Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD5013

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
07/13604 H
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2002:AF0072
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2002:AF1034
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2003:AF4081
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2003:AF6773
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2003:AF8393
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Vuurwerkramp Enschede. Van een novum kan i.c. eerst dan worden gesproken dat het ernstige vermoeden wekt dat aanvrager zou zijn vrijgesproken van het tenlastegelegde indien de aanvrage aan het Hof niet bekende omstandigheden van feitelijke aard inhoudt die, als zij aannemelijk zijn, meebrengen dat de op enige wijze ontstane brand zich redelijkerwijs niet zodanig zou hebben ontwikkeld en/of uitgebreid, dat ontploffingen en branden ontstonden, en dat het handelen en nalaten van aanvrager en zijn mededirecteur redelijkerwijs niet zou hebben geleid tot de ontwikkeling en uitbreiding van die brand tot deze branden en ontploffingen. De in de aanvrage aangevoerde 8 omstandigheden leveren niet dit novum op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 547
RvdW 2008, 778
NJB 2008, 1585
M en R 2008, 52K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 juli 2008

Strafkamer

nr. 07/13604 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 12 mei 2003, nummer 21/001571-02, ingediend door mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Almelo van 2 april 2002 - de verdachte onder meer ter zake van 4. "aan de schuld van de rechtspersoon te wijten zijn van brand en ontploffing, terwijl het feit iemands dood tengevolge heeft, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte, als medepleger, feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. De aanvrage heeft betrekking op de veroordeling van de aanvrager ter zake van feit 4, te weten, kort gezegd: feitelijke leiding geven aan het aan de schuld van [bedrijf A] te wijten zijn van brand en ontploffing, welk feit de dood van twintig personen ten gevolge heeft gehad.

3.2. Het Hof heeft ten laste van de aanvrager onder 4 bewezenverklaard:

"dat de vennootschap onder firma [bedrijf A] op 13 mei 2000 in de gemeente Enschede, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig in haar vuurwerkbedrijf, dat was gelegen aan de [a-straat] in de onmiddellijke nabijheid van een woonwijk,

(1) - vuurwerk aanwezig heeft gehad in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte en in de als "H" aangemerkte ruimte, zijnde elders dan in voor de opslag van vuurwerk bestemde en geschikte bewaarplaatsen; en

(2) - onverpakt vuurwerk al dan niet in combinatie met verpakt vuurwerk heeft aanwezig gehouden; en

(3) - dat bedrijf gevoerd terwijl onvoldoende maatregelen waren genomen ter voorkoming van brand en/of ontploffingen en/of het kunnen uitbreiden van brand, immers:

º waren deuren van vuurwerkopslagplaatsen de zogenoemde Mavo-boxen en (zee)containers niet zelfsluitend; en waren deze deuren onvoldoende brandwerend en

º werd vuurwerk opgeslagen gehouden in zeecontainers, welke onvoldoende brandwerend waren, en;

º was in verschillende ruimtes waar vuurwerk lag opgeslagen geen, goed functionerende sprinkler-, althans brandblusinstallatie aanwezig, en

(4) - vuurwerk opgeslagen en/of opgeslagen gehouden dat massa-explosief was, tengevolge waarvan het aan de schuld van voornoemde vennootschap onder firma te wijten is geweest dat, toen op 13 mei 2000 op enige wijze brand was ontstaan op het bedrijfsterrein van voornoemde vennootschap onder firma deze brand zich zodanig kon ontwikkelen en/of uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden, welke feiten de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] ten gevolge hebben gehad, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander (...) feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedragingen."

3.3.1. Tot de in de aanvulling op het arrest waarvan herziening wordt gevraagd opgenomen bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring berust, behoren onder meer:

"12. DE ONTWIKKELING VAN DE BRAND TOT DE RAMP

12.1 Een hoofdrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundigen ir. P.C.A.M. de Bruin en J.W. Karelse en gedateerd 1 februari 2001 (pp TAD0664 e.v.), inhoudende:

Op zaterdag 13 mei 2000 hebben branden en explosies het vuurwerkbedrijf [bedrijf A] en honderden woningen en bedrijven in de omgeving verwoest.

Het is zeer waarschijnlijk dat er gedurende minimaal een half uur brand is geweest naast zeecontainer E2. Deze brand heeft het vuurwerk in de container vrijwel zeker ontstoken. Waarschijnlijk is de brand bij E2 ontstaan door brandend of smeulend vuurwerk uitgeworpen uit de - brandende - montageruimte C2 van de bewaarplaats.

Uit de analyse van de videobeelden van G. Poort en J. Huygens blijkt dat er een vlamtong vanuit E2 is ontstaan met een lengte van circa 30 meter. Deze reikte tot boven de bewaarplaats. Enkele seconden later was de explosieve verbranding van de inhoud van E2 met een daaropvolgende brand van vuurwerk uit E2. De vlamtong heeft rechtstreeks een aantal deuren van de bewaarplaats belast. De deuren van de Mavoboxen en de andere zeecontainers zijn belast door de zijwaartse warmtestraling van de vlamtong. Van vuurwerk in de gevarenklasse 1.4S en 1.4G zijn bovengenoemde effecten (vlamtong en uitworp van ontstoken vuurwerk) - refererend aan de criteria van de UN-classificatietests - normaliter niet te verwachten.

Het meest waarschijnlijk is dat een of meerdere exploderende shells afkomstig uit container E2 door de deur van Mavo-box M7 zijn geslagen en de inhoud hiervan hebben ontstoken. De vuurbol ten gevolge van de explosie van de Mavo-boxen was enigszins halfrond van vorm en had een diameter van ongeveer 85 meter. Nadat de deuren van de bewaarplaats waren bezweken kon deze vuurbol vervolgens in alle ruimten van de bewaarplaats vuurwerk ontsteken.

De explosie van de Mavo-boxen heeft een kracht gehad tussen de 405 en 2140 kg TNT-equivalent. Hierdoor is waarschijnlijk geen ernstige schade veroorzaakt aan de betonnen constructie van de bewaarplaats, maar zijn wel alle deuren van de opslagruimten (zowel aan de zuidzijde als aan de noordzijde) bezweken en naar binnen geslagen. Het is zeer waarschijnlijk dat ten gevolge van de explosie van de Mavo-boxen (drukgolf in combinatie met de vuurbol en de uitworp van vuurwerk) in meerdere, mogelijk alle, opslagruimten van de bewaarplaats branden zijn ontstaan.

Op een aantal video-opnamen is nog te zien of te horen dat na de explosie van de bewaarplaats grote hoeveelheden vuurwerk zijn geëxplodeerd. In de wijde omgeving van [bedrijf A] zijn exploderend vuurwerk en brandende en smeulende vuurwerkresten terechtgekomen. Hierdoor zijn op zeer grote schaal branden ontstaan.

Ten gevolge van de explosie in de bewaarplaats zijn waarschijnlijk alle resterende zeecontainers beschadigd, verplaatst of weggeslingerd en in brand geraakt of geëxplodeerd.

Mogelijke verklaringen voor de overslag van brand tussen de diverse opslagplaatsen zijn:

• Opslag van vuurwerk in de gevarenklasse 1.3G (in de opslagruimten C12, C13, C14 en C15 van de bewaarplaats).

• De zeecontainers zijn niet brandwerend en niet voorzien van drukontlasting.

De volgende effecten zijn waargenomen bij de branden en explosies op 13 mei 2000 en waren volgens de Maximum Credible Event niet te verwachten:

• Vuurwerkbrand in en uitworp van vuurwerk uit montageruimte C2 van de bewaarplaats buiten werktijd van het bedrijf;

• Vlamtong en verre uitworp van vuurwerk vanuit E2 en ontsteking van de inhoud van (waarschijnlijk)

Mavo-box M7;

• De waargenomen effecten en de classificatietesten in relatie tot verklaringen over de inhoud wijzen erop dat het vuurwerk dat in E2 was opgeslagen waarschijnlijk behoorde tot gevarenklasse 1.3G (in plaats van 1.4G);

• Massa-explosie in Mavo-box M7 en (waarschijnlijk hierdoor) ontsteking van de inhoud van opslagruimten van de bewaarplaats;

• Op grond van het schadebeeld en verklaringen over de inhoud van M7 kan worden geconcludeerd dat het hier opgeslagen vuurwerk waarschijnlijk behoorde tot gevarenklasse 1.3G of mogelijk 1.1 (in plaats van 1.4G);

• Massa-explosie in opslagruimte C11 van de bewaarplaats. Het vuurwerk dat was opgeslagen in C11 behoorde waarschijnlijk (deels) tot de gevarenklasse 1.1 (in plaats van 1.4G). Dit wordt bevestigd door het schadebeeld;

• Verscherving van sommige zeecontainers. Volgens verklaringen bestond de inhoud van E9 en/of E10 waarschijnlijk uit vuurwerk in de gevarenklasse 1.3G of mogelijk 1.1.

Als de situatie bij het vuurwerkbedrijf [bedrijf A] geheel conform de in de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer gestelde voorwaarden zou zijn geweest had de brand in de montageruimte C2 van de bewaarplaats niet kunnen escaleren tot de heftige explosies die op 13 mei 2000 hebben plaatsgevonden. Dat de brand in C2 toch heeft kunnen leiden tot de twee zware explosies is waarschijnlijk veroorzaakt door de volgende factoren:

• De aanwezigheid van vuurwerk in de montageruimte C2 van de bewaarplaats.

• Massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in Mavo-box M7. Dit gedrag heeft geleid tot een vrijwel gelijktijdige explosie van de inhoud van de Mavo-boxen M1 tot en met M6.

• Massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in C11. Vrijwel tegelijk is de inhoud van de overige opslagruimten van de bewaarplaats en van een aantal zeecontainers geëxplodeerd.

Bij [bedrijf A] was veel meer vuurwerk in de gevarenklasse 1.3G (en waarschijnlijk ook 1.1) aanwezig dan volgens voorwaarden in de vergunning ingevolge de Wet Milieubeheer was toegestaan. De inrichting van het bedrijf was niet geschikt om de effecten hiervan te kunnen beheersen.

