Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD5059

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
07/10547 U
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uitlevering. Vervolg op HR LJN BD2468. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AU6362. HR stelt de AG in de gelegenheid nader onderzoek te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 516
RvdW 2008, 699
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2008

Strafkamer

nr. 07/10547 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

inzake het verzoek tot uitlevering aan de Republiek Macedonië van:

[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. De procesgang

1.1. De Hoge Raad verwijst voor de procesgang naar zijn arrest van 27 mei 2008. In dat arrest is de uitspraak van de Rechtbank te Utrecht van 27 juni 2007, houdende de ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering, vernietigd. Voorts is in dat arrest bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2008 is de opgeëiste persoon niet verschenen. Namens hem is aldaar het woord gevoerd door mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, die verklaarde daartoe door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

1.3. De Advocaat-Generaal Machielse heeft aldaar als zijn standpunt naar voren gebracht dat de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek.

2. Beoordeling van de inleidende vordering

2.1. Een uitleveringsverzoek kan niet in behandeling worden genomen indien moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon zich niet in Nederland bevindt en Nederland dientengevolge niet in staat is hem ter beschikking te stellen van de autoriteiten van de verzoekende Staat (vgl. HR 6 december 2005, LJN AU6362, NJ 2006, 482).

2.2. In aanmerking genomen dat de oproeping om op voormelde zitting te verschijnen op 29 mei 2008 in persoon is uitgereikt, is naar het oordeel van de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat de opgeëiste persoon op 3 juni 2008 uit detentie uit anderen hoofde is ontslagen in samenhang met de omstandigheid dat hij ter zitting van de Hoge Raad van 8 juni 2008 niet is verschenen, onvoldoende om te kunnen aannemen dat hij zich niet in Nederland bevindt. Daarom zal het ter zitting van 10 juni 2008 gesloten onderzoek worden heropend en geschorst teneinde de Advocaat-Generaal in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te (doen) verrichten en de resultaten daarvan over te leggen op de hierna te bepalen zitting, en - indien daartoe grond bestaat - dan alsnog zijn opvatting te geven omtrent de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering.

Voorts zal de Hoge Raad bevelen dat de opgeëiste persoon persoonlijk zal verschijnen op die zitting. Daartoe zal - bij afzonderlijk geminuteerd bevel - tevens diens medebrenging worden gelast.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

heropent het ter zitting van 10 juni 2008 gesloten onderzoek teneinde de Advocaat-Generaal in staat te stellen tot het (doen) verrichten van het hiervoor onder 2.2 bedoelde onderzoek;

schorst het onderzoek tot de zitting van 2 september 2008 te 12.00 uur;

beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen in persoon te verschijnen op die zitting om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering en gelast daartoe zijn medebrenging.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 juni 2008.