Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD5879

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
08/00828 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 611
RvdW 2008, 779
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 juli 2008

Strafkamer

nr. 08/00828 H

IC/RR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 mei 2006, nummer 20/007821-05, ingediend door mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Breda van 9 februari 2005 - de aanvrager ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", 2a. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en 2b. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met onttrekking aan het verkeer en verbeurdverklaring als in het arrest omschreven.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. In de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd is, voor zover hier van belang, onder 1 ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat:

"hij op 30 januari 2004 te Waspik, gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."

3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van wat er zich in de containers bevond en dat derhalve niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het hem onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Naar aanleiding van CIE-informatie, inhoudende dat op een bedrijf in [plaats A], aan de [a-straat 1] (het hof begrijpt het perceel van verdachte) een vrachtwagen stond met daarop twee zeecontainers, waarin zich voorheen chemicaliën en materialen om chemicaliën te bewerken bevonden, heeft er op 30 januari 2004 een doorzoeking door de politie plaatsgevonden, waarbij een vrachtwagen met daarop vastgelast twee blauwe containers is aangetroffen.

Bij onderzoek aan de containers bleek dat er zich in die containers grote hoeveelheden MDMA bevonden, alsmede een grote hoeveelheid pillen (bevattende MDMA), andere stoffen, apparatuur en een laboratoriumopstelling voor de productie van synthetische drugs.

Ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het opzettelijk aanwezig hebben van de hoeveelheden MDMA en pillen (bevattende MDMA), acht het hof de navolgende feiten en omstandigheden - welke uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn komen vast te staan - van belang.

Uit de inhoud van het dossier is gebleken dat de inbeslaggenomen vrachtwagen, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] op naam van [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) was gesteld, hetgeen door medeverdachte [medeverdachte] is bevestigd in zijn verklaring bij de politie d.d. 4 februari 2004, waarin hij stelt dat hij zijn vrachtwagen op het terrein van verdachte op het perceel [a-straat 1] te [plaats A] aan verdachte ter beschikking heeft gesteld, teneinde twee containers buiten de loods van verdachte te brengen.

Ook is voor het hof komen vast te staan dat de twee blauwe containers aan verdachte toebehoorden, hetgeen verdachte in zijn verklaring bij de politie d.d. 4 februari 2004 alsmede ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 mei 2006 heeft bevestigd.

Voorts is vast komen te staan dat de twee containers gedurende langere tijd in een loods van verdachte hebben gestaan. Deze loods bevond zich op het terrein van verdachte. Het terrein van verdachte is door hekken omgeven en hij is degene die over sleutels van het terrein en van de loods op het terrein beschikt.

Met betrekking tot de gebeurtenissen rondom de "natte HISWA" in september 2003 acht het hof het navolgende van belang.

Werknemers van verdachte hebben verklaard dat zij in september 2003, toen zij terugkwamen van de "natte HISWA" en 's avonds het terrein van verdachte betraden, twee mannen hebben gezien, waarvan één man een witte overall droeg. Een van de twee aangetroffen mannen heeft aan de werknemers verteld dat hij zojuist verdachte aan de telefoon had en dat deze hem niet had gezegd dat er die avond nog werknemers zouden komen. Daarnaast heeft één van de werknemers van verdachte, getuige [getuige 1], de medeverdachte [medeverdachte] bij die gelegenheid in de loods gezien. Een andere werknemer van verdachte, getuige [getuige 2], heeft bij die gelegenheid gezien dat een van die twee mannen in de loods bij de twee containers stond. Weer een andere werknemer, getuige [getuige 3], heeft bij die gelegenheid gehoord dat een containerdeur in de loods werd dichtgegooid.

Uit het voorgaande maakt het hof op dat medeverdachte [medeverdachte] met medeweten van verdachte die avond op het terrein aanwezig was én bemoeienis met de containers heeft gehad.

Voorts is ten aanzien van de inhoud van de containers komen vast te staan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] - blijkens de verklaring van [medeverdachte] bij de politie d.d. 28 juli 2004 - gezamenlijk een aantal jerrycans in een van de containers hebben geplaatst. Verdachte heeft hierover in zijn verklaring bij de politie d.d. 9 februari 2004 verklaard dat het wel kan zijn dat [medeverdachte] verdachte heeft geholpen met het plaatsen van jerrycans in een van de containers. [Medeverdachte] heeft op 6 februari 2004 bij de politie verklaard dat hij bij het plaatsen van de jerrycans in de container heeft gekeken en dat hij heeft gezien dat er zich spullen, waaronder jerrycans, een betonmolen e.d. in de container bevonden. In zijn verklaring bij de politie d.d. 28 juli 2004 heeft [medeverdachte] gedetailleerder verklaard over de inhoud van de containers.

[Medeverdachte] heeft tevens in zijn verklaring bij de politie d.d. 5 februari 2004 verklaard dat hij tezamen met verdachte betrokken is geweest bij het bevestigen van de twee blauwe containers op de vrachtwagen van verdachte. In zijn verklaring bij de politie d.d. 28 juli 2004 heeft [medeverdachte] verklaard dat verdachte de containers buiten de loods heeft geplaatst en dat de containers door [medeverdachte] vanuit de loods naar een plaats buiten het terrein van verdachte zijn verplaatst. De twee containers zijn daarvoor door [medeverdachte], met medeweten van verdachte, vastgelast op de vrachtwagen. Deze verklaring wordt bevestigd door enkele getuigen, die verklaren dat de vrachtwagen met daarop de twee containers enige tijd in de loods heeft gestaan, alvorens hij in zijn geheel - en op enig moment aan elkaar vastgelast - buiten het terrein van verdachte is verplaatst.

Voorts heeft de politie bij de doorzoeking op 30 januari 2004 bij onderzoek naar de inhoud van de containers een volgelaatsmasker aangetroffen met daarop DNA-materiaal van medeverdachte [medeverdachte].

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk hoeveelheden MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, aanwezig heeft gehad.

Het hof verwerpt het verweer."

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

4.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde indien het Hof bekend zou zijn geweest met de verklaringen van [getuige 4] van 4 januari en 25 juni 2008.

Deze verklaringen houden - kort samengevat - in:

- dat [getuige 4] medio 2003 voor € 500,- per maand twee zeecontainers van de aanvrager heeft gehuurd, die in diens loods stonden;

- dat [getuige 4] op die containers grote hangsloten heeft aangebracht, de sleutels nooit aan de aanvrager of aan diens mededader [medeverdachte] heeft gegeven en zij niet wisten wat zich in de containers, waartoe zij geen toegang hadden, bevond;

- dat [getuige 4] de containers buiten medeweten van de aanvrager in gebruik heeft gegeven aan een in Bulgarije wonende Nederlander die inmiddels is overleden.

4.3. Gelet op 's Hofs hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen en mede tegen de achtergrond van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, waaruit het Hof onder meer de betrokkenheid van de aanvrager bij het aanwezig hebben van MDMA - productiemiddelen, grondstoffen en voorraden gereed product bevonden zich in vorenbedoelde containers - heeft afgeleid, kan de inhoud van de bedoelde verklaring niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 4.1 vermeld.

4.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 1 juli 2008.