12.2 De door de deskundige Petrus Canisius Antonius Maria de Bruyn ter terechtzitting in hoger beroep op 11 maart 2003 afgelegde verklaring, inhoudende:

Op bladzijde 2/62 van de rapportage staat de samenvatting, de kern, van de rapportage vermeld. U houdt mij voor dat in die samenvatting het volgende staat opgenomen:

'Als de situatie bij het vuurwerkbedrijf [bedrijf A] geheel conform de in de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer gestelde voorwaarden zou zijn geweest, had de brand in de montageruimte van de bewaarplaats niet kunnen escaleren tot de heftige explosies die op 13 mei 2000 hebben plaatsgevonden.'

Dit is een wetenschappelijke vaststelling. Wij hebben de vergunning uitgebreid bestudeerd. Die vergunning is als uitgangspunt gebruikt voor het beoordelen van de effecten van branden op verschillende plaatsen in het bedrijf, onder andere in C2. Het is een wetenschappelijke vaststelling dat wanneer er volgens de vergunning vuurwerk zou zijn opgeslagen, niet een ramp van een dergelijke omvang zou zijn gebeurd. Het onderzoek naar de vraag of er conform de vergunning vuurwerk lag opgeslagen vormt een integraal onderdeel van de onderzoeksvraag naar de oorzaken van de brand en de explosies en is een deelvraag die wij geformuleerd hebben in de vraag naar de oorzaak van de brand in technische zin."

3.3.2. De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd houdt voorts onder meer het volgende in.

Onder het kopje "Bewijsoverweging betreffende feit 4":

"Van de onder punt 4. aan de vennootschap verweten gedragingen is het hof door de inhoud van de bewijsmiddelen voldoende overtuigd. Het hof is van oordeel dat die gedragingen hebben veroorzaakt dat, toen een brand op het bedrijfsterrein was ontstaan, deze zich zodanig kon ontwikkelen en uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden met de dood van de in de telastelegging genoemde personen als gevolg. Over het verloop van de brand is veel onzekerheid blijven bestaan en er kan dan ook niet gezegd worden dat alle in de telastelegging genoemde gedragingen elk voor zich de ramp veroorzaakt hebben. Voor in elk geval de laatste van de genoemde gedragingen geldt dat echter wel: dat de aanwezigheid van massa-explosief vuurwerk tot de omvang van de ramp geleid heeft, beschouwt het hof als vaststaand. Grond daarvoor is dat, zoals hiervoor ook al is overwogen, dat de aanwezigheid van te zwaar en deels naar zijn aard massa-explosief vuurwerk de ramp in redelijkheid verklaren kan en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden.

De vraag of [bedrijf A] en haar vennoten, waaronder verdachte, daaraan schuld dragen in een voor de veroordeling wegens misdrijf vereiste mate, beantwoordt het hof bevestigend. Het moge waar zijn dat juist de overtreding die bij uitstek tot de omvang van de ramp heeft bijgedragen, niet opzettelijk begaan is, de vennootschap en verdachte droegen daaraan wel schuld. Het hof is van oordeel dat het verdachte uit dien hoofde te maken verwijt zwaar moet wegen. Dat er te zwaar en massa-explosief vuurwerk opgeslagen was, wist verdachte weliswaar niet, maar slechts omdat hij er niet bij heeft stilgestaan en dat had hij uiteraard wel moeten doen. Hij was dagelijks professioneel met vuurwerk bezig en hij beschikte over de deskundigheid om de daaraan verbonden gevaren adequaat in te schatten. Hij had als ondernemer ook de verantwoordelijkheid en de verplichting over die deskundigheid te beschikken en die aan te wenden, niet slechts voor de voortgang van zijn bedrijf, maar ook voor de bescherming van allen die daardoor bedreigd konden worden.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat voor 13 mei 2000 niemand in Nederland zich bewust is geweest van de gevaren en dat is, op zijn minst in hoofdlijnen, juist. Maar de onachtzaamheid en onzorgvuldigheid van anderen pleiten verdachte niet vrij. Dat geldt bijvoorbeeld voor andere ondernemers die mogelijk soortgelijke fouten hebben gemaakt maar in wier bedrijven, in zekere zin toevallig, geen ongelukken zijn gebeurd. Het geldt ook, maar niet in dezelfde mate, voor overheden en overheidsdienaren die weliswaar in voldoende mate, maar niet op voldoende zorgvuldige wijze toezicht op de naleving van de vergunningsvoorschriften hebben gehouden. Niet in dezelfde mate omdat de wetenschap dat er controle op hun onderneming werd uitgeoefend, maar waarschuwingen, althans ernstige waarschuwingen uitbleven, bij [bedrijf A] en haar vennoten de gedachte kon doen postvatten dat het met de veiligheid in de onderneming goed gesteld was. Zij hadden zich niet in slaap mogen laten sussen, maar dat zij dat toch deden is niet oninvoelbaar. Het hof is echter van oordeel dat dit weliswaar in de straftoemeting in aanmerking genomen moet worden, maar dat niettemin van aanmerkelijke schuld bij [bedrijf A] en haar vennoten sprake is. Dat vloeit voort uit hun eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid voor de onderneming die zij dreven en waarvan zij beter dan wie ook de bijzondere en gevaarlijke aard hadden moeten onderkennen."

Onder het kopje "Verweren ten aanzien van de hoeveelheid en classificatie van het vuurwerk":

"Door en namens verdachte [is] er een aantal verweren gevoerd tegen de vaststelling van de hoeveelheid vuurwerk die op 13 mei 2000 bij [bedrijf A] aanwezig was, en de classificatie van dit vuurwerk.

(...)

Door de verdediging is de vraag opgeworpen, wat de betekenis is van de gevarenklasse waarvan in de aan [bedrijf A] verleende vergunning sprake is.

De raadsman heeft betoogd, dat in Nederland geïmporteerd vuurwerk vóór het transport wordt geclassificeerd "door een daartoe in het land van herkomst bevoegde autoriteit of afzender conform de in het Manual of Tests and Criteria beschreven beproevingsmethode". Het hof tekent aan, dat inderdaad wellicht een dergelijke handelwijze voorgeschreven is, maar dat gerede twijfel bestaat, of serieuze en betrouwbare classificatie wel steeds geschiedde door de aan [bedrijf A] leverende exporterende bedrijven, dan wel door aangewezen overheidsinstanties.

De raadsman heeft in dit verband betoogd, dat als in de milieuvergunning slechts wordt toegestaan opslag van vuurwerk van de gevarenklasse 1.4G en 1.4S, daarmee niets anders bedoeld wordt dan vuurwerk dat door de daartoe bevoegde producent of de classificatie-instantie als 1.4G, dan wel 1.4S is "gelabeld".

Het hof verenigt zich niet met die visie. Het hof is van oordeel, dat, waar aan [bedrijf A] was toegestaan de opslag van een bepaalde hoeveelheid vuurwerk van de klasse 1.4, eventueel te combineren met een beperkte hoeveelheid van de klasse 1.3, daarmee voor [bedrijf A] een verbod gold voor het opslaan van vuurwerk, waarvan de feitelijke gevaarlijkheid groter was dan die van de klasse 1.4, respectievelijk 1.3 mocht zijn. Anders gezegd: als behorend tot de gevarenklasse 1.1 wordt in de classificatieregels aangemerkt materiaal dat massa-explosief reageert. Als aan [bedrijf A] niet werd toegestaan vuurwerk van de klasse 1.1 op te slaan - en dat was niet toegestaan -, dan vloeit daaruit voort, dat het [bedrijf A] niet was toegestaan massa-explosief vuurwerk (zoals in elk geval de grotere titanium shells) in voorraad te hebben; ook niet, als daarop etiketten met de vermelding 1.4G of 1.4S waren aangebracht. Een andere lezing van de milieuvergunning, die mede strekt ter afwering van gevaren voor omwonenden van bedrijven met potentieel gevaarlijke activiteiten acht het hof in strijd met de strekking van de vergunning.

Wel kan de raadsman worden toegegeven, dat onaanvaardbaar zou zijn, indien de houder van een milieuvergunning strafbaar zou zijn als hij schuldeloos vuurwerk, geëtiketteerd als 1.4G of 1.4S, maar feitelijk behorend tot een hogere gevarenklasse zou opslaan. Het hof zal dan ook onderzoeken, of, indien is komen vast te staan, dat bij [bedrijf A] feitelijk te zwaar vuurwerk heeft gelegen, daarvan aan de verdachte een verwijt kan worden gemaakt.

In het classificatieonderzoek, gerelateerd in het ambtsedig proces-verbaal van de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) [verbalisant 1] d.d. 13 maart 2001 wordt een resultaat bereikt op basis van de voorlopige voorraadberekening. Slechts op grond van dergelijke berekeningen, uitgevoerd op basis van belangrijke delen van de administratie van [bedrijf A], aangevuld met andere methodieken, kon de hoeveelheid vuurwerk die op 13 mei 2000 was opgeslagen op het terrein van [bedrijf A] worden vastgesteld, waarbij van belang is, dat het gewicht van de verschillende producten zoveel mogelijk is bepaald door weging van producten van dezelfde soort, en dat bij verschillen of afrondingen altijd is gekozen voor de uitkomst die het meest gunstig was voor verdachte. Het hof acht deugdelijk de werkwijze waarbij mede in ogenschouw is genomen de inhoud van containers die vanuit China op transport waren gezet, maar nog niet bij [bedrijf A] waren aangekomen, alsmede het onderzoek naar vuurwerk dat door [bedrijf A] aan derden was geleverd, en naar vuurwerk waarvan kon worden aangenomen, dat het soortgelijk was aan het door [bedrijf A] opgeslagen materiaal. Bij verschil in de classificatie door TNO-PML en BAM is er gekozen voor de voor verdachte meest gunstige uitkomst.

