Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD3713

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-09-2008
Datum publicatie
05-09-2008
Zaaknummer
R06/188HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD3713
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over wijziging van de partneralimentatie; onbegrijpelijk oordeel, bij draagkrachtberekening geen rekening gehouden met privé-opname van bedrijfsrekening door onderhoudsplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 620
RvdW 2008, 808
RFR 2008, 118
NJB 2008, 1693
JWB 2008/347
JPF 2008/141 met annotatie van PVl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 september 2008

Eerste Kamer

R06/188HR

RM/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. Groen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij verzoekschrift gedateerd 29 juli 2005 (en een aanvullend verzoekschrift van december 2005) heeft de man zich gewend tot de rechtbank Amsterdam en onder meer verzocht, kort gezegd, de beschikking van de rechtbank Haarlem van 23 maart 2004, waarbij voorzover thans van belang is bepaald dat de man met ingang van 23 maart 2004 € 755,-- per maand zal voldoen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, te wijzigen in dier voege dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie met ingang van 23 maart 2004 op nihil wordt gesteld. Subsidiair heeft de man verzocht te bepalen dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie met ingang van 19 februari 2005 op nihil wordt gesteld.

De vrouw heeft het verzoek bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 29 maart 2006 de beschikking van de rechtbank Haarlem van 23 maart 2004 in zoverre gewijzigd dat de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 29 maart 2006 op € 694,-- per maand is bepaald. Het meer of anders verzochte heeft de rechtbank afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 28 september 2006 heeft het hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en opnieuw rechtdoende, voor zover thans van belang:

- de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 21 april 2004 tot 1 januari 2007 bepaald op € 530,-- per maand, met dien verstande dat, voorzover de man over de periode vanaf 21 april 2004 tot aan de datum beschikking meer heeft betaald en/of op hem meer is verhaald, de uitkering tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

- de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2007 bepaald op € 450,-- per maand;

- het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping.

De advocaat van de man heeft bij brief van 20 juni 2008 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 7 november 1991 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 23 maart 2004 heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 21 april 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 1999 een zoon geboren.

(iii) In de hiervoor vermelde beschikking van 23 maart 2004 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 755,-- per maand.

(iv) Tot medio 2003 werkte de man in loondienst. Daarna is hij een eenmanszaak begonnen.

3.2 De man heeft de rechtbank verzocht de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te bepalen op nihil, althans op een lager bedrag dan is vastgesteld in de beschikking van 23 maart 2004. De rechtbank heeft de alimentatie voor de vrouw met ingang van 29 maart 2006 bepaald op € 694,-- per maand. In hoger beroep heeft het hof bij beschikking van 28 september 2006 de alimentatie over de periode van 21 april 2004 tot 1 januari 2007 bepaald op € 530,-- per maand, met dien verstande dat voor zover de man over de periode vanaf 21 april 2004 tot aan de datum van de beschikking van het hof meer heeft betaald en/of op hem meer is verhaald, de alimentatie over die periode wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald. In rov. 4.4 heeft het hof onder meer overwogen dat het bij het bepalen van de alimentatie op € 530,-- per maand "geen rekening [heeft] gehouden met de door de man gestelde ziektekosten in 2003, die blijkens een door hem overgelegde pagina uit het grootboek van zijn eenmanszaak € 1.557,-- bedroegen, aangezien het hof ervan uitgaat dat deze kosten zijn verdisconteerd in de winst uit onderneming in dat jaar."

3.3 Onderdeel 1.1, dat opkomt tegen deze overweging van het hof, betoogt dat het hier gaat om privé-ziektekosten, zoals op de grootboekkaart is vermeld en dat ter betaling van deze kosten een privé-opname is gedaan van de bedrijfsrekening. Het onderdeel is terecht voorgesteld. Het oordeel van het hof dat het bij het bepalen van de draagkracht van de man geen rekening behoefde te houden met deze ziektekosten, is ontoereikend gemotiveerd nu uit de omstandigheid dat de ziektekosten als privé-opname zijn opgenomen in het grootboek van een ondernemer niet zonder meer kan worden afgeleid dat deze kosten ten laste zijn gebracht van de winst.

3.4 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 28 september 2006;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 september 2008.