Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD3423

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-09-2008
Datum publicatie
05-09-2008
Zaaknummer
07/12004
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD3423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Geen beginsel van Nederlands faillissementsrecht dat, ook al is geen sprake van pensioen ter uitvoering van pensioentoezegging door werkgever en/of een wettelijk verplicht gestelde deelname aan een pensioenregeling, aanspraken op een pensioenvoorziening buiten het tot het faillissement behorend vermogen vallen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 22a, geldigheid: 2008-09-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/290
JOL 2008, 624
NJ 2008, 478
RvdW 2008, 804
RI 2008, 78
PJ 2008, 114
NJB 2008, 1695
JWB 2008/357

Uitspraak

5 september 2008

Eerste Kamer

07/12004

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [Verzoeker 1],

2. [Verzoekster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERZOEKERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen,

t e g e n

mr. K. DE JONG, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van verzoekers tot cassatie,

kantoorhoudende te Alphen aan den Rijn,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s. en de curator.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij vonnis van 2 december 2004 zijn [verzoeker] c.s. in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. K. de Jong tot curator.

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 16 juli 2007 toestemming gegeven aan de curator voor het afkopen van een tweetal verzekeringen op naam van [verzoeker] c.s. bij Merrill Lynch, die vanaf 2008 recht geven op een uitkering van € 356,--, respectievelijk € 197,-- per maand.

Tegen deze beschikking hebben [verzoeker] c.s. hoger beroep ingesteld bij de rechtbank 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 24 september 2007 heeft de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris van 16 juli 2007 bekrachtigd.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De curator heeft verzocht het beroep te verwerpen en voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep, zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.

De advocaat van [verzoeker] c.s. heeft bij brief van 19 juni 2008 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verzoeker] c.s. zijn bij vonnis van 2 december 2004 in staat van faillissement verklaard.

(ii) De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 16 juli 2007 de curator toestemming gegeven voor het afkopen van twee, hierna als IRA's (Individual Retirement Accounts) aangeduide verzekeringen op naam van [verzoeker] c.s. bij Merrill Lynch te New York, die vanaf 2008 recht geven op een uitkering van € 356,-- respectievelijk € 197,-- per maand.

(iii) [Verzoeker] c.s. hebben tegen die beschikking hoger beroep ingesteld.

3.2 De rechtbank heeft de beschikking bekrachtigd en daartoe, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

Anders dan [verzoeker] c.s. betogen, staat het bepaalde in art. 7:986 lid 4 BW en art. 32 lid 4 Pensioen- en spaarfondsenwet - sedert 1 januari 2007: art. 65 lid 1 Pensioenwet - niet aan afkoop door de curator in de weg. Art. 7:986 lid 4 mist toepassing omdat, naar de curator onbestreden heeft gesteld, de onderhavige IRA's door [verzoeker] c.s. kunnen worden afgekocht. Voorts is gesteld noch gebleken dat [verzoeker] c.s. ten tijde van het sluiten van de desbetreffende overeenkomsten gewoonlijk in Nederland hun werk verrichtten. Het "werklandbeginsel" brengt dan mee dat de Pensioenwet (gelijk voorheen de Pensioen- en spaarfondsenwet) evenmin van toepassing is (rov. 2.2 - 2.3). Uit art. 22a F. volgt dat het recht op het doen afkopen van een levensverzekering buiten de boedel valt voor zover de verzekeringnemer door afkoop onredelijk wordt benadeeld (rov. 2.4). Afkoop van de aanspraken uit de IRA's is echter niet onredelijk benadelend, en daaraan kan niet afdoen dat het op die overeenkomsten toepasselijke recht van de Staat New York afkoop door de curator mogelijk verbiedt (rov. 2.7).

3.3 In het oordeel van de rechtbank dat afkoop van de aanspraken uit de IRA's van [verzoeker] c.s. voor hen niet onredelijk benadelend is, ligt besloten dat die aanspraken niet zijn aan te merken als hoogstpersoonlijke en derhalve geen deel van het tot het faillissement behorend vermogen uitmakende rechten. Tegen laatstvermeld oordeel richten zich de onderdelen 1 en 2.

Anders dan in onderdeel 2, en in wezen ook in onderdeel 1, wordt betoogd, is geen beginsel van Nederlands faillissementsrecht dat, ook al is geen sprake van een pensioen ter uitvoering van een pensioentoezegging door de werkgever en/of een wettelijk verplicht gestelde deelname aan een pensioenregeling, aanspraken op een pensioenvoorziening buiten het tot het faillissement behorend vermogen vallen. Bij dat uitgangspunt geeft het bestreden oordeel van de rechtbank niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel kan voor het overige als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht en behoefde gelet op het debat in feitelijke aanleg geen nadere motivering dan door de rechtbank is gegeven. Het voorgaande leidt tot verwerping van beide onderdelen.

3.4 Onderdeel 3 faalt omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of de rechter-commissaris de curator naar Nederlands faillissementsrecht kon machtigen de aanspraken uit de IRA's te doen afkopen niet terzake doet of afkoop naar het recht van de Staat New York mogelijk zal blijken te zijn.

3.5 Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het principale beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 september 2008.