwanda misdrijven in de zin van art. 1 Uitvoeringswet genocideverdrag heeft gepleegd tegen niet-Nederlanders. Het middel bestrijdt niet dat Nederland in dit geval geen zogenoemde originaire rechtsmacht heeft, zoals de Rechtbank en het Hof met juistheid hebben geoordeeld.

De omstandigheid dat de verdachte zich in Nederland bevindt, is niet voldoende voor het aannemen van rechtsmacht. Weliswaar verklaart art. 2, eerste lid aanhef en onder a, van de Wet internationale misdrijven in zo een geval de Nederlandse strafwet toepasselijk ten aanzien van misdrijven als de onderwerpelijke, doch deze wet is eerst in werking getreden op 1 oktober 2003. Noch in die wet noch elders is terugwerkende kracht toegekend aan die rechtsmachtvoorziening, ook al zou - mede gelet op art. 7, tweede lid, EVRM - geen rechtsregel zich daartegen hebben verzet.

6.3. Het vorenoverwogene brengt mee dat de verdachte slechts dan in Nederland kan worden vervolgd en berecht ter zake van genoemde misdrijven indien is voldaan aan de in art. 4a Sr genoemde voorwaarden voor het vestigen van zogenoemde afgeleide rechtsmacht, te weten dat de strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt.

6.4. Het middel klaagt in het eerste onderdeel over het oordeel van het Hof dat het Rwanda-tribunaal niet kan worden aangemerkt als een 'vreemde staat' in de zin van art. 4a Sr, van welke staat Nederland de strafvervolging bij verdrag zou kunnen overnemen.

6.5.1. Bij de totstandkoming van art. 4a Sr zal de wetgever niet voor ogen hebben gehad dat deze bepaling ook zou omvatten de overdracht van een strafvervolging door een VN-tribunaal als het onderhavige aan Nederland, maar heeft hij daarin het begrip 'staat' gehanteerd in de specifieke betekenis die dit begrip in het (nationale en internationale) juridische spraakgebruik heeft. Het terminologisch onderscheid tussen 'staat' en 'tribunaal' is tot op heden algemeen gangbaar gebleven. Daarom dient, behoudens aanwijzingen van het tegendeel, ervan te worden uitgegaan dat ook thans nog onder het begrip 'vreemde staat' in art. 4a Sr deze tribunalen niet zijn begrepen.

Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever nadien, na de instelling van deze tribunalen en de in het verband daarvan noodzakelijk geachte uitvoeringswetgeving, het gebruikelijke taalkundige onderscheid tussen de begrippen 'staat' en 'tribunaal' in andere wetten heeft losgelaten. Ook bij de wijziging van art. 4a Sr bij de wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 24 heeft de wetgever geen blijk ervan gegeven dat hij onder het begrip 'staat' een tribunaal begrepen acht en dat hij daarom in het kader van de overdracht van de strafvervolging door een tribunaal aan Nederland voor enige aanvulling of wijziging van art. 4a Sr geen noodzaak aanwezig oordeelde. Dat geldt evenzo voor het recente wetsvoorstel Partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met rechtsontwikkelingen, internationale verplichtingen en geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten (Kamerstukken II 2007-2008, 31 391).

6.5.2. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het Hof juist. De enkele omstandigheid dat, zoals het middelonderdeel betoogt, een extensieve interpretatie van een bepaling als art. 4a Sr in het algemeen mogelijk is, maakt dat niet anders.

6.6. Het middel bevat in het tweede onderdeel de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 4a Sr geen grondslag biedt voor de overname van de strafvervolging van het Rwanda-tribunaal door Nederland, nu er volgens het Hof geen verdrag bestaat tussen Nederland en het Rwanda-tribunaal als bedoeld in die bepaling.

6.7.1. Een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt als bedoeld in art. 4a Sr, is een verdrag waarbij voor Nederland zogenoemde afgeleide rechtsmacht wordt gevestigd. Het Hof heeft geoordeeld dat zodanig verdrag in het onderhavige geval, waarin de Prosecutor bij het Rwanda-tribunaal Nederland heeft verzocht de strafvervolging van de verdachte ter zake van in 1994 in Rwanda gepleegde genocide over te nemen, ontbreekt.

6.7.2. Het onderdeel berust naar de kern genomen op de opvatting dat, gelet op doel en strekking van het Handvest van de Verenigde Naties, het Statuut van het Rwanda-tribunaal en de zogenoemde, op Resolutie 1503 (2003) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 28 augustus 2003 gebaseerde, Completion Strategy, in verbinding met art. 11bis van de Rules of Procedure and Evidence van het Rwanda-tribunaal - waaruit de verplichting voortvloeit tot samenwerking tussen staten en het Rwanda-tribunaal op het gebied van rechtshulp, overlevering en overdracht ter zake van de in die Resolutie omschreven ernstige misdrijven tegen het internationale humanitaire recht - van een 'verdrag' als bedoeld in art. 4a Sr ook sprake is in het geval, zoals hier, de Prosecutor bij het Rwanda-tribunaal de overneming van de strafvervolging van de verdachte heeft verzocht en de Minister van Justitie daarmee mondeling heeft ingestemd.

Die opvatting is onjuist. Het Hof heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat in vestiging van rechtsmacht niet is voorzien in een verdrag als bedoeld in art. 4a Sr waaraan Nederland rechtsmacht heeft kunnen ontlenen, aangezien zodanige verdragsgrondslag niet kan worden gevonden in de hierboven genoemde regelingen, noch in enig ander verdrag, en in dit geval evenmin in de bedoelde, door het Hof onder het hoofd "mini-verdrag" vermelde afspraak.

6.8. 's Hofs oordeel dat art. 4a Sr geen grondslag biedt voor afgeleide rechtsmacht van Nederland ten aanzien van de onderhavige overname van de strafvervolging, is dus juist, zodat de daartegen gerichte motiveringsklachten geen bespreking behoeven.

6.9. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

7. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde beroep

De gronden waarop het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging ter zake van op de dagvaarding met parketnummer 09/75000707 onder 1 tenlastegelegde brengen mee dat naar geldend recht een hernieuwde vervolging van de verdachte in Nederland te dier zake uitgesloten is. Noch uit de schriftuur noch uit de overige stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt, blijkt dat de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van beroep in cassatie tegen het bestreden arrest. Dit brengt mee dat de verdachte niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep;

verwerpt het door de Advocaat-Generaal bij het Hof ingestelde beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 21 oktober 2008.

Mr. De Hullu is buiten staat dit arrest te ondertekenen