Het hof neemt op grond van de hieronder weergegeven bevindingen, en na correctie wegens het meetellen van niet explosief hulpmateriaal, als vaststaand aan, dat zich op 12 mei 2000 op het terrein van [bedrijf A] heeft bevonden ca 160 ton vuurwerk. Hiervan was ca 94 ton vuurwerk van de klasse 1.3G, ruim 5 ton van de klasse 1.2 of 1.3G, 10 ton van de klasse 1.1 of 1.3G, en ruim 800 kg titaniumshells van de klasse 1.1G.

Op grond van de vergunning was slechts toegestaan de opslag van 158,5 ton van de minder brand- en explosiegevaarlijke klasse 1.4, dan wel, indien ook vuurwerk van de klasse 1.3 was opgeslagen, van die klasse ten hoogste 2 ton, te combineren met ten hoogste 136,5 ton van de klasse 1.4, zulks terwijl de opslag van de zwaarste gevarenklasse 1.1, zijnde massa-explosief materiaal, en van de gevarenklasse 1.2 in het geheel niet was toegestaan.

Zijdens de verdediging is op grond van een aantal naar haar oordeel noodzakelijke correctiefactoren bepleit, dat op 13 mei 2000 niet (zoals door het Tolteam berekend) ruim 170 ton vuurwerk was opgeslagen, maar slechts 118.882 kilogram. Hierbij zou in totaal 14.665 kilo moeten worden afgetrokken omdat bij de berekening was uitgegaan van verkeerde gewichten van producten. Verder zou in verband met een foutmarge van 10% 15.533 kilo moeten worden afgetrokken en 20.970 kilo omdat volgens de verdediging ten onrechte de verpakking van het vuurwerk is meegeteld in het totale gewicht.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de vergunningsvoorschriften 13.2.10, 2.1.1 en 3.2.9 niet de totale hoeveelheid vuurwerk bepalend is voor de vraag of deze voorschriften zijn overschreden, maar de hoeveelheid die er per klasse aanwezig was en mocht zijn. Zelfs indien er, zoals de verdediging stelt, slechts 118.882 kilo vuurwerk aanwezig zou zijn geweest dan nog staat vast dat er op 13 mei 2000 bij [bedrijf A] meer en/of zwaarder vuurwerk dan vergund was opgeslagen. Immers leiden de door de verdediging voorgestelde correcties niet tot een zodanige vermindering van het vuurwerk van de klasse 1.3 dat er niet meer dan de maximaal vergunde hoeveelheid van 2000 kilo aanwezig zou zijn geweest en wordt ook de aanwezigheid van vuurwerk van de klasse 1.1. hierdoor niet weggenomen.

Deze vèrgaande afwijking van de voorschriften verbonden aan de verleende vergunningen is naar het oordeel van het hof er oorzaak van geweest, dat de op 13 mei 2000 ontstane brand zo catastrofale gevolgen heeft gehad voor de stad Enschede en zijn bewoners. [Bedrijf A] heeft zeer grote hoeveelheden vuurwerk van niet of slechts zeer beperkt toegestane gevarenklasse in voorraad gehad, waarbij in het bijzonder de aanwezigheid van de hoog-explosieve titaniumshells een belangrijke rol moet hebben gespeeld bij de zware explosies die hebben plaatsgevonden. Dat grondt het hof daarop dat de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk de ramp in redelijkheid verklaren kan en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden.

Het hof is van oordeel, dat de vennoten van [bedrijf A] niet alleen uit hoofde van hun functie verantwoordelijkheid dragen voor het ontstaan van deze zeer gevaarlijke situatie, maar dat zij ook feitelijk schuld dragen aan de opslag van deze grote hoeveelheid gevaarlijk materiaal. Weliswaar hebben zij aangevoerd, dat zij afgingen en mochten afgaan op de etikettering die door de Chinese producenten werd aangebracht, maar het hof verenigt zich daarmee niet. Gebleken is, dat op de bij [bedrijf A] opgeslagen soorten vuurwerk vrijwel zonder uitzondering een etiket van de gevarenklasse 1.4 was aangebracht. Het hof is tot de overtuiging gekomen, dat die etikettering in het geheel geen verband had met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk. Het valt te vrezen, en ook verdachte had daarmee rekening moeten houden, dat de etikettering in belangrijke mate mede werd bepaald door overwegingen van commerciële aard, in die zin, dat transport van als minder gevaarlijk geëtiketteerde soorten veel goedkoper zou zijn, zodat voor een belangrijk lagere prijs kon worden geleverd aan de importeurs dan wanneer op de verpakking kenbaar was, dat de vervoerder te maken had met vuurwerk van de klasse 1.3, 1.2 of 1.1. Verdachte moet hebben begrepen, of in elk geval hebben kunnen begrijpen, dat sommige soorten vuurwerk dan ook van een zwaardere klasse waren dan 1.4. In het bijzonder geldt dat voor de titaniumshells, waarvan bij de classificatietests zeer zware explosieve eigenschappen werden vastgesteld.

Dat geldt temeer voor verdachte, nu hij naar eigen zeggen de beschikking had over de MSDS-lijsten, bevattende de gegevens inzake de samenstelling van vuurwerk (soort en hoeveelheid) aan de hand waarvan hij zich een beeld kon vormen van de aard van het ingekochte vuurwerk. Het hof acht het uitgesloten, dat verdachte bij serieuze kennisname van deze gegevens geen twijfels heeft gehad aangaande de juistheid van de indeling in gevarenklasse, temeer, nu de etikettering naar gevarenklasse niet (zoals de verdediging stelde) hoefde te geschieden door een

Chinese overheidsinstantie, maar kon plaatsvinden door de producent zelf. Het hof acht voorts een sterke aanwijzing voor verdachtes schuld in deze gelegen in het feit, dat verdachte tenminste één maal is geconfronteerd met een afwijking in indeling in gevarenklasse tussen de invoice (vermeldend 1.4) en de packing list (vermeldend 1.3); verdachte heeft daarover verklaard, dat dit probleem wel vaker voorkwam. Voor zover al niet aan verdachte duidelijk was, dat de etikettering niet geschiedde op basis van een werkelijke vaststelling van explosie- en brandgevaar maar op basis van commerciële afwegingen, moet dit hem toch aan het denken hebben gezet.

Daar komt bij, dat verdachte heeft deelgenomen aan de PTO-cursus, waarover de getuige Kodde, als docent verbonden aan deze opleiding, verklaart, dat na afloop de cursist bij het bezigen van vuurwerk het verschil kan zien tussen vuurwerk van de klasse 1.4 G/S en zwaarder vuurwerk."

3.3.3. In zijn arrest van 1 februari 2005 heeft de Hoge Raad het tegen de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd gerichte cassatieberoep verworpen en daarbij met betrekking tot de bewezenverklaarde 'schuld' onder meer het volgende overwogen:

"3.7. Het Hof heeft bevonden dat [bedrijf A] "aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig" de in de bewezenverklaring vermelde handelingen en gedragingen heeft verricht en dus 'schuld' als bedoeld in art. 158 (oud) Sr eraan heeft dat, toen op 13 mei 2000 op enige wijze brand was ontstaan op haar bedrijfsterrein, de brand zich zodanig kon ontwikkelen en/of uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden, tengevolge waarvan de genoemde personen zijn overleden, aan welke verboden gedragingen - zijnde die aan de schuld van [bedrijf A] te wijten branden en ontploffingen - de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

3.8.1. Vooropgesteld moet worden dat het gevolg van de bedoelde ontploffingen en branden, te weten dat de in de bewezenverklaring genoemde personen zijn overleden, aan het in art. 158, aanhef en onder 3°(oud), Sr bedoelde schuldverband is onttrokken. In cassatie moet dus worden beoordeeld of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [bedrijf A] 'schuld' in de in art. 158 (oud) Sr bedoelde zin heeft aan een dusdanige ontwikkeling en/of uitbreiding van de aanwezige brand dat ontploffingen en branden ontstonden. Waar het Hof in de bestreden uitspraak overwegingen wijdt aan de ontwikkeling van de brand tot 'de ramp' heeft het in verband met de hier aan de orde zijnde schuldvraag alleen die ontploffingen en branden op het oog.

3.8.2. Aantekening verdient voorts dat de hier bedoelde, aan de vennootschap onder firma [bedrijf A] toe te rekenen, schuld moet kunnen worden afgeleid uit het handelen en nalaten van de verdachte en zijn medeverdachte, beiden directeur en (al dan niet middellijk) vennoot van die vennootschap, dat heeft geleid tot de bewezenverklaarde ontwikkeling en uitbreiding van de brand tot de branden en ontploffingen.

3.9. Blijkens de toelichting op het middel spitsen de klachten zich erop toe dat de verdachte niet heeft kunnen voorzien dat er te zwaar en massa-explosief vuurwerk was opgeslagen en dat daaraan de gevaren waren verbonden zoals deze zich op 13 mei 2000 hebben gemanifesteerd.

3.10. Blijkens de bewijsmiddelen en de in verband daarmee gegeven nadere overwegingen heeft het Hof, kort samengevat, onder meer de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

(i) De verdachte was sinds 1987 in vaste dienst werkzaam bij het in een woonwijk gelegen vuurwerkbedrijf [bedrijf A]. Hij hield zich bezig met groot vuurwerk. Hij heeft in 1995 de cursus "veilig werken met groot vuurwerk" aan het Post Tertiair Onderwijs te Utrecht gevolgd. Sinds 1998 was hij mededirecteur en (middellijk) medevennoot van [bedrijf A]. Hij had de leiding over de binnenwerkzaamheden, deed alle voorkomende werkzaamheden, regelde de voorbereiding van alle vuurwerkshows, bepaalde welk soort vuurwerk er werd gebruikt, vertelde wat voor soort vuurwerk klaargezet moest worden en stak shows af. Bij buitenwerkzaamheden gaf zijn medevennoot en mede-directeur advies; bij lossing van containers controleerde deze aan de hand van inventarislijsten of alles klopte.

