Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD5828

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2008
Datum publicatie
03-10-2008
Zaaknummer
C07/086HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD5828
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Kwalificatie arbeidsongeschiktheidsverzekering als sommenverzekering; oordeel dat het ontbreken van een correctiebepaling inzake de verrekening van inkomsten een aanwijzing vormt dat de verzekering geen schadeverzekering is, is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 712
NJ 2009, 80 met annotatie van M.M. Mendel
RvdW 2008, 908
RAV 2008, 106
AV&S 2009, 7 met annotatie van E.J. Wervelman
NJB 2008, 1862
JWB 2008/397
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 oktober 2008

Eerste Kamer

Nr. C07/086HR

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M. Ynzonides,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. D. Rijpma.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Achmea en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerder] heeft bij exploot van 9 april 2003 Achmea gedagvaard voor de rechtbank Leeuwarden en gevorderd na wijziging van eis, kort gezegd, primair:

* te verklaren voor recht dat de door [verweerder] afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering een sommenverzekering is.

* Achmea te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te betalen de uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering verschuldigde periodieke uitkeringen te rekenen vanaf 1 januari 2002 tot de dag waarop in dezen vonnis wordt gewezen.

* Achmea te veroordelen om aan [verweerder] in de toekomst te blijven betalen de uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verschuldigde periodieke uitkeringen.

* Achmea te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een aanvullende vergoeding aan vermogenschade, geleden ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming van Achmea in de nakoming van de overeenkomst.

* Achmea te veroordelen aan [verweerder] te betalen een bedrag ad € 13.606,17 aan buitengerechtelijke incassokosten.

Voor het geval de verzekering geen sommenverzekering is, stelde [verweerder] een aantal vorderingen in die thans niet meer ter zake doen.

Achmea heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 augustus 2004 de primaire vorderingen toegewezen met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten.

Tegen dit vonnis heeft Achmea hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. [Verweerder] heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft, na een tussenarrest van 1 maart 2006 waarbij Achmea is opgedragen tot bewijslevering, bij eindarrest van 6 december 2006 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft Achmea beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Achmea mede door mr. K.M.W.A. Nijburg, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] is directeur-grootaandeelhouder van Aabo Trading Beheer B.V. Via deze beheersmaatschappij is hij eigenaar van een bedrijf dat zich richt op bitumineuze dakbedekking.

(ii) [Verweerder] heeft met ingang van 1 december 1987 een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij de rechtsvoorgangster van Achmea, FBTO (later Avéro).

(iii) In de bij de verzekeringsovereenkomst behorende algemene voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze voorwaarden wordt verstaan onder:

verzekerde

Degene wiens arbeidsgeschiktheid verzekerd is

(...)

OMVANG VAN DE DEKKING

Algemeen

Strekking van de verzekering

Artikel 3

Deze verzekering heeft ten doel uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid.

OMSCHRIJVING VAN DE DEKKING VOOR HET EERSTEJAARSRISICO (RUBRIEK A)

Begrip arbeidsongeschiktheid (rubriek A)

Artikel 4

Arbeidsongeschiktheid is aanwezig indien de verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van ongeval en/of ziekte voor tenminste 25% ongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan zijn op het polisblad vermelde beroep, zoals dat voor deze beroeps bezigheden in de regel en redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

(...)

OMSCHRIJVING VAN DE DEKKING VOOR HET NA-EERSTEJAARSRISCO (RUBRIEK B)

Begrip arbeidsongeschiktheid (rubriek B)

Artikel 7

Arbeidsongeschiktheid is aanwezig indien de verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van ongeval en/of ziekte voor tenminste 25% ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden, die voor zijn krachten en bekwaamheden zijn berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroegere werkzaamheden in redelijkheid van hem

verlangd kunnen worden. (...)

(...)

OMVANG VAN DE UITKERING

Artikel 15

De uitkering bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

25 tot 35% 30 % van het verzekerde dagloon

35 tot 45% 40 % van het verzekerde dagloon

45 tot 55% 50 % van het verzekerde dagloon

55 tot 65% 60 % van het verzekerde dagloon

65 tot 80% 75 % van het verzekerde dagloon

80 tot 100% 100 % van het verzekerde dagloon

(...)

BETALING VAN DE UITKERING

Artikel 16

Met inachtneming van het in de voorwaarden bepaalde is terzake van arbeidsongeschiktheid verzekerd een van dag tot dag verkregen wordende periodieke uitkering, die per dag - bij volledige arbeidsongeschiktheid - het overeengekomen dagloon bedraagt. (...)

(...)

EINDE VAN DE UITKERING

Artikel 17

De uitkering eindigt:

1. per de dag dat verzekerde niet meer minstens 25%

arbeidsongeschikt is. (...)"

(iv) Op het bij de verzekeringsovereenkomst behorende polisblad van 1 december 1987 is als beroep van [verweerder] vermeld "directeur groothandel bouwproducten". Op het polisblad is voor rubriek A een verzekerd dagloon vermeld van ƒ 219,-- en voor rubriek B een verzekerd dagloon van ƒ 170,--.

