Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD1902

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
R06/179HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD1902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Procesrecht; geschil over begroting van door een werknemer als gevolg van een hem overkomen arbeidsongeval geleden schade; vrijheid van de feitenrechter om al dan niet een deskundigenonderzoek te gelasten; gelet op het verloop van het processueel debat ten onrechte door de appelrechter buiten beschouwing laten van een rapport als in een te laat stadium van de procedure overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 573
NJ 2008, 401
RvdW 2008, 730
RAV 2008, 91
VR 2009, 6
NJB 2008, 1633
JWB 2008/339
JBPR 2009/10 met annotatie van H.L.G. Wieten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 juli 2008

Eerste Kamer

Nr. R06/179HR

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende in Aruba,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd in Aruba,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 16 april 1999 ter griffie van het gerecht in eerste aanleg van Aruba ingekomen verzoekschrift heeft [eiser] zich gewend tot dat gerecht en gevorderd [verweerster] te veroordelen om aan hem een schadevergoeding te betalen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, e.e.a. vermeerderd met de wettelijke rente, en [verweerster] te veroordelen om bij wijze van voorschot aan [eiser] een bedrag van Afl. 80.000,-- te betalen, althans een zodanig bedrag als de rechter in goede justitie vermeent te behoren, zulks onder verbeurte van een dwangsom.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

Het gerecht heeft bij tussenvonnis van 13 september 2000 [eiser] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat hij blijvend invalide is ten gevolge van het hem overkomen bedrijfsongeval. Na getuigenverhoren heeft het gerecht bij eindvonnis van 31 oktober 2001 [verweerster] veroordeeld aan [eiser] een bedrag van Afl. 80.000,-- te betalen en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen de vonnissen van het gerecht heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, hierna: het hof. [Eiser] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd.

Na zeven tussenvonnissen te hebben gewezen, heeft het hof bij eindvonnis van 19 september 2006 het eindvonnis van gerecht vernietigd en [verweerster] veroordeeld aan [eiser] een bedrag van Afl. 205.000,-- te betalen, te verminderen met een bedrag van Afl. 130.000,-- voorzover dit bedrag door [verweerster] aan [eiser] is betaald, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 1999. Het meer of anders gevorderde heeft het gerecht afgewezen.

Het eindvonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [verweerster] mede door mr. N.T. Dempsey, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het eindvonnis van het hof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser], in dienst bij [verweerster], heeft op 19 maart 1998 van de manager van [verweerster] opdracht gekregen de mengtrommel van de betoncentrale schoon te maken.

(ii) Ter uitvoering van de opdracht heeft [eiser] op die dag omstreeks 11.45 uur schoonmaakwerkzaamheden verricht onderaan het platform, waarop de machine is geplaatst die beton maakt. [Eiser] had daartoe een vrachtwagen onder het platform gereden en hierop een constructie van planken aangebracht (met daarop mogelijk ook een emmer) om bij de mengtrommel te kunnen komen.

(iii) Bij de uitvoering van deze werkzaamheden is [eiser] gevallen en op zijn rug terechtgekomen, waardoor hij ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen.

3.2 In rov. 2.5 van zijn tussenvonnis van 16 december 2003 heeft het Gemeenschappelijk Hof geoordeeld dat [verweerster] zijn in art. 1614x van het oude Burgerlijk Wetboek van Aruba neergelegde zorgverplichting niet is nagekomen en dat niet gebleken is van opzet of bewust roekeloos handelen van [eiser], zodat [verweerster] de schade van [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval dient te vergoeden.

3.3 In cassatie is uitsluitend nog aan de orde de begroting van de door [eiser] geleden en door [verweerster] te vergoeden schade. Daartoe heeft het hof in zijn tussenvonnis van 17 februari 2004 deskundigen benoemd die zouden moeten onderzoeken (kort gezegd) in hoeverre [eiser] arbeidsongeschikt is onderscheidenlijk in hoeverre in de medische toestand van [eiser] nog verbetering kan worden verwacht. Nadat deze deskundigen ieder hun rapport hadden uitgebracht heeft het hof bij tussenvonnis van 19 oktober 2004 een comparitie van partijen gelast teneinde te bespreken op welke wijze en in welk tijdsbestek de aanbevelingen van de deskundigen zullen worden uitgevoerd terwijl voorts de door [eiser] gepresenteerde schadeposten aan de orde zouden komen. Aan het einde van die, op 16 november 2004 gehouden, comparitie heeft het hof de zaak aangehouden tot 22 februari 2005 voor uitlating benoeming deskundige aan de kant van partijen, tenzij partijen voor genoemde datum tot een schikking zouden zijn gekomen. In een nader tussenvonnis van 21 juni 2005 gelastte het hof opnieuw een comparitie van partijen. Die vond plaats op 23 augustus 2005. Het hof heeft toen de zaak verwezen naar de rol opdat partijen (wederom) een voorstel zouden kunnen doen over de persoon van de te benoemen deskundige. Nadat partijen zich bij akte in verschillende zin hieromtrent hadden uitgelaten, oordeelde het hof in zijn tussenvonnis van 18 oktober 2005 dat het thans geen noodzaak aanwezig achtte een deskundige te benoemen en dat het het dienstig achtte eerst de resultaten van de ongeveer zes maanden durende revalidatie van [eiser] af te wachten. In het eindvonnis constateert het hof dat inmiddels een revalidatie heeft plaatsgevonden en begroot het zelf, aan de hand van de in het door [eiser] bij memorie van grieven overgelegde rapport opgenomen schadeposten, de door [eiser] geleden schade.

