Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD2447

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
07/11662 CW
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD2447
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBAMS:2005:AU0326, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Overlevering. Art. 2.2 onder d OLW. De Rb heeft overlevering aan Spanje geweigerd. Haar opvatting dat een Europees aanhoudingsbevel (EAB) de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen dient te bevatten of dat een afschrift daarvan steeds door de uitvaardigende justitiële autoriteit dient te worden overgelegd is onjuist. De OLW dient zoveel mogelijk te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van het Kaderbesluit betreffende het EAB en overleveringsprocedures tussen de EU-lidstaten (het Kb). Art. 8.1 Kb schrijft niet voor dat in het EAB de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen moet zijn vermeld of dat een afschrift daarvan moet worden overgelegd. De tekst van art. 2.1.d. OLW houdt zodanige verplichting – anders dan art. 18.3.c UW voor een uitleveringsverzoek voorschrijft - evenmin in. Het voorgeschreven EAB-model dwingt niet tot de lezing dat, in afwijking van voormelde duidelijke bepalingen van het Kb en de OLW, de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen wel zou behoren tot inhoud of vorm van het bevel. De uitleg dat in het EAB de inhoud van de wettelijke bepalingen niet behoeft te zijn opgenomen, strookt met doel van het Kb, dat berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten, om bij overlevering complexiteit en tijdverlies te vermijden; een andere uitleg zou daaraan afbreuk doen en de beoogde vereenvoudiging ongerechtvaardigd belemmeren. Deze uitleg is voorts in overeenstemming met de wetgeving terzake en met rechterlijke beslissingen dienaangaande in andere lidstaten, zoals weergegeven in de voordracht en vordering van de PG.

Wetsverwijzingen
Overleveringswet
Overleveringswet 2
Overleveringswet 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 553
NJ 2008, 594 met annotatie van M.J. Borgers
RvdW 2008, 764
NJB 2008, 1644
NBSTRAF 2008/303
VA 2009/6 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juli 2008

Strafkamer

nr. 07/11662 CW

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie in het belang der wet van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 29 juli 2005, nummer 13/497221-2005, LJN AU0326, in de zaak van:

[de opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats].

1. De bestreden uitspraak

Bij de bestreden uitspraak, waartegen een gewoon rechtsmiddel niet openstaat, heeft de Rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd.

2. Het cassatieberoep

De voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet van de Procureur-Generaal Fokkens strekken ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak in het belang der wet zal vernietigen. De voordracht en vordering zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 2, tweede lid onder d, Overleveringswet door te beslissen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit gehouden is de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen over te leggen.

3.2.1. De navolgende bepalingen van de Overleveringswet (OLW) zijn hier van belang.

Art. 2, tweede lid, OLW, luidende:

"Een Europees aanhoudingsbevel wordt volgens het in bijlage 2 bij deze wet opgenomen model opgemaakt en dient in elk geval de volgende gegevens te bevatten:

a. de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon;

b. de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het elektronische postadres van de uitvaardigende justitiële autoriteit;

c. de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat;

d. de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, in het bijzonder rekening houdend met artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1°;

e. een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;

f. de opgelegde straf of maatregel, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafbedreiging;

g. indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit."

Art. 7, eerste lid, OLW, luidende:

"1. Overlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:

a. een door autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich naar het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit schuldig heeft gemaakt aan:

1°. een naar het recht van de uitvaardigende lidstaat benoemd strafbaar feit dat tevens op de in bijlage 1 bij deze wet behorende lijst staat vermeld, waarop naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld; of

2°. een ander feit dat zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar is en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld."

3.2.2. De Overleveringswet strekt ter implementatie van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 (Pb EG 2002 L 190) betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (hierna: het Kaderbesluit). Aan de preambule van dit Kaderbesluit kan worden ontleend dat met de invoering van de nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering wordt beoogd uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen (onder (2)) en is bedoeld om een oplossing te vinden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de tot dan toe geldende uitleveringsprocedures (onder (5)), alsmede dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten (onder (10)).

3.2.3. Art. 8, eerste lid, van het Kaderbesluit - waarin de inhoud en de vorm van het Europees aanhoudingsbevel worden geregeld - luidt, als volgt:

"1. In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:

a) de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon;

b) de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het e-mailadres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit;

c) de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;

d) de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit, met name rekening houdend met artikel 2;

e) een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;

f) de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;

g) indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit."

3.2.4. Het als bijlage bij het Kaderbesluit en de Overleveringswet gevoegde model van het Europees aanhoudingsbevel houdt ten aanzien van de te vermelden

gegevens onder meer in:

"e) Strafbare feiten:

Dit bevel heeft betrekking op in totaal . . . . . . strafbare feiten.

Beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd/de strafbare feiten zijn gepleegd, met inbegrip van het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit/de strafbare feiten

(...)

Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit/de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepaling/wetboek:

I. Geef in voorkomend geval aan of het gaat om één of meer van de volgende strafbare feiten waarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat (vakje aankruisen):

Deelneming aan een criminele organisatie

Terrorisme

Mensenhandel

Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

(...)

II. Volledige omschrijving van het strafbare feit of de strafbare feiten die niet onder de in punt I genoemde strafbare feiten vallen:

(...)"

