Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD3185

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
43716
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Milieu-investeringsaftrek. Willekeurige afschrijving milieu-investeringen. Is separate melding voor de milieu-investeringsaftrek vereist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2008/224
V-N 2008/27.8 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.716

6 juni 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 31 januari 2007, nr. 04/00638, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende vormt samen met haar dochtermaatschappij A B.V. een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2000 heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op milieu-investeringsaftrek (hierna: de MIA) voor investeringen tot een bedrag van ƒ 1.154.612. De aanspraak van belanghebbende op de MIA is door de Inspecteur voor twee investeringen toegekend en voor de zes overige investeringen geweigerd. Voor vijf daarvan (hierna: de vijf investeringen) is in geschil of belanghebbende recht heeft op de MIA. Belanghebbende heeft de vijf investeringen aangemeld voor de willekeurige afschrijving op milieu-investeringen (hierna: de VAMIL) bij het Bureau Investeringsregelingen en Willekeurige Afschrijving (hierna: Bureau IRWA) te Breda.

3.1.2. Voor wat betreft de vóór de invoering van de MIA in juli 2000 (met terugwerkende kracht naar 1 januari 2000) ingediende meldingen voor de VAMIL heeft Bureau IRWA belanghebbende in de gelegenheid gesteld op vereenvoudigde wijze alsnog een aparte melding voor de MIA te doen. Voor wat betreft de vijf investeringen - die zijn gedaan na de invoering van de MIA - is deze gelegenheid niet geboden.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende voor de vijf investeringen geen recht heeft op de MIA. Het heeft daartoe overwogen dat de melding voor de VAMIL niet mede kan worden aangemerkt als een melding voor de MIA. De zorgplicht van Bureau IRWA en de mogelijkheid om in een later jaar op een gecombineerd formulier zowel meldingen voor de VAMIL als voor de MIA te doen, leiden volgens het Hof niet tot een ander oordeel. Het onverplicht verleende dienstbetoon van Bureau IRWA ten aanzien van de vóór de invoering van de MIA ingediende meldingen voor de VAMIL diende volgens het Hof voor belanghebbende en zijn professionele gemachtigde veeleer een aanwijzing te zijn om de sinds de invoering van de MIA ingediende meldingen voor de VAMIL alsnog aan te vullen met een aparte melding voor de MIA.

3.3. Het middel richt zich met rechtsklachten tegen 's Hofs hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel dat de meldingen voor de VAMIL voor de vijf investeringen niet mede kunnen worden aangemerkt als meldingen voor de MIA.

3.4. Met het oog op de budgettaire beheersbaarheid en een doelmatige uitvoering van de MIA dient de belastingplichtige die aanspraak wil maken op de MIA de milieu-investering binnen een bepaalde termijn te melden (Kamerstukken II 1999/00, 26 532, nr. 5, blz. 15). Deze meldingsprocedure komt grotendeels overeen met de meldingsprocedure van de reeds langer bestaande VAMIL. Uit artikel 18b van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving volgt dat met betrekking tot bedrijfsmiddelen als bedoeld in de hoofdstukken 1 tot en met 5 van de bijlage bij de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen die op de voet van artikel 11, lid 13, van Wet op de inkomstenbelasting 1964 worden aangemeld voor de MIA, de melding voor de MIA op verzoek van de belastingplichtige tevens geldt als melding voor de VAMIL. Dit betekent dat een separate melding met accountantsverklaring in dergelijke gevallen niet nodig is. Uit het vorenstaande volgt dat in geval van samenloop van beide regelingen in ieder geval voor de MIA melding dient te worden gedaan. De belastingplichtige heeft ten aanzien van deze meldingsprocedure een eigen verantwoordelijkheid. De in het middel aangevoerde stelling dat Bureau IRWA belanghebbende had dienen te informeren over de met ingang van 1 januari 2000 bestaande aanvullende mogelijkheid om naast de VAMIL tevens de MIA aan te vragen, vindt geen steun in het recht.

Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2008.