Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD5237

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
01058/07 Hs
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2005:AT1036
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening geurproef. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder dat resultaat de feitenrechter o.g.v. het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter aanvrager zou hebben vrijgesproken en is in dat geval derhalve sprake van een omstandigheid a.b.i. art. 457.1.2º Sv. Uit het vonnis van de Rb en uit de overwegingen van het Hof t.a.v. het bewijs kan worden afgeleid aan welke bewijsmiddelen het Hof de bewezenverklaring zal hebben ontleend. Hieruit blijkt niet dat het resultaat van de geuridentificatieproef tot het bewijs is gebezigd. I.c. is geen sprake van een ernstig vermoeden dat het Hof aanvrager zou hebben vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 519
RvdW 2008, 708
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2008

Strafkamer

nr. 01058/07 Hs

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 15 maart 2005, nummer 21/005137-03, ingediend door mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft de aanvrager ter zake van 1. "diefstal", 2. en 3. telkens "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels", 4. subsidiair en 7. subsidiair telkens "medeplegen van opzetheling", 5. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 6. "diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 8. "afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, althans niet voor elk van de tenlastegelegde feiten, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.

3. Achtergrond van de aanvrage

Aan de aanvrage is gehecht een brief van 5 april 2007 van het Arrondissementsparket te Arnhem gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is kennelijk naar aanleiding van deze mededeling ingediend.

4. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing

4.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC 8789).

4.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

4.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

5. Beoordeling van de aanvrage

5.1. Het arrest waarvan herziening wordt gevraagd betreft de veroordeling van de aanvrager ter zake van onder meer een onder 5 tenlastegelegde, op 25 oktober 2002 gepleegde, gekwalificeerde diefstal van een personenauto.

5.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek ter terechtzitting niet zou hebben geleid tot een veroordeling, althans niet voor elk van de tenlastegelegde feiten, indien het Hof reeds toen bekend was geweest met de bij de uitvoering van de desbetreffende geuridentificatieproef opgetreden onregelmatigheid.

5.3. Het Hof heeft overeenkomstig art. 365a, eerste lid, Sv volstaan met het opmaken van een verkort arrest. Een aanvulling als bedoeld in het tweede lid van art. 365a Sv op dat arrest ontbreekt dus. De Rechtbank heeft dezelfde feiten bewezen verklaard als het Hof, met dien verstande dat het Hof met betrekking tot het onder 1. tenlastegelegde, anders dan de Rechtbank, geen gekwalificeerde diefstal heeft aangenomen. De Rechtbank heeft een 'aanvulling verkort vonnis' opgemaakt waarin de door de Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn weergegeven. Uit die door de Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en uit de overwegingen ten aanzien van het bewijs in het arrest van het Hof, kan worden afgeleid aan welke bewijsmiddelen het Hof de bewezenverklaring zal hebben ontleend.

5.4. Noch uit de aanvulling op het verkort vonnis, noch uit de bewijsoverwegingen van het Hof blijkt dat het resultaat van de in de zaak van de aanvrager - uitsluitend in verband van het onder 5 tenlastegelegde feit - uitgevoerde geuridentificatieproef tot het bewijs is gebezigd. Dit betekent dat het hiervoor onder 4.3 bedoelde geval zich in deze zaak niet voordoet, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager van de tenlastegelegde feiten zou hebben vrijgesproken.

De aanvrage is dus kennelijk ongegrond en moet worden afgewezen.

Voor inwilliging van het in de aanvrage gedane verzoek tot toelichting op de terechtzitting als bedoeld in art. 463 Sv is op grond van art. 460 Sv geen plaats.

6. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 24 juni 2008.