(v) Op 30 juni 1996 is [verweerder] betrokken bij een motorongeval, waarbij hij ernstig knieletsel heeft opgelopen.

(vi) Na het ongeval heeft [verweerder] zijn oude functie niet meer volledig uitgeoefend. [Verweerder] heeft ook na het ongeval inkomsten uit zijn vennootschappen ontvangen.

(vii) Achmea, althans haar rechtsvoorgangster, heeft [verweerder] vanaf 30 juni 1996 tot 1 januari 2002 (in wisselende percentages) op basis van de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitkeringen gedaan.

3.2 In dit geding heeft [verweerder] veroordeling gevorderd van Achmea tot doorbetaling van de periodieke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vanaf 1 januari 2002. Daartoe stelde hij zich primair op het standpunt, en vorderde hij te verklaren voor recht, dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering moet worden aangemerkt als een sommenverzekering, gelet op de polisbladen die het verzekerde bedrag en het jaarlijkse klimpercentage vermelden, het feit dat geen correctiebepaling in de verzekeringsvoorwaarden is opgenomen en het feit dat Achmea nimmer naar zijn inkomensgegevens of zijn inkomensontwikkeling heeft geïnformeerd. Voor het geval deze verzekering een schadeverzekering zou zijn, vorderde [verweerder] subsidiair uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van de door hem berekende inkomstenderving.

Hiertegen heeft Achmea onder verwijzing naar het bepaalde in art. 3 van de verzekeringsvoorwaarden, voor zover hier van belang, als verweer aangevoerd dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering een schadeverzekering is, nu uit dat artikel blijkt - en [verweerder] dan ook had moeten begrijpen - dat de verzekering ertoe strekt om schade te vergoeden, te weten: gederfd inkomen. Achmea stelde zich op het standpunt dat gezien de nettoresultaten van Aabo Trading Beheer B.V. en gezien het loon uit arbeid dat [verweerder] als directeur van [A] B.V. genoot, verdere uitkering kon worden geweigerd omdat er geen sprake was van inkomensderving.

De rechtbank heeft het standpunt van [verweerder] gevolgd en de vorderingen toegewezen als hiervoor vermeld onder 1.

In het door Achmea ingestelde hoger beroep heeft het hof in rov. 8 en 9 van zijn tussenarrest de grief van Achmea tegen het oordeel van de rechtbank dat [verweerder] de overeenkomst als een sommenverzekering heeft mogen opvatten, ongegrond bevonden en haar vervolgens een bewijsopdracht gegeven die in cassatie niet meer van belang is. In het eindarrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3.3 Het middel richt in de onderdelen 2 tot en met 5 - onderdeel 1 bevat geen zelfstandige klacht - rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in rov. 8 en 9 van het tussenarrest, dat voor [verweerder] uit de polisvoorwaarden, ook in samenhang met de offertes, niet in voldoende mate duidelijk kon zijn dat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsverzekering ertoe strekte daadwerkelijk geleden schade als gevolg van arbeidsongeschiktheid te vergoeden, hetgeen volgens het hof ertoe leidt dat de onderhavige verzekering niet als een schadeverzekering maar als een sommenverzekering moet worden aangemerkt.

3.4 Bij de beoordeling van deze klachten wordt vooropgesteld, dat ingevolge het - hier toepasselijke, sinds 1 januari 2006 geldende - art. 7:925 lid 1 BW een verzekeringsovereenkomst hetzij schadeverzekering, hetzij sommenverzekering is. Daarmee heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de wet slechts deze twee categorieën van verzekering kent, zij het dat niet is uitgesloten dat een overeenkomst deels schade-, deels sommenverzekering is. Art. 7:944 omschrijft de schadeverzekering als een verzekering strekkende tot vergoeding van vermogensschade die de verzekerde zou kunnen lijden, art. 7:964 de sommenverzekering als een verzekering waarbij het onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed. Dit laatste neemt niet weg dat ook sommenverzekeringen veelal worden gesloten met het oog op de mogelijkheid dat zich gevallen voordoen waarin de verzekerde schade zal lijden.

Met betrekking tot de in het tweede lid van art. 7:925 BW bedoelde persoonsverzekering, een verzekering die het leven of de gezondheid van een mens betreft, vermeldt de memorie van toelichting:

"Persoonsverzekering is hetzij schadeverzekering hetzij sommenverzekering. De belangrijkste persoonsverzekering in de schadesector is de ziektekostenverzekering. Onder persoonsverzekering als sommenverzekering valt allereerst de levensverzekering. Zij draagt niet als kenmerk vergoeding van schade. Ongevallen-, arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsverzekering strekken in beginsel wel tot vergoeding van schade, maar de daarvoor uit te keren vergoeding is reeds bij de overeenkomst vastgelegd, ongeacht of het bedrag door op geld waardeerbare schade wordt gerechtvaardigd. Daarom is ook hier sprake van sommenverzekering."