(ii) De hier van belang zijnde voorschriften verbonden aan de aan [bedrijf A] krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunningen betreffen de opslag van vuurwerk en zijn specifiek gegeven met het oog op de brand-preventie en de brandbestrijding. De milieuvergunningen strekken mede ter afwering van gevaren voor omwonenden van potentieel gevaarlijke bedrijven als het onderhavige vuurwerkbedrijf.

[bedrijf A] heeft opzettelijk in strijd met die voorschriften vuurwerk aanwezig gehad in de als "H" en als "C2" aangemerkte ruimten, die niet voor opslag van vuurwerk bestemde bewaarplaatsen waren, opzettelijk in strijd met de voorschriften vuurwerkbewaarplaatsen, waaronder de zogenoemde MAVO-boxen en een of meer zeecontainer(s), niet voorzien en voorzien gehouden van zelfsluitende toegangsdeuren en van deuren met een brandwerendheid van tenminste 30 minuten, opzettelijk in strijd met de voorschriften niet telkens zodra de werkzaamheden in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte waren beëindigd het vuurwerk weer naar een bewaarplaats doen terugbrengen, maar dit vuurwerk, onverpakt, daar achtergelaten en voorts in strijd met de voorschriften in bewaarplaatsen meer vuurwerk en/of vuurwerk van een zwaardere klasse opgeslagen. Aan die verboden gedragingen heeft de verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medevennoot feitelijke leiding gegeven.

(iii) De verdachte wist ten tijde van de overname van het bedrijf in 1998 van het bestaan van een milieuvergunning, waarvan hij nadien ook een aantal pagina's gelezen heeft. De vergunning uit 1999 heeft de verdachte zelf aangevraagd en ondertekend. De verdachte wist dat er in de als "H" aangemerkte ruimte geen vuurwerk mocht worden opgeslagen maar dat dit ten tijde van de brand toch het geval was, dat er twee zeecontainers meer op het bedrijf geplaatst waren dan toegestaan en dat ook daarin vuurwerk was opgeslagen en dat in de als "C2" aangeduide ruimte steeds vuurwerk lag opgeslagen, waaronder ten tijde van de brand ook cakeboxen waarvan de bovenkant op geen enkele wijze was afgedekt. De verdachte was ervan op de hoogte dat er in de MAVO-boxen, de zeecontainers en in de werkbunker "C2" geen sprinklerinstallatie aanwezig was. De sprinklerinstallaties in de bunkers "C3" tot en met "C15" zijn nooit getest en op de sproeikoppen stond geen waterdruk. Ook de brandwerendheid van de deuren is nooit getest.

(iv) Op 12 mei 2000 heeft zich op het terrein van [bedrijf A] ca 160 ton vuurwerk bevonden. Hiervan was ca 94 ton vuurwerk van de klasse 1.3G, ruim vijf ton van de klasse 1.2 of 1.3G, 10 ton van de klasse 1.1 of 1.3G, en ruim 800 kg titaniumshells van de klasse 1.1G. Op grond van de vergunning was slechts toegestaan de opslag van 158,5 ton van de minder brand- en explosiegevaarlijke klasse 1.4, dan wel, indien ook vuurwerk van de klasse 1.3 was opgeslagen, van die klasse ten hoogste twee ton, te combineren met ten hoogste 136,5 ton van de klasse 1.4, zulks terwijl de opslag van de zwaarste gevarenklasse 1.1, zijnde massa-explosief materiaal, en van de gevarenklasse 1.2 in het geheel niet was toegestaan. Het gaat daarbij om vergund vuurwerk waarvan de feitelijke gevaarlijkheid niet groter mocht zijn dan die van de klasse 1.4 respectievelijk 1.3. Op de bij [bedrijf A] opgeslagen soorten vuurwerk was vrijwel zonder uitzondering een etiket van de gevarenklasse 1.4 aangebracht, terwijl die etikettering in het geheel geen verband hield met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk; dat geldt in het bijzonder ook voor de bedoelde titaniumshells, ten aanzien waarvan in classificatietests zeer zware explosieve eigenschappen zijn vastgesteld.

(v) De brand die het vuurwerk in zeecontainer E2 heeft ontstoken is waarschijnlijk ontstaan door brandend of smeulend vuurwerk uitgeworpen uit de - brandende - montageruimte "C2", in welke ruimte geen vuurwerk aanwezig mocht zijn. Het massa-explosieve karakter van het aanwezige vuurwerk heeft het verdere verloop van de branden en ontploffingen bepaald. Als de situatie bij [bedrijf A] geheel in overeenstemming met de vergunningsvoorschriften was geweest, had de brand in de montageruimte "C2" niet kunnen escaleren tot de heftige explosies die op 13 mei 2000 hebben plaatsgevonden. Dat de brand in "C2" toch heeft kunnen leiden tot de twee zware explosies is waarschijnlijk veroorzaakt door de aanwezigheid van vuurwerk in de montageruimte van "C2", het massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in MAVO-box "M7", welk gedrag geleid heeft tot een vrijwel gelijktijdige explosie van de inhoud van de MAVO-boxen "M1" tot en met "M6", en het massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in "C11", waarbij vrijwel tegelijkertijd de inhoud van de overige opslagruimten van de bewaarplaats en van een aantal zeecontainers is geëxplodeerd.

3.11.1. Uit de bewijsmiddelen en de daaruit blijkende vaststellingen, zoals hiervoor samengevat, heeft het Hof kennelijk - hetgeen niet onbegrijpelijk is - het volgende afgeleid.

Op de verdachte en zijn mededirecteur als professionele ondernemers van het in een woonwijk gelegen vuurwerkbedrijf, die op grond van opleiding, ervaring en dagelijkse omgang met vuurwerk moeten hebben beschikt over de deskundigheid om de aan opslag en verwerking van professioneel vuurwerk verbonden gevaren voor het leven en de gezondheid van personen, alsmede voor goederen adequaat af te wegen, rustte de plicht al die maatregelen met betrekking tot de opslag van vuurwerk te treffen die uit een oogpunt van het waarborgen van de veiligheid van personen en goederen van hen konden worden gevergd. Daartoe behoorde in het bijzonder de plicht om de bij uitstek met het oog op de brandpreventie en brandveiligheid gegeven vergunningsvoorschriften nauwgezet na te leven. In de vervulling van die plicht zijn zij ernstig tekortgeschoten.

Wat betreft de verboden aanwezigheid van vuurwerk in daarvoor niet bestemde ruimten, de geboden afwezigheid van onverpakt vuurwerk en de voorgeschreven zelfsluitendheid en brandwerendheid van de bedoelde deuren hebben zij de desbetreffende vergunningsvoorschriften opzettelijk niet nageleefd.

Wat betreft de in de vergunningsvoorschriften verboden opslag van te zwaar en deels naar zijn aard massa-explosief vuurwerk, waaronder de titaniumshells, hadden de verdachte en zijn medeverdachte met het oog op de bijzondere gevaarlijkheid daarvan voor het ontstaan van branden en ontploffingen en de daarvan te verwachten gevolgen - van welk bijzonder gevaar zij op grond van hun deskundigheid op de hoogte moeten zijn geweest - ter voorkoming of beperking van dit gevaar tenminste uiterst zorgvuldig behoren na te gaan of zodanig vuurwerk was opgeslagen of opgeslagen werd gehouden. Dat hebben zij nagelaten. Het verzaken van die plicht tot controle kan - aldus nog steeds het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het Hof - niet worden verontschuldigd met een beroep op de stelling dat de verdachte niet wist of kon voorzien dat massa-explosief vuurwerk was opgeslagen, in het bijzonder omdat zulks niet kon worden onderkend aan de hand van de desbetreffende etikettering met de classificatie 1.4 op verpakt vuurwerk. Het Hof heeft immers, niet onbegrijpelijk, vastgesteld dat de etikettering - die overigens wat betreft de feitelijke gevaarlijkheid niet meer rechtstreeks van belang is als het vuurwerk onverpakt of in een geopende verpakking is opgeslagen - in het geheel geen verband had met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk, dat de verdachte ermee rekening had moeten houden dat deze etikettering slechts was ingegeven door commerciële overwegingen, dat de verdachte, gelet op zijn opleiding en ervaring, moet hebben begrepen dat in ieder geval sommige soorten vuurwerk, zoals de titaniumshells, van een zwaardere klasse waren dan 1.4 en dat het uitgesloten is dat de verdachte geen twijfels heeft gehad aan de juistheid van de indeling in de gevarenklasse op de etiketten van het verpakte vuurwerk. In deze vaststellingen ligt besloten dat de verdachte ook heeft kunnen weten dat er op het terrein massa-explosief vuurwerk, waaronder de titaniumshells, lag opgeslagen, maar daarvan slechts door nalatigheid geen kennis heeft gedragen.

3.11.2. Aldus heeft het Hof zonder miskenning van het begrip 'schuld' in de zin van art. 158 (oud) Sr uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het geheel van handelen en nalaten van de beide verdachten getuigde van de bewezenverklaarde aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en nalatigheid en dus van schuld in de bedoelde zin van [bedrijf A]."

4. De herzieningsgronden

De aanvrage doet een beroep op een achttal omstandigheden die, naar wordt gesteld, op zichzelf dan wel in samenhang met elkaar het ernstige vermoeden wekken dat de aanvrager van feit 4 zou zijn vrijgesproken, dan wel het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in de strafvervolging van de aanvrager terzake, indien het Hof bij het onderzoek van de zaak met deze gegevens bekend zou zijn geweest. Het betreft de volgende, kort aangeduide, omstandigheden.