3.3. Bij de stukken bevindt zich een Europees aanhoudingsbevel van 5 mei 2005, dat is uitgevaardigd door de plaatsvervangend magistraat-rechter van de Rechtbank van eerste aanleg en onderzoek nummer drie van Orihuela-Alicante (Spanje). Het bevel strekt tot aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon ter zake van "illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen" en "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en houdt, in de Nederlandse vertaling, onder meer in:

- als beschrijving van de omstandigheden waaronder de twee strafbare feiten zouden zijn begaan:

"Hij wordt beschuldigd van een misdrijf tegen de openbare gezondheid en onwettige vereniging, wegens zijn vermeende relatie in de feiten die plaatsvonden gedurende een tijdsperiode en aanleiding gaven tot de aanhouding van zes personen op 28 april 2005 in de loods op het industrieterrein Poniente te Catral (Alicante) en de inbeslagneming op datzelfde ogenblik van 2.615 kg hasj. De betrokkenheid van [de opgeëiste persoon] in deze feiten is vastgesteld daar uit het politieonderzoek, rapporten en verklaringen van sommige arrestanten voldoende redelijke indicaties blijken dat de vernoemde persoon opdrachten en instructies gaf binnen de georganiseerde groep met als doel de internationale verhandeling van hasj op grote schaal, wat duidelijk werd in de uitgevoerde politieoperatie die aanleiding gaf tot de aanhouding van zes personen en de vermelde inbeslagneming van 2.615 kg hasj. Deze persoon werd op twee manieren volledig geïdentificeerd; ten eerste, toen zijn documentatie door de Spaanse Guardia Civil in dienst werd opgevraagd in de luchthaven El Altet (Alicante) op 21-04-05 voor zijn vertrek naar Amsterdam, nadat hij sinds de ochtend van die dag werd gevolgd tot hij twee van de Iatere arrestanten ontmoette, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], met wie hij telefonisch contact had genomen; en ten tweede, toen een kopie van zijn identiteitskaart werd verkregen via het reizigersregister van hotel "[A]"."

- onder het hoofd 'Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit/de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepaling/wetboek':

"Misdrijf tegen de openbare gezondheid, artikels 368 en 369.6° van het wetboek van strafrecht

Misdrijf van onwettige vereniging, artikel 515.1 aangaande art. 517.2° van het wetboek van strafrecht."

Op dit Europees aanhoudingsbevel zijn geen van de zogenoemde lijstfeiten aangekruist. Wel is daarin onder e) II als volledige omschrijving van de strafbare feiten die niet onder de in punt I genoemde (lijst)feiten vallen, het volgende vermeld:

"1°) misdrijf tegen de openbare gezondheid

2°) misdrijf van onwettige vereniging."

3.4. De Rechtbank heeft de overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd. Zij heeft deze beslissing als volgt gemotiveerd:

"3.3.1 Het EAB dient de gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Artikel 2, tweede lid, van de Overleveringswet, dat zijn oorsprong vindt in artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 van de Raad van de Europese Unie, vermeldt de gegevens die een EAB in elk geval dient te bevatten, te weten, onder meer:

- de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit;

- een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;

3.3.2 De Spaanse justitiële autoriteit heeft in het EAB onder e) als toepasselijke wettelijke bepalingen de artikelen 368, 369.6, 515.1 en 517.2 van het Spaanse Wetboek van Strafrecht aangehaald. De Spaanse autoriteiten hebben op het laatste moment enkele strafwetsartikelen nagezonden, maar deze artikelen zijn in het Spaans gesteld, zodat de rechtbank geen kennis kan nemen van de inhoud van die artikelen. Ter zitting is vast komen te staan dat de Engelse vertaling van de artikelen 368 en 369 van het Strafwetboek die door de officier van justitie is aangeleverd, afkomstig is uit een ander Spaans EAB. De rechtbank kan, gelet op het bepaalde in de OLW, de Memorie van Toelichting bij deze wet en haar bestendige rechtspraak geen genoegen nemen met deze wetsartikelen, nu zij niet kan vaststellen of deze artikelen van toepassing waren ten tijde van het plegen van de in het EAB genoemde feiten. Naar haar oordeel voldoet het EAB niet aan het gestelde in artikel 2, tweede lid, sub d, OLW.

(...)

3.3.4 De rechtbank kan op grond van het voorgaande niet tot een andere conclusie komen dan dat het EAB niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen en zal reeds om die reden de overlevering van de opgeëiste persoon weigeren."

3.5.1. De opvatting van de Rechtbank dat een Europees aanhoudingsbevel de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen dient te bevatten of dat een afschrift daarvan steeds door de uitvaardigende justitiële autoriteit dient te worden overgelegd, is onjuist.

3.5.2. Dat berust op het volgende.

De Overleveringswet dient zo veel mogelijk te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van het Kaderbesluit (vgl. HvJEG 16 juni 2005, C-105/03, LJN AU2335, NJ 2006, 500). Art. 8, eerste lid, van het Kaderbesluit schrijft niet voor dat in het Europees aanhoudingsbevel de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen moet zijn vermeld of dat een afschrift daarvan moet worden overgelegd. De tekst van art. 2, eerste lid onder d, OLW houdt zodanige verplichting evenmin in. Het voorgeschreven model van een Europees aanhoudingsbevel dwingt niet tot de lezing dat, in afwijking van voormelde duidelijke bepalingen van het Kaderbesluit en de Overleveringswet, de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen wel zou behoren tot de inhoud of de vorm van het bevel. De uitleg dat in het Europees aanhoudingsbevel de inhoud van de desbetreffende wettelijke bepalingen niet behoeft te zijn opgenomen, strookt met het doel van het Kaderbesluit, dat berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten, om bij overlevering complexiteit en tijdverlies te vermijden; een andere uitleg zou aan deze mate van vertrouwen afbreuk doen en de beoogde vereenvoudiging ongerechtvaardigd belemmeren. Deze uitleg is voorts in overeenstemming met de wetgeving terzake en met rechterlijke beslissingen dienaangaande in andere Lidstaten, zoals weergegeven in de voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet van de Procureur-Generaal onder 23 tot en met 25.

3.6. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang der wet de bestreden uitspraak.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 juli 2008.