Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD3159

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
41769
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2005:AS7576, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikelen 220 en 243 Gemeentewet. Vrijstelling onroerendezaakbelastingen wegens gebruik. Artikel X, lid 1, NAVO-Statusverdrag niet van toepassing. Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen. Duurzaam verblijf houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/902
BNB 2008/211 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
FED 2008/72 met annotatie van Redactie
V-N 2008/29.27 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.769

6 juni 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 januari 2005, nr. 01/01173, betreffende een aanslag in de onroerendezaakbelastingen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 wegens het gebruik van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de onroerende zaak) een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Onderbanken opgelegd. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen van de gemeente Onderbanken gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Onderbanken (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. De echtgenote van belanghebbende heeft de Amerikaanse nationaliteit en is sedert 1987 aangesteld als lerares bij de B School te Q. Zij is lid van de civiele dienst als omschreven in artikel X, lid 1, van het Verdrag tussen de Staten, die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Verdrag van Londen van 19 juni 1951, Tractatenblad 1953, no. 10), welk verdrag door Nederland voor het Rijk is goedgekeurd bij de Wet van 7 augustus 1953, Stb. 438 (hierna: het NAVO-Statusverdrag).

3.1.2. Sinds 15 juni 1989 maken belanghebbende en zijn echtgenote onafgebroken gebruik van de onroerende zaak.

3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende voor het jaar 2000 terecht is aangeslagen in de onroerendezaakbelastingen wegens het gebruik van de onroerende zaak.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van onroerendezaakbelastingen wegens het gebruik van de onroerende zaak.

Het Hof heeft hiervoor in onderdeel 4.3 van zijn uitspraak redengevend geoordeeld dat de onderhavige belasting slechts afhankelijk is van het persoonlijke gebruiksrecht dat de echtgenote van belanghebbende van de woning heeft, ongeacht of de gebruiker al dan niet hier te lande verblijf houdt, woonplaats heeft of ingezetene is, en derhalve niet kan worden aangemerkt als een belasting waaraan belanghebbende is onderworpen uit hoofde van verblijf, van woonplaats of ingezetenschap als bedoeld in artikel X, lid 1, van het NAVO-Statusverdrag. Voorts heeft het Hof in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak redengevend geoordeeld dat belanghebbende op grond van artikel 5, lid 2, van de Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997 van 20 december 1996, Stcrt. 1996, 249 (hierna: de Regeling) niet in aanmerking komt voor een vrijsteling, omdat de echtgenote van belanghebbende sedert 1987 onafgebroken hier te lande verblijf houdt en niet gesteld of gebleken is dat zij op de peildatum van plan was Nederland metterwoon te verlaten. Tegen deze oordelen richt zich het middel van belanghebbende met drie klachten.

3.4. De eerste klacht van belanghebbende komt op tegen het oordeel van het Hof dat de onderhavige belasting geen belasting is waaraan belanghebbende is onderworpen uit hoofde van verblijf, van woonplaats of ingezetenschap als bedoeld in artikel X, lid 1, van het NAVO-Statusverdrag. De klacht faalt. Het Hof heeft op goede gronden een juiste beslissing gegeven.

3.5.1. De tweede klacht van belanghebbende komt op tegen het oordeel van het Hof dat de echtgenote van belanghebbende duurzaam in Nederland verblijf houdt.

3.5.2. Artikel 1, lid 1, aanhef en letter a, van de Regeling houdt in de vrijstelling van gemeentelijke belastingen wat betreft "de onroerende-zaakbelasting van het gebruik van onroerende zaken".

Artikel 3, lid 2, van de Regeling luidt, voor zover hier van belang:

"Van de in artikel 1, eerste lid, onderdelen a, (...) genoemde belastingen zijn vrijgesteld de leden van diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van andere mogendheden (...), mits zij geen Nederlander zijn en zij niet duurzaam verblijf houden in Nederland."

Artikel 5 van de Regeling luidt:

"1. Van de in artikel 1, eerste lid, onderdelen a (...), genoemde belastingen zijn vrijgesteld: (... Hoge Raad: volgt een opsomming van personen in dienst van of werkzaam bij de NAVO of NAVO-gerelateerde organisaties ...).

2. Personen die Nederlander zijn, en personen die in Nederland duurzaam verblijf houden, zijn van de vrijstelling, genoemd in het eerste lid, uitgezonderd."

3.5.3. De Toelichting bij de Regeling in Staatscourant 1996, nr. 249, luidt, voor zover hier van belang:

"1. Algemeen

De Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997 is gebaseerd op artikel 243 Gemeentewet. Dit artikel geeft de ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën de bevoegdheid om nadere regels te geven over vrijstelling van gemeentelijke belastingen wanneer het volkenrecht of het internationale gebruik naar hun oordeel tot zo'n vrijstelling noodzaakt.