I. Afwezigheid van titanium shells in bunker C 11.

II. Geen massa-explosief gedrag van titanium shells.

III. Massa-explosief gedrag van ander vuurwerk en papier.

IV. Andere oorzaak van de omvang van de explosies.

V. Geen vuur naast container E2.

VI. Open deuren.

VII. Gevaarsetiketten.

VIII. Achtergehouden informatie.

5. Beoordeling van de aanvrage. Algemeen

5.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

5.2.1. Vaststaat dat op zaterdag 13 mei 2000 branden en explosies het vuurwerkbedrijf [bedrijf A] en een groot aantal woningen en bedrijven in de omgeving hebben verwoest. Twintig personen zijn blijkens de bewezenverklaring daardoor omgekomen. Het Hof heeft geoordeeld (zie de bewijsoverweging, hiervoor weergeven onder 3.3.2) dat de aan [bedrijf A] verweten, bewezenverklaarde, gedragingen van dien aard zijn geweest dat deze, toen een brand op het bedrijfsterrein was ontstaan, hebben veroorzaakt dat de brand zich zodanig kon ontwikkelen en uitbreiden, dat ontploffingen en branden ontstonden, met de dood van twintig personen tot gevolg. Het Hof heeft zich ervan rekenschap gegeven dat over het verloop van de brand veel onzekerheid is blijven bestaan en heeft overwogen dat niet gezegd kan worden dat alle bewezenverklaarde gedragingen elk voor zich de ramp hebben veroorzaakt. Met betrekking tot de aan [bedrijf A] verweten opslag van massa-explosief vuurwerk heeft het Hof geoordeeld dat "de aanwezigheid van te zwaar en deels naar zijn aard massa-explosief vuurwerk de ramp in redelijkheid kan verklaren en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden".

5.2.2. Het Hof heeft in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd bewezen verklaard dat [bedrijf A] schuld heeft aan een dusdanige ontwikkeling en/of uitbreiding van de aanwezige brand, dat ontploffingen en branden (door het Hof aangeduid als 'de ramp') ontstonden, en die schuld afgeleid uit het geheel van handelen en nalaten van de aanvrager en zijn mededirecteur. Het Hof heeft de daartoe naar zijn oordeel redengevende feiten en omstandigheden vastgesteld, zoals samengevat weergegeven in rov. 3.10 van het, hiervoor onder 3.3.3 vermelde, arrest van de Hoge Raad.

Het gaat daarbij in het bijzonder om de volgende, hier kort weergegeven, feiten en omstandigheden.

(i) De desbetreffende, met het oog op de brandpreventie en brandbestrijding gegeven voorschriften van krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunningen zijn door de aanvrager en zijn mededirecteur opzettelijk overtreden. Er werd dus opzettelijk vuurwerk aanwezig gehouden in daartoe niet bestemde bewaarplaatsen, vuurwerkbewaarplaatsen waren opzettelijk niet voorzien van zelfsluitende toegangsdeuren en van deuren met een brandwerendheid van tenminste 30 minuten en er is opzettelijk in strijd met de voorschriften vuurwerk, onverpakt, achtergelaten in montageruimte C2.

(ii) In bewaarplaatsen was meer vuurwerk en/of vuurwerk van een zwaardere klasse opgeslagen dan was toegelaten.

(iii) De aanvrager wist dat in de als H aangeduide ruimte ten tijde van de brand vuurwerk aanwezig was, terwijl daarin geen vuurwerk mocht zijn opgeslagen, en dat in de als C2 aangeduide ruimte steeds vuurwerk aanwezig was. Hij wist dat er twee zeecontainers meer op het terrein aanwezig waren dan was toegestaan en dat daarin vuurwerk was opgeslagen. De aanvrager was ervan op de hoogte dat in de MAVO-boxen, de zeecontainers en bunker C2 geen sprinklerinstallatie was aangebracht. De sprinklerinstallaties in bunkers C3 tot en met C15 zijn nooit getest en op de sproeikoppen stond geen waterdruk. Ook de brandwerendheid van de deuren is nooit getest.

(iv) Ten tijde van de brand bevond zich op het terrein van [bedrijf A] meer en zwaarder vuurwerk dan was vergund, waarbij hoeveelheden vuurwerk van gevarenklasse 1.1 en 1.2 aanwezig waren, hoewel opslag van zulk vuurwerk in het geheel niet was toegestaan. Op de bij [bedrijf A] opgeslagen soorten vuurwerk was vrijwel zonder uitzondering een etiket van de gevarenklasse 1.4 aangebracht, terwijl die etikettering in het geheel geen verband hield met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk; dat geldt in het bijzonder ook voor de opgeslagen titaniumshells, ten aanzien waarvan in een classificatietest zeer zware explosieve eigenschappen zijn vastgesteld. De aanvrager kon daarvan op de hoogte zijn en had daarvan op de hoogte moeten zijn.

5.3. De hiervoor in 4 onder I tot en met VII aangeduide omstandigheden en de daartoe bij de aanvrage gevoegde producties concentreren zich op de (technische) verklaring voor de omvang van de ramp en in het bijzonder op de door het Hof daarbij aan de aanwezigheid op het terrein van te zwaar en massa-explosief vuurwerk toegekende betekenis.

5.4. Reeds in het algemeen moet worden aangetekend dat het Hof uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien dat omtrent de (technische) verklaring van de omvang van de ramp - die zich nu eenmaal in deze omvang hééft voorgedaan - veel onzekerheden zijn blijven bestaan. Het Hof heeft geoordeeld dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren (dan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk) die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen "in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend kan worden". Het heeft daarbij aan de hand van de stukken van het dossier, waaronder deskundigenrapporten, aangenomen dat de brand die het vuurwerk in zeecontainer E2 heeft ontstoken waarschijnlijk is ontstaan door brandend of smeulend vuurwerk uitgeworpen uit de - brandende - montageruimte C2, in welke ruimte geen vuurwerk aanwezig mocht zijn, en dat het massa-explosieve karakter van het aanwezige vuurwerk het verdere verloop van de branden en ontploffingen heeft bepaald. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het feit dat de brand in montageruimte C2 tot de twee zware explosies heeft geleid waarschijnlijk is veroorzaakt door de aanwezigheid van vuurwerk in de montageruimte van C2, het massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in MAVO-box M7, welk gedrag geleid heeft tot een vrijwel gelijktijdige explosie van de inhoud van de MAVO-boxen M1 tot en met M6, en het massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in C11, waarbij vrijwel tegelijkertijd de inhoud van de overige opslagruimten van de bewaarplaats en van een aantal zeecontainers is geëxplodeerd. Ook bij deze vaststellingen is het Hof niet van zekerheden, doch van waarschijnlijkheden uitgegaan. Het Hof heeft op grond van een en ander geconcludeerd dat, indien de situatie bij [bedrijf A] geheel in overeenstemming met de vergunningsvoorschriften was geweest, de brand in de montageruimte C2 niet had kunnen escaleren tot de heftige explosies die hebben plaatsgevonden.

5.5. Uit het geheel van de hiervoor in 5.2.2 onder (i) tot en met (iv) samengevatte feitelijke vaststellingen heeft het Hof de schuld van [bedrijf A] afgeleid doordat - kort gezegd - te dien aanzien de aanvrager en zijn mededirecteur ernstig zijn tekortgeschoten in hun plicht tot naleving van de vergunningsvoorschriften en tot zorgvuldige controle.

De aanvrage houdt geen opgave in van omstandigheden van feitelijke aard waaruit kan blijken dat [bedrijf A] en de aanvrager als degene die mede feitelijk leiding heeft gegeven wel volledig in overeenstemming met de vergunningsvoorschriften hebben gehandeld, dat de deuren wel zelfsluitend waren en een brandwerendheid van 30 minuten hadden, dat er toch geen (onverpakt) vuurwerk aanwezig was op plaatsen waar dat niet was toegestaan, dat zich toch niet meer zeecontainers met daarin opgeslagen vuurwerk op het terrein bevonden dan was vergund, dat sprinklerinstallaties wel aanwezig waren of wel functioneerden, dat er op het terrein geen onjuist geëtiketteerd vuurwerk was opgeslagen en evenmin dat geen vuurwerk van gevarenklasse 1.1 (titaniumshells) of klasse 1.2 op het terrein aanwezig was.

5.6. Het vorenstaande brengt mee dat in het onderhavige geval eerst dan van een novum kan worden gesproken dat het ernstige vermoeden wekt dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, indien de aanvrage aan het Hof niet bekende omstandigheden van feitelijke aard inhoudt die, als zij aannemelijk zijn, meebrengen dat - niettegenstaande de hiervoor onder 5.4 en 5.5 vermelde feiten en omstandigheden - de op enige wijze ontstane brand zich redelijkerwijs niet zodanig zou hebben ontwikkeld en/of uitgebreid, dat ontploffingen en branden ontstonden, en dat het handelen en nalaten van de aanvrager en zijn mededirecteur redelijkerwijs niet zouden hebben geleid tot de ontwikkeling en uitbreiding van die brand tot deze branden en ontploffingen. Eerst dan zou de ten laste van [bedrijf A] bewezenverklaarde, uit de gedragingen van de aanvrager en zijn mededirecteur af te leiden, schuld aan de omvang van de ramp wezenlijk worden aangetast.

5.7. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond dienen de afzonderlijke herzieningsgronden te worden beoordeeld.

6. Beoordeling van de aanvrage. De aangevoerde herzieningsgronden

6.1.1. De eerste omstandigheid die in de aanvrage wordt aangevoerd houdt het volgende in. Het Hof heeft niet als vaststaand kunnen aannemen dat in bunker C11 6 inch titanium shells aanwezig waren, omdat dit berust op een verklaring van mededirecteur [medeverdachte] tegenover de politie van 28 november 2000, die inhoudt dat hij niet meer zeker weet of dit het geval was en waarin hij veronderstelt dat, als deze shells aanwezig waren, deze in C11 lagen opgeslagen, terwijl zijn nadere verklaring tegenover de politie van 9 mei 2001 luidt dat deze shells "volgens mij niet aanwezig waren. De titaniumshells van 3 en 4 inch lagen in C9".

6.1.2. Het vorenstaande levert geen novum op. Het Hof was met deze verklaringen bekend en heeft daaruit niet afgeleid dat titaniumshells niet in bunker C11 lagen. Een andere waardering van de inhoud van de ook aan de rechter bekende stukken van het dossier door de aanvrager, is geen nieuwe omstandigheid van feitelijke aard.

