Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD4949

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
07/13289 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD4949
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan republiek Servië. HR verwerpt het middel door te verwijzen naar de CAG. De Rb heeft het verweer van de raadsman terecht verworpen. Art. 28.1 EUV, het verdrag waarbij NL en Servië partij zijn, bepaalt dat bepalingen uit bilaterale verdragen die de uitlevering regelen vervallen. Dat brengt met zich dat art. 4 van de Overeenkomst tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Servië tot regeling der wederzijdsche uitlevering van misdadigers, gesloten te Belgrado op 11 maart 1896 (Stb. 1897, 42) niet van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 513
RvdW 2008, 776
NJB 2008, 1526
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2008

Strafkamer

nr. 07/13289 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 15 november 2007, nummer 07/1175, op een verzoek van de autoriteiten van Servië tot uitlevering van:

[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie Haarlem" te Haarlem.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. C.L. Kranendonk, advocaat te Beverwijk, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Procureur-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 4 van de Overeenkomst tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Servië tot regeling der wederzijdsche uitlevering van misdadigers, gesloten te Belgrado op 11 maart 1896 (Stb. 1897, 42) op grond van art. 28 van het Europees uitleveringsverdrag niet van toepassing is.

3.2. Op de gronden die zijn vermeld in de aan dit arrest gehechte conclusie van de Procureur-Generaal onder 3 tot en met 10 kan het middel niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A van Dorst en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 24 juni 2008.