Voor de diplomatieke vrijstellingen is met name het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van belang. De vrijstellingen die gelden voor consulaire vertegenwoordigingen en hun leden, vinden hun grondslag in het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen. Beide verdragen van Wenen geven een minimumniveau van fiscale privileges. Begrippen die in de regeling gebruikt worden, komen overeen met de terminologie van de Weense verdragen. (...)"

Inzake artikel 5 luidt de toelichting onder meer:

"(...) Overeenkomstig artikel 3, tweede lid, geeft het tweede lid aan dat de vrijstelling niet geldt voor personen die Nederlander zijn, dan wel duurzaam verblijf houden in Nederland."

3.5.4. De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken heeft op 25 maart 1997 aan alle Nederlandse gemeenten de 'Circulaire over de Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997' (hierna: de Circulaire) verzonden. In de Circulaire wordt onder meer het volgende opgemerkt:

"(...) De leden van een vertegenwoordiging komen voor een aantal vrijstellingen in aanmerking, mits zij geen Nederlander zijn en zij niet duurzaam verblijf houden in Nederland (DV-status). Deze voorwaarde geldt ook voor personen die voor een bijzondere internationale vrijstelling in aanmerking komen (artikel 5).

Wanneer een persoon gaat werken bij een vertegenwoordiging of internationale organisatie, dan wordt de gemeente waar hij woonachtig is, hiervan op de hoogte gesteld. Daarbij wordt ook aangegeven welke status de persoon heeft. Wanneer in de statuscode de letters DV voorkomen, betekent dit dat de persoon is aangemerkt als duurzaam in Nederland verblijvend. In dat geval dient geen vrijstelling van gemeentelijke heffingen verleend te worden.

Of een persoon in dit verband al dan niet als duurzaam in Nederland verblijvend wordt aangemerkt, wordt bepaald door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Kabinet en Protocol. Hierbij is van doorslaggevend belang of de persoon op het moment van indiensttreding bij een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging of internationale organisatie reeds in het bezit was van een verblijfsvergunning. Indien er twijfels bestaan over de status van een persoon of wanneer niet geheel duidelijk is of een persoon al dan niet duurzaam verblijf houdt in Nederland, dan kan altijd navraag worden gedaan bij de Directie Kabinet en Protocol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

(...)

Artikel 5 voorziet in vrijstelling van het gebruikersdeel van de OZB en van het gebruikersdeel van de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten ten behoeve van militairen en burgers die zijn verbonden aan strijdkrachten van NAVO-landen. Ik wil daarbij opmerken dat in die gevallen waarin de vrijstelling aan één gezinslid is verleend, het niet in de rede ligt dat in deze gevallen aanslagen worden opgelegd aan niet-vrijgestelde inwonende gezinsleden. (...)"

3.5.5. Buiten geschil is dat de echtgenote van belanghebbende in dienst is van een van de in artikel 5, lid 1, van de Regeling vermelde NAVO-onderdelen en niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Tevens is buiten geschil dat belanghebbende gezinslid is als bedoeld in de Circulaire. Alsdan blijft de vrijstelling buiten toepassing indien de echtgenote van belanghebbende duurzaam verblijf houdt in Nederland, als bedoeld in artikel 5, lid 2, van de Regeling.

3.5.6. De Regeling beoogt blijkens haar inhoud en de daarop gegeven toelichting uitvoering te geven aan het internationale gebruik, zoals dat voortvloeit uit verdragen en uit (zetel-)overeenkomsten die Nederland heeft gesloten met internationale organisaties die zich in Nederland hebben gevestigd. Dat brengt mede dat de in de Regeling vermelde begrippen dienen te worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die zij hebben in die verdragen en overeenkomsten, zoals ook in de toelichting bij de Regeling is vermeld. Daaraan hebben de in artikel 243 van de Gemeentewet bedoelde bewindslieden inhoud gegeven door de beslissing dienaangaande over te laten aan de Minister van Buitenlandse Zaken, die namens de Nederlandse Staat is betrokken bij de totstandkoming en naleving van de in de Regeling genoemde verdragen en (zetel-)overeenkomsten met internationale organisaties, alsmede is aangewezen als eerstverantwoordelijke voor de contacten met die organisaties en om bemiddelend op te treden in geval van problemen van de organisaties met overheden in Nederland.

3.5.7. Het vorenstaande brengt mee dat belanghebbende erop mag vertrouwen dat de heffingsambtenaar hem vrijstelling van onroerendezaakbelasting wegens het gebruik van de onroerende zaak verleent in het geval dat de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met het voorgaande bepaalt dat zijn echtgenote niet duurzaam verblijf houdt in Nederland. Het Hof heeft zulks miskend. De tweede klacht slaagt mitsdien.

3.6. De derde klacht kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu deze klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.7. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nader onderzoek naar de vraag of de echtgenote van belanghebbende op 1 januari 2000 duurzaam verblijf hield in Nederland. Het ligt op de weg van belanghebbende om zonodig een beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken als bedoeld in 3.5.6 over te leggen.

4. Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de gemeente Onderbanken aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 102, en

veroordeelt het College in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Onderbanken aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2008.