6.2.1. In de tweede plaats wordt het volgende aangevoerd. Anders dan waarvan het Hof is uitgegaan, kan van de aanwezigheid van titaniumshells op het terrein niet zonder meer gezegd worden dat deze bij brand massa-explosief gedrag vertonen. Daartoe wordt in het bijzonder een beroep gedaan op een door dr. A. Kappl uitgevoerd onderzoek (het zogenoemde Lichtenau-onderzoek), bestaande uit een reeks proeven op volle schaal in oktober 2005, waarbij een container gevuld met papier en karton, een blik met vijf kilogram zwartkruit en daarop twee shells en een derde shell achterin de container, met gesloten deuren tot explosie zijn gebracht door het papier en karton in brand te steken. Uit de tests (waarvan

video-opnames zijn overgelegd als productie I en II) blijkt volgens de aanvrage dat de drie shells niet mee ontploften. Daaruit wordt afgeleid dat van een massa-explosief gedrag, respectievelijk een sympathische reactie van de shells niet gesproken kan worden en dat een 6 inch shell niet een massa-explosief karakter heeft. Uit dit onderzoek en uit een (niet in het dossier aanwezig) rapport van februari 1992 van een - naar aanleiding van de zogenoemde vuurwerkramp te Culemborg in 1991 verricht - onderzoek door TNO, onder leiding van H. Kodde, naar explosie-effecten van verschillende soorten vuurwerk (productie IV bij de aanvrage), moet worden afgeleid dat het antwoord op de vraag of shells gelijktijdig exploderen veeleer afhankelijk is van de omstandigheden waaronder deze zijn opgeslagen dan van hun aard.

In de aanvrage wordt aan een en ander de conclusie verbonden dat het Hof niet heeft kunnen aannemen dat de aanwezigheid van hoog-explosieve titaniumshells een doorslaggevende of belangrijke rol heeft gespeeld bij de zware explosies.

6.2.2. Hetgeen is aangevoerd kan niet het ernstig vermoeden wekken dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken indien het Hof met de resultaten van de hiervoor bedoelde onderzoeken bekend was geweest. Ook indien titaniumshells niet onder alle omstandigheden een massa-explosief karakter hebben, sluiten deze rapportages niet uit dat zij bij een brand als waarvan hier sprake was, dit gedrag hebben kunnen vertonen, afhankelijk van bijvoorbeeld de opslagcondities. Aldus is niet aannemelijk dat de bedoelde onderzoeksresultaten tot vrijspraak zouden hebben geleid.

6.3.1. De derde herzieningsgrond betreft het volgende. In september/oktober 2005 heeft TNO in samenwerking met de Engelse organisatie Healthy Safety England (HSE) en de Bundesanstalt für Materialforschung und -prüfung (BAM) in opdracht van de Europese Commissie proeven op volle schaal uitgevoerd met containers gevuld met evenementenvuurwerk. Beeldopnamen van deze tests zijn als productie V en VI bij de aanvrage gevoegd. Uit die onderzoekingen kan worden afgeleid dat ook (een relatief kleine hoeveelheid) vuurwerk van klasse 1.4, opgeslagen in een container en daarin tot ontbranding gebracht, massa-explosief gedrag kan vertonen. Het, hiervoor onder 6.2.1 vermelde, Lichtenau-onderzoek (zoals bevestigd in een nadere verklaring van dr. Kappl van 3 december 2007; productie VIII) heeft voorts aan het licht gebracht dat zelfs enkel papier en karton onder bepaalde opslagcondities een "allesverwoestende explosie" kunnen veroorzaken, aldus de aanvrage. Daaraan wordt in de aanvrage de conclusie verbonden dat voor het ontstaan van de explosies die zich bij de vuurwerkramp in Enschede hebben voorgedaan niet relevant is om welke categorie vuurwerk het gaat en evenmin hoeveel vuurwerk het betreft, zodat de aanwezigheid van te veel en/of te zwaar vuurwerk op het terrein van [bedrijf A] niet langer een redelijke verklaring kan bieden voor de ramp.

6.3.2. Hetgeen is aangevoerd levert geen novum op. Anders dan in de aanvrage op grond van deze aangevoerde omstandigheden wordt geconcludeerd, kunnen deze niet meebrengen dat, zo het aangevoerde juist is, de aanvrager niet meer het hem gemaakte strafrechtelijke verwijt treft. De hier naar voren gebrachte omstandigheden maken immers niet aannemelijk dat de feitelijk op het terrein opgeslagen verboden hoeveelheden vuurwerk, de niet toegelaten zwaarte daarvan en het overige hem verweten handelen en nalaten van de aanvrager met betrekking tot opslagcondities, inrichting van bewaarplaatsen en behandeling van het vuurwerk redelijkerwijs voor de ontwikkeling van de brand tot de ramp niet van belang zijn geweest.

6.4.1. In de aanvrage wordt als vierde herzieningsgrond het volgende aangevoerd. In een in opdracht van de Stichting 'De Onderste Steen 13 mei 2000' vervaardigd rapport van 6 mei 2005 van meergenoemde dr. Kappl wordt verslag gedaan van een onderzoek dat hij, in samenwerking met het Arsenal Research Institute te Wenen, heeft verricht naar de oorzaak van de omvang van de vuurwerkramp in Enschede. Dat rapport (productie IX, met bijbehorende animaties overgelegd als productie X) houdt volgens de aanvrage twee conclusies in. De eerste is dat - anders dan waarvan het Hof is uitgegaan op basis van het NFI-rapport van 1 februari 2001 waarin dit "zeer waarschijnlijk" werd geacht - een externe brand naast container E2 niet kan hebben geleid tot de explosie van deze container. Uit het onderzoek is gebleken dat de explosie moet zijn veroorzaakt door een brand ín container E2. De tweede conclusie is dat het zogenaamde pyrolyse-proces (waaromtrent een verklaring van A. van Gool (productie XI) is overgelegd) in container E2 een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de omvang van de ramp. Hieraan wordt in de aanvrage de gevolgtrekking verbonden dat de catastrofale kracht van de explosies kan worden verklaard uit de opgetreden effecten van dit pyrolyse-proces en in redelijkheid niet uit de aanwezigheid van te veel en te zwaar vuurwerk op het terrein.

6.4.2. Het rapport van dr. A. Kappl van 6 mei 2005 houdt onder meer het volgende in.

"3.3. Evaluation of the stock contents

(...)

A 150-mm or 6 inch bomb weighs 1500 grams; 650 grams of it are used for the effect charge, 450 grams for the distribution charge (that is usually a kind of flash light based on potassium-chlorate/aluminium/ sulphur) and 100 grams for the propellant charge (made from high-qualitative black powder). In total: a 6 inch bomb consists of 1200 grams of explosives. In case of the misfortune-releasing container E2, where a gross total mass of 2890 kg is accepted, the NEM amounts to 2312 kg. So 190 kg of pure black powder are concentrated in propellant charges and 1084 kg are distribution charges! In case of a mass explosion this leads to a powerful explosion of all burning substances involved.

So in our calculations we considered also the burning of cardboard in the two violent main explosions. Because the calorific value of cardboard is about 4.7 KWh/kg, the effect of the explosion was substantially strengthened by the quick burning down of cardboard. Above all the combustion products steam and carbon dioxide cause a quick displacement of the surrounding air ans therefore a substantially strengthening of the blast effect. (...)

(...)

3.5 First large explosion

How this ignition source could spread to the container E2, will never be completely explained. Unfortunately, the persons who could have given information about that were killed by the following explosions. However, two statements can be assumed with certainty:

A)Even in case of a full fire in C3 and C4 the heat release is not sufficient to trigger an explosion in container E2 by convection or radiation (...). This is contradictory to the computer animation by NFI. Even a back-draft or similar phenomenon could not heat up the container E2 adequately for its contents to reach a critical temperature.

B)An accumulation of highly flammable subjects close to container E2 is also a possibility. 134 volcanoes with NEM of 3,5 kg were stored in C3. They produce a flame height of 10-12 meters with a burning-time of about 60 seconds! (...)

How the ignition of E2 really was triggered in detail will still remain unproven.

However, the possibilities are likewise limited.

Scenario 1:

There is a possibility that, e.g., a vulcan Fountain entered through a forklift opening to underneath the container. (...)

Apart from the steel girders, the floor of Euro containers is only made of 20 mm plywood or planks. It is not entirely unlikely, that a vulcan Fountain burned through the wooden floor and set afire the Fireworks in E2.

If consequently several 6 inch bombs went up at the same moment, enough pressure would have built up inside E2 to break the locking mechanism and tear the container's door open. (...)

According to the calculations of arsenal research a collapse of the locked container door is possible only with a pressure of at least 2.7 bars. To achieve this pressure at least 10 to 20 bombs would have to explode at the same time. The sudden appearance of smoke visible in the video points to a explosion process inside E2 (...) and calculations by arsenal research (...) supports this theory.

Scenario 2:

Another theoretical option is that due to the smoke development nearby E2, a member of the fire brigade or de [bedrijf A] personnel could have checked the container door of E2 and possibly opened briefly. In the meantime airborne remainders of 2,5-inch shells could have entered the container and set off further reactions. Theoretically this could have triggered a pyrolysis, which probably brought to explosion 1-2 boxes with six inch shells.

(...)

Fact is that the tragic explosion process of the Enschede disaster was initiated from container E2. The photographs make clear that such an explosion tore-off the right container door (seen from the front) upwards. A large amount of packing material was ruptured by the force of the explosion inside the container and began to burn. Additional six inch bombs exploded over a period of 20 seconds, and then the remaining contents of E2 converted in only one explosion. If only one third of the NEM is assumed, thus approximately 770 kg for this reaction, then this explosion in worst condition corresponds explosive-technically to the effect of approx. 231 kg TNT (average value factor 0.3 during full reaction in a bore hole). This explosive yield is surely sufficient to pierce the neighbouring container E1 and ignite its contents (distance about 2 m). Unfortunately E1 could not stop or brake the explosion, because there were large quantities of Flash Light Bangers (...). The stock list shows 150 times 10000 pieces to 10 kg per unit. Thus 1500 kg gross weight corresponding to 1000 kg net of these flash light bangers filled E1!

