Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD5475

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
43654
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6068, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 16, lid 1 en lid 4, AWR. Nieuw feit? Motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2008/238
V-N 2008/32.5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.654

27 juni 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 juli 2006, nr. 05/00079, betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1995 tot en met 2002 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede boetes. De navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd voor wat betreft de navorderingsaanslagen voor de jaren 1995 en 1996 en alle boetebeschikkingen, en die aanslagen en boetebeschikkingen vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. T.M.T.M. Lindeman, advocaat te Maastricht.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur ten tijde van het opleggen van elk van de onderhavige navorderingsaanslagen over een nieuw feit beschikte als bedoeld in artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

3.2. Het Hof heeft te dier zake in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak geoordeeld dat de Inspecteur voor wat betreft de voor de jaren 1995 en 1996 opgelegde navorderingsaanslagen niet geslaagd is in de op hem rustende bewijslast dat zulks het geval was.

3.3. De in de middelen 1 en 2 en middelonderdeel 3C vervatte klacht dat het Hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan belanghebbendes stelling dat de Inspecteur ook met betrekking tot de navorderingsaanslagen voor de jaren 1997 tot en met 2002 geen nieuw feit ter beschikking stond, slaagt. Uit 's Hofs uitspraak blijkt niet dat het Hof belanghebbendes hiervoor weergegeven stelling in zijn oordeel heeft betrokken. In zoverre is 's Hofs uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4. De middelonderdelen 3A en 3B kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelonderdelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5. Gelet op het hiervóór in 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Opmerking verdient dat, indien het verwijzingshof tot de conclusie komt dat de Inspecteur voor de jaren 1997 en 1998 over een nieuw feit beschikte, het ermee rekening dient te houden dat bij de arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nrs. 43050 en 43670, V-N 2008/16.5 en 16.4, aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is verzocht uitspraak te doen over prejudiciële vragen over de verenigbaarheid van de navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR met het EG-recht.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 105, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2008.