(Kamerstukken II, 1985-1986, 19 529, nr. 3, p. 6)

3.5.1 Het hof heeft in rov. 8 eerst overwogen dat uit het bepaalde in art. 3 van de polisvoorwaarden dat de verzekering ten doel heeft om uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, wellicht een aanwijzing valt te putten dat de verzekering beoogt een schadeverzekering te bieden, namelijk uitkering bij schade (derving van inkomen) als gevolg van arbeidsongeschiktheid van de verzekerde. Op grond van hetgeen het hof in rov. 8 verder heeft overwogen met inachtneming van de polisvoorwaarden in hun geheel, mede bezien in samenhang met de offertes, is het in rov. 9 tot de slotsom gekomen dat voor [verweerder] niet in voldoende mate duidelijk kon zijn dat

de onderhavige arbeidsongeschiktheidsverzekering ertoe strekte slechts daadwerkelijk geleden schade als gevolg van arbeidsongeschiktheid te vergoeden, reden waarom deze verzekering niet kan worden aangemerkt als een schadeverzekering maar als sommenverzekering moet worden aangemerkt.

Daartoe nam het hof in rov. 8, voor zover hier van belang en kort samengevat, het volgende in aanmerking:

(i) de polisvoorwaarden bevatten geen correctiebepaling (anticumulatiebeding) waarin is geregeld dat het hebben van inkomsten uit arbeid na het intreden van arbeidsongeschiktheid gevolgen heeft voor het recht op uitkering onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

(ii) de omvang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in de polisvoorwaarden is uitsluitend gekoppeld aan de "mate van arbeidsongeschiktheid" en niet aan de hoogte van de inkomstenderving (de schade);

(iii) de mate van arbeidsongeschiktheid zegt op zichzelf nog niets over de hoogte van de schade;

(iv) uit de offertes van 18 januari en 3 mei 1995 blijkt niet dat de hoogte van de uitkering op enigerlei wijze afhankelijk is gesteld van de omvang van de schade van de verzekerde als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid;

(v) de verzekering is niet tot stand gekomen door bemiddeling van een tussenpersoon maar rechtstreeks bij (de rechtsvoorgangster van) Achmea gesloten, en

(vi) er is geen praktijk dat Achmea als verzekeraar bij de verzekerde informeert naar de hoogte van de schade als gevolg van arbeidsongeschiktheid, terwijl Achmea ook nimmer inkomensgegevens van [verweerder] heeft opgevraagd, wat voor de hand zou hebben gelegen als de polis had beoogd schade van de verzekerde te vergoeden.

3.5.2 Op grond van de in 3.5.1 onder (i) tot en met (vi) vermelde overwegingen was het hof kennelijk van oordeel dat in de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ondanks hetgeen art. 3 van de polisvoorwaarden omtrent haar strekking inhoudt, de omvang van de uit te keren vergoeding reeds was vastgelegd en dat de bedongen vergoeding zou worden uitgekeerd ongeacht of het beloop daarvan door op geld waardeerbare schade werd gerechtvaardigd. Door aldus te oordelen en de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet reeds op grond van de enkele doelomschrijving in art. 3 van de polisvoorwaarden als een schadeverzekering aan te merken, heeft het hof gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 ten aanzien van de aard en strekking van een arbeidsongeschiktheidsverzekering is overwogen, niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

De rechtsklacht van onderdeel 2 faalt derhalve.

3.5.3 Het bestreden oordeel van het hof dat de onderhavige verzekering niet kan worden aangemerkt als een schadeverzekering maar moet worden aangemerkt als een sommenverzekering, behelst voor het overige een waardering van omstandigheden van feitelijke aard, welke waardering in cassatie verder niet op juistheid kan worden onderzocht. Het is, in het licht van de gedingstukken, niet onbegrijpelijk en behoefde niet nader te worden gemotiveerd. Met betrekking tot de in 3.5.1 onder (i) bedoelde grond, waarvan Achmea heeft betoogd dat de afwezigheid van een correctiebepaling juist wijst op het karakter van schadeverzekering nu bij een dergelijke verzekering reeds op grond van het wettelijk indemniteitsbeginsel verrekening van inkomsten dient plaats te vinden, verdient opmerking dat in de polis van een arbeidsongeschiktheidsverzekering die een schadeverzekering is, een bepaling inzake de verrekening van inkomsten bepaald niet overbodig is, nu immers duidelijk moet zijn op welke wijze de verrekening van inkomsten dient plaats te vinden, in het bijzonder over welke tijdvakken die inkomsten telkens vastgesteld moeten worden. 's Hofs ordeel dat het ontbreken van zo'n correctiebepaling een aanwijzing vormt dat de verzekering geen schadeverzekering is, is dan ook niet onbegrijpelijk.

Op het voorgaande stuiten alle motiveringsklachten van de onderdelen 2 tot en met 4 af.

3.5.4 Onderdeel 5 bouwt op de voorafgaande onderdelen voort en moet het lot daarvan delen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Achmea in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 oktober 2008.