It is assumed that these Flash Bang-charges, which essentially consist of flash light powder, were ignited at once by the enormous force of the explosion by E2. Flash light powder mainly consists of 75% potassium-perchlorate and 25% aluminium. The detonation effect of these powders is rather harmless in small devices, but in a mass explosion the effect of a weak dynamite-like explosive can be reached (detonation speed approx. 2500m/sec)!

(...)

1000 kilograms of Flash Bang powder with the explosiveness of 0.3 to 0.5 in relation tot TNT, have an equivalent effect of approximately 300-500 kg TNT. Consequently it can be said with certainty that the explosion transfer from E2 over E1 to M7 occurred practically without delay. A further unfortunate circumstance of the explosion disaster of Enschede was that container M7 had still more explosive contents than E2, i.e. shells from 150 mm to 250 mm (6 inch to 10 inch) with at least 3200 kg gross weight and a NEM of at least 2560 kg. This container must have exploded suddenly.

3.6. Second large explosion

The force of the first large explosion and the pressure wave following from it were sufficient to damage and/or partly open all shelters and containers at the [bedrijf A] premises. It was a question of approximately 60 seconds, until the procedure of E2-E1-M7 repeated itself. Consequently, through the pressure wave from M7 the containers E8 to E10 were damaged and briefly afterwards allowed the explosive conversion. The ignition impact by the 300 mm shells stored in container E9 (12 inch) was so violent that it came to the second large explosion of practically all remaining fireworks.

4. Chemical Part: Thermo chemical basics

(...)

The previous conclusions of the Enschede explosion disaster stated that the presence of Flash Bang Shells is responsible for the large effect of the explosion. From a chemical point of view this is not necessarily the case. There was already enough energy coming from unburned black powder and carbon from packaging board. (...)

Therefore 1 kilogram of black powder delivers with its explosion about 400 g or 2300 dm³ of gas and 560 g very hot solid particles. The combustion temperature is about 2400°C.

(...)

An additional fact is that thermit - a mixture of iron oxide and aluminium granules (...) - produces sparks of long duration in so-called "Kamuroshells". The combustion temperature is the same like black powder, around 2400°C.

Thermit delivers with its reaction (...) only solids (slag) and is not explosive. The heat effect remains local - except thermit is distributed with a strong mass explosion (like in Enschede). Then large amounts of ignitable energy sources like thermit, aluminium or carbon from burned fireworks-cardboard lead to a dramatic increase of the explosion effect.

(...)

Besides, the flash light charges (the existence of Flash Bang Shells is not essential) from thousands of heavy fireworks bombs with distribution charges and a fraction of more than 37% of the NEM (...) certainly caused an essential reinforcement to the magnitude of the destructions in the two main explosions from May 13th.

5. Fluid Dynamics Investigation

(...)

5.2 Heat Transfer from Bunker C2 to Container E2

One of the discussed possible scenarios assumed ignition of container E2 by direct heat transfer from the burning bunker C2. To investigate this possibility, a numerical analysis of this scenario including heat transfer and chemical radiation was performed.

(...)

5.2.1 Conclusion

The wall temperature on the outer surface of container E2 was simulated to reach a maximum of 190°C. This temperature has to be interpreted as steady state condition, which is reached after extended exposure over time with fire temperatures of 2200 K. These conditions were most likely not met during the actual fire, as firearms reached the site ten minutes after fire detection (...) and started extinguishing. Also smoke and steam strongly reduces lateral transmission of radiation (in the simulation optically thin medium was used).

As a consequence the mentioned outer surface temperatures of 190°C could - if ever - have been reached only for a rather short period. Under these circumstances an ignition of fireworks inside the container is not possible. The probability of ignition by direct convective or radiative heat transfer from C2 (or neighbours) to E2 can be neglected.

5.3 Ignition Scenario of Container E2

Based on available information (observations and video footage) of the disaster, the first major explosion at 3:34:40 PM (...) most likely was initiated from the zone around container E2 or even from inside E2. Based on this information, a possible scenario was deduced and backed by CFD simulations.

(...)

5.3.2 Ignition Scenario of Container E2

As already described in section 3.5, the container E2 and other containers were standardized Euro-containers. The floor of these containers consists of 20 mm plywood or wooden planks, which are reinforced on the bottom by steel girders (...). There are openings on the side or front for pick up by a forklift. These openings are fairly large (...). Consequently, there is a certain possibility that some kind of burning fireworks slipped under the container and burned through the floor. (...) 5.3.3 Required Pressure Forces for Failure of the Door Locking Mechanism at Container E2

Based on the assumption that the doors of container E2 were closed and locked, the internal overpressure was estimated, which would be necessary to blow open the doors. This overpressure could possibly be due to a combustion process inside the container, burning packaging material and some fireworks.

(...)

Under the assumption that all latches are broken simultaneously, simple setting up equilibrium of forces results in a critical pressure of about 2.6 bar. If a more realistic situation of uneven load to the latches is postulated, even lower forces could have triggered the failure of the doors.

The required amount of black powder was calculated from the following assumptions:

(...)

From these basic assumptions the required mass of burned gunpowder amounts to about 5 kg. Rapid combustion or even detonation of this mass of gunpowder would result in an overpressure of approximately 2.7 bar inside E2.

Under these conditions, the door latches are failing, the doors swing open. While gases from inside E2 are escaping (most likely containing un-burnt carbons from oxygen-starved combustion of packaging material), pressure quickly decreases.

In return fresh air could probably be drawn into E2, further boosting combustion.

5.4 Carbon Particle Dispersion Initiating the First Big Explosion

A possible reason for the large gas explosion (...) is the presence of combustible or volatile gases. The dark - almost black - smoke emanating from E2 (...) leads to the conclusion, that unburned carbon from incomplete combustion was present. Because there were large amounts of packaging material (itself densely packed) in E2, significant amounts could have pyrolysed to some extent. Carbon particles from a pyrolytic process inside the packing material of container E2 are assumed to play an important role initiating the first big explosion.

(...)

5.4.1 Conclusion of Smoke Propagation Solution

The CFD simulation clearly shows a reasonably coincidence with the video observations.

(...)

From this scenario an ignition of a gas and/or dust explosion by another source of fire (bunker C2 or fireworks) seems most likely. The energy set free from this explosion taking place mostly in the open space between C-bunkers and E-containers respectively M-boxes could consequently have initiated the further course of the disaster.

Remark:

These findings outline a possible scenario, which could be backed to some extent by simulation. The physical conclusions were based on all available information and video observations. Yet there is no proof that the outlined scenario is the correct option. Rather it is acknowledged, that it is a very possible option.

6. Summary

6.1 Burning metals or not?

On account of the precise chemical composition of the Vulcan Fountains in bunker C3 and the huge amount of water used by the fire-fighters a classical metal fire can be excluded practically. The metallic content (titanium) of the extinguished

Vulcan's is between 0.5% to a maximum of 12%. However, large amounts of hot steam have been generated and promoted the breakthrough of the wall to bunker C4. Fact is that bunker C4 caught fire despite of massive fire-fighting applications.

6.2 Transmission of fire from C4 to E2

The simulation of arsenal research shows that:

• An ignition of E2 was not possible due to heat transfer by means of radiation or convection (back-draft effects) originating from C4.

• A rupture of the container E2's doors was possible by the explosion of a limited number of shells inside E2.

• Consequently a cloud of incompletely burned gases and particles flowed out of E2 resulting in a cloud of smoke as seen in the video observation.

• This cloud and particle stream from E2 was directed upwards by buoyant forces and has thus contributed to the picture of a coal dust/ carbone monoxide cloud in the air (most likely made up of incompletely burned material from inside E2). This cloud was ignited by readily available sources (airborne fireworks and bunker C).

A scenario on how E2 could possibly have been ignited was developed and backed by fluid dynamics simulation.

6.3 Explanations for the big air blast effect:

With mass explosions the effect charges have to be counted just like black powder. Assuming all calibres larger than 6 inch with a net explosive mass (NEM) of at least 80% there were

in C7, C138.032 kg

in M72.543 kg

in E2, E9, E10 6.936 kg

Altogether this amounts to 17.511 kg of objects with the ability for mass explosions. From the 1.000 kg of flash light powder in E1 and the remaining containers with approximately 30% NEM on an average, we have to add 30.432 kg NEM. So the total NEM on the area of [bedrijf A] was 48 metric tons with a gross explosive mass of 120 tons. According to conventional calculations with 30% NEM on the average one would have to suppose 160 t gross weight on the [bedrijf A] area. However the high fraction of large-calibre shells reduces this quantity by 25 per cent.

From explosion-technical and fluid dynamics views the large air blast effect can not only be explained by the large quantity of explosive material. Rather the circumstance is to be considered that unburned reaction products of black powder e.g. sulphur or carbon monoxide and unburned packing as for instance cardboard very probably increased fire ball and pressure wave. These reaction products could not strengthen the shattering effect, but acted strongly pushing onto the environment. The small crater development in contrast to the large blast wave effects supports this observation."

6.4.3. Hetgeen is aangevoerd levert geen novum op. De inhoud van container E2 - waaronder, naar in voormeld rapport van dr. Kappl wordt aangenomen, een hoeveelheid 6 inch shells - is in ieder geval door vuur tot ontploffing gekomen. Dit feit kan de omvang van de explosie verklaren. De omstandigheid dat volgens het onderzoek van dr. Kappl ook andere factoren - in het bijzonder "unburned reaction products of black powder e.g. sulphur or carbon monoxide and unburned packing as for instance cardboard" (rapport onder 6.3) - dan alleen de ontbranding van de 6 inch shells in container E2 het vernietigend effect van de explosie voor een belangrijk deel verklaren, doet daaraan niet af. In het rapport wordt omtrent bedoeld soort vuurwerk onder meer nog vermeld: "Besides, the flash light charges (...) from thousands of heavy fireworks bombs with distribution charges and a fraction of more than 37% NEM (...) certainly caused an essential reinforcement to the magnitude of the destructions in the two main explosions from May 13th" (rapport onder 4). De uitworp van brandend of smeulend vuurwerk uit montageruimte C2 - waarin geen vuurwerk aanwezig had mogen zijn - biedt, zoals het Hof heeft vastgesteld, voor het uiteindelijk ontstaan van vuur in container E2 een aannemelijke verklaring; voormeld rapport brengt daarin geen verandering. Hoe de inhoud van container E2 tot ontploffing is gekomen, heeft het Hof niet met zekerheid kunnen vaststellen. Ook indien, anders dan waarvan het Hof op grond van deskundigenrapporten is uitgegaan, niet zeer waarschijnlijk is dat een naast E2 gewoed hebbende brand de inhoud van die container heeft ontstoken, maar waarschijnlijk is dat een brand in de container dit heeft veroorzaakt, laat dit de verwoestende kracht van de in de container ontstane explosie onverlet. De thans overgelegde onderzoeken bieden ook geen zekerheid hoe in E2 brand is ontstaan: de mogelijkheid bestaat dat door openingen onderin de container de houten vloer in brand is geraakt of dat de deur van de container op enig moment even geopend is geweest.

Voormelde onderzoeksresultaten hebben geen betrekking op de zelfsluitendheid van de toegangsdeur van deze container, de brandwerendheid van de deur of de afwezigheid van een (functionerende) sprinklerinstallatie in de container. De onderzoeken bieden geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat, zouden deze voorzieningen wel zijn getroffen, de brand in de container ook zou zijn ontstaan of het vuur in de container dezelfde verwoestende gevolgen zou hebben gehad.

Zoals hiervoor onder 6.3.2 is overwogen, geldt derhalve ook hier dat de aangevoerde omstandigheden niet het ernstig vermoeden wekken dat, als deze aannemelijk zouden zijn bevonden en aan het Hof bekend zouden zijn geweest, het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken.

6.5.1. Als vijfde herzieningsgrond wordt aangevoerd dat, anders dan het Hof heeft aangenomen, niet gedurende minimaal een half uur brand is geweest naast container E2. Daartoe wordt een beroep gedaan op een verslag van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 16 augustus 2007 (productie XII). Daarin wordt melding gemaakt van gesprekken met [betrokkene 1], destijds officier van de brandweer te Enschede. Uit die gesprekken zou blijken dat [betrokkene 1], die de ochtend na de ramp tien van de bij de ramp betrokken brandweerlieden heeft ondervraagd, uit die ondervragingen heeft opgemaakt dat geen van de brandweerlieden vuur heeft gezien naast container E2 en, zo daar ter plaatse brand was geweest, deze zou zijn geblust. De afwezigheid van zo een brand zou worden bevestigd door destijds vervaardigd filmmateriaal, dat toen aan het NFI en TNO ter beschikking is gesteld. Aan een en ander wordt in de aanvrage de conclusie verbonden dat de oorzaak van de brand in container E2 niet in een naastgelegen externe brand van de vermelde duur is gelegen.

Daarvan uitgaande, wordt als zesde herzieningsgrond naar voren gebracht dat het ontstaan van brand in container E2 kan worden verklaard uit het navolgende. Kort nadat het sein 'brand meester' was gegeven, zijn - zo wordt afgeleid uit de hiervoor bedoelde verklaringen van [betrokkene 1], in verband met destijds tegenover de politie afgelegde verklaringen van mededirecteur [medeverdachte], medewerker [betrokkene 2] en brandweerman [betrokkene 3] over het openen van deuren en het al of niet afgeven van sleutels van bunkers aan de brandweer - deuren van opslagplaatsen geopend ter controle of nog ergens vuur was. Bij brand op een vuurwerkterrein moeten deuren van bewaarplaatsen van vuurwerk te allen tijde gesloten blijven teneinde escalatie te voorkomen. Na de brand in opslagplaats C2 is ter controle onder meer de deur van bunker C4 door een brandweerman geopend. Nadat de deur van C4 was geopend en zou zijn geconstateerd dat daarin geen brand was, bleek deze nadien toch in lichterlaaie te staan en vonden daarin explosies plaats. Het is heel plausibel dat een brandend stuk vuurwerk of een spattende vonk door de open deur in de opslagplaats C4 is geraakt. De aldaar gevolgde explosies en het uitgeworpen vuurwerk, onder meer richting container E2, kan vuur in deze container E2 hebben gebracht, alwaar vervolgens brand is ontstaan bij of na weer gesloten deuren.

In verband met het verbod bij brand deuren te openen wordt als zevende herzieningsgrond aangevoerd dat zulks blijkt uit het op de deuren van de bewaarplaatsen aangebrachte gevaarsetiket, waarmee door middel van een symbool het ontploffingsgevaar wordt aangeduid.

De conclusie die in de aanvrage aan het vorenstaande wordt verbonden is dat bij gesloten deuren een verdere brandontwikkeling was uitgebleven en dat "alsdan (...) niet langer sprake [kan] zijn van een voldoende oorzakelijk verband tussen de uitbreiding van de brand tot de latere twee explosies, zodanig dat zulk causaal verband een verantwoordelijkheid van [de aanvrager] in strafrechtelijke zin zou kunnen rechtvaardigen".

6.5.2. Hetgeen is aangevoerd levert geen novum op. Het Hof is ervan uitgegaan dat de vraag hoe de brand in montageruimte C2 zich heeft kunnen uitbreiden naar bunker C4 en naar container E2 niet met zekerheid kon worden beantwoord. Het Hof was op grond van de in het dossier opgenomen verklaringen tevens ermee bekend dat omtrent het openen van deuren en in verband daarmee de afgifte van sleutels aan een brandweerman verschillende verklaringen waren afgelegd en dat [medeverdachte] had verklaard geen sleutels te hebben afgegeven omdat dit te gevaarlijk was. Hetgeen is aangevoerd is onvoldoende om aannemelijk te doen zijn dat deuren, waaronder de deur van bunker C4, in strijd met destijds voor de brandweer geldende instructies door een brandweerman zijn geopend op een moment dat dit onverantwoord was wegens het gevaar van overspringend vuur. Het aangevoerde behelst voorts in feite niet meer dan de mogelijkheid dat de deur van container E2 heeft opengestaan en dat uit bunker C4 afkomstig brandend materiaal vuur in container E2 heeft gebracht. Voor zover in het aangevoerde de suggestie wordt gewekt dat de deur van container E2 ten onrechte door de brandweer is geopend, wordt deze suggestie niet onderbouwd. De aangevoerde omstandigheden houden ten slotte niet in dat bij aanwezigheid van de vereiste zelfsluitende en voldoende brandwerende deuren en van (functionerende) sprinklerinstallaties de verdere brandontwikkeling ook zou zijn opgetreden.

Tegen deze achtergrond is de gevolgtrekking gerechtvaardigd dat, al zou geen brand naast container E2 hebben gewoed en al zou het openen ter controle van de deur van bunker C4 hebben plaatsgevonden en op een fout van de brandweer berusten, dit niet het ernstig vermoeden kan wekken dat dit de bewezenverklaarde schuld van

[bedrijf A] zou aantasten.

6.6.1. De achtste herzieningsgrond houdt in dat de hiervoor bedoelde informatie betreffende het openen van deuren, waaronder die van bunker C4, destijds welbewust is achtergehouden door de leiding van het Tolteam, dat het politionele onderzoek heeft uitgevoerd, en dat daarom de aanvrager geen eerlijk proces heeft gehad. Ter ondersteuning daarvan wordt erop gewezen dat [betrokkene 1] zijn verklaringen tegenover [verbalisant 2] en [verbalisant 3] niet heeft willen ondertekenen, dat [betrokkene 3] geen verklaringen heeft willen afleggen uit vrees voor ontslag, dat andere brandweerlieden geen toestemming hebben gegeven aan [betrokkene 1] om hun verklaringen ter beschikking te stellen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3], dat de leiding van het Tolteam destijds de verhorende verbalisanten heeft gezegd dat zij bij verhoor van de brandweermensen niet mochten doorvragen, maar moesten volstaan met 'aanhoren', dat [betrokkene 3] tegenover de Rechter-Commissaris onder ede heeft verklaard dat hij niet aan de achterzijde van het bunkercomplex, waar bunker C4 zich bevond, is geweest en dat brandweerofficier [betrokkene 4] heeft verklaard voorstander te zijn van openheid, maar de leidinggevenden bij de brandweer in opdracht van hogerhand niets naar buiten mogen brengen.

6.6.2. Hetgeen is aangevoerd levert geen novum op. De ter ondersteuning daarvan in de aanvrage genoemde omstandigheden maken niet aannemelijk dat de desbetreffende informatie - die slechts betreft nadere verklaringen omtrent de, aan het Hof reeds bekende, mogelijkheid dat deuren zijn geopend - welbewust door de leiding van het Tolteam is achtergehouden.

Ten overvloede geldt het volgende. Uit hetgeen hiervoor in 6.5.2 is overwogen volgt dat de desbetreffende nadere informatie niet zo essentieel is dat deze, ware die aan het Hof achteraf bekend geworden, aan de schuld van [bedrijf A] zou kunnen afdoen. Tot vrijspraak kan het aangevoerde dus ook om die reden niet leiden. Tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie evenmin. Hetgeen ter toelichting is aangevoerd houdt niet in dat door het beweerde achterhouden van die informatie sprake is geweest van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de aanvrager aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

7. Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is vorenoverwogen vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat deze moet worden afgewezen.

8. In de aanvrage gedane verzoeken

De Hoge Raad acht geen grond aanwezig voor het horen van ir. P.A.C.M. de Bruyn, dr. A. Kappl, [betrokkene 4], [betrokkene 1] en [betrokkene 3] als getuigen of getuigen-deskundigen. In de afwijzing van de herzieningsaanvrage ligt besloten waarom ook de desbetreffende - in de aanvrage subsidiair gedane - verzoeken worden afgewezen.

9. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 24 juni 2008.