3.4 De eerste klacht van het middel (punt II.9 van het beroepschrift in cassatie) verwijt het hof dat het in zijn eindvonnis ten onrechte en zonder enige motivering is voorbijgegaan aan de door het hof zelf gelaste deskundigenbenoeming. De klacht faalt. Weliswaar valt uit de stukken af te leiden dat het hof aanvankelijk behoefte had aan een deskundigenbericht met betrekking tot de begroting van de door [eiser] geleden schade, maar het hof is niet ertoe overgegaan een zodanig deskundigenbericht te gelasten. Daaraan had het hof na het voortgezette partijdebat en de daarbij door partijen aan het hof verschafte nadere informatie blijkbaar geen behoefte meer. Waar het aan het oordeel van de feitenrechter is overgelaten om al of niet een deskundigenonderzoek te gelasten, heeft het hof zonder schending van enige rechtsregel alsnog kunnen afzien van nadere deskundige voorlichting. Uit de omstandigheid dat het hof in zijn eindarrest zelf de schade heeft begroot blijkt dat en waarom het hof meende geen deskundige voorlichting meer nodig te hebben. Het hof was niet gehouden verder uiteen te zetten waarom het in dat stadium geen behoefte meer had aan een deskundigenbericht.

3.5 De tweede klacht (punten II.10-14) verwijt het hof dat het geen rekening heeft gehouden met het door [eiser] ter comparitie op 16 november 2004 overgelegde rapport, opgesteld door Ergonomics N.V., dat een opstelling bevat van schadeposten die in totaal Afl. 1.680.840,10 belopen. Het hof hield met dat rapport geen rekening (rov. 2.2 van het eindvonnis), omdat het in een te laat stadium van de procedure was overgelegd en [verweerster] feitelijk niet in de gelegenheid is geweest daarop te reageren. Dat rapport is immers, aldus het hof, niet meer aan de orde geweest, omdat de gedachte was ontwikkeld dat na afloop van het revalidatieproces een deskundige zou worden benoemd teneinde de hoogte van het schadebedrag te bepalen.

3.6 De in de tweede klacht aangevoerde motiveringsklacht is gegrond. Gezien de uit de processtukken blijkende omstandigheden (a) dat het gaat om een complexe begroting van letselschade waarvoor ontwikkelingen die zich tijdens de procedure in hoger beroep hebben voorgedaan blijkbaar van belang zijn, (b) dat het rapport door [eiser] is overgelegd tijdens een comparitie die het hof juist mede had bevolen teneinde de door [eiser] gepresenteerde schadeposten aan de orde te laten komen, (c) dat vervolgens verder processueel debat over de in het rapport opgevoerde posten achterwege is gebleven omdat partijen en het hof ervan uitgingen dat het hof na afloop van het revalidatieproces een deskundigenbericht zou inwinnen over de hoogte van het schadebedrag en (d) dat het hof na het revalidatieproces bij nader inzien evenwel geen behoefte meer had aan deskundige voorlichting, valt, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom het hof het rapport als in een te laat stadium van de procedure overgelegd, buiten beschouwing mocht laten.

3.7 De derde klacht van het middel (punten II.15-18) bestrijdt het oordeel van het hof met betrekking tot acht schadeposten die het hof in zijn eindvonnis heeft beoordeeld in het kader van de begroting van de door [eiser] geleden schade. Voorzover de klacht aanvoert dat het hof bij zijn oordeel ten aanzien van die schadeposten niet zonder nadere motivering had mogen voorbijgaan aan het standpunt van [eiser] ten aanzien van die posten als neergelegd in het door hem op 16 november 2004 overgelegde rapport van Ergonomics N.V., slaagt de klacht in het verlengde van de gegrondheid van de tweede klacht.

3.8 Gegrond is de klacht voorts voorzover die betoogt (punt II.18) dat het hof zonder genoegzame motivering heeft geoordeeld dat op de aan [eiser] toegekende vergoeding van zijn immateriële schade van in totaal Afl. 175.000,-- in mindering dient te worden gebracht het door het gerecht in eerste aanleg toegewezen bedrag van Afl. 80.000,--. Van belang is daarbij, zoals de klacht aanvoert, dat het gerecht dit bedrag heeft toegewezen in verband met art. 14 van de tussen partijen geldende collectieve arbeidsovereenkomst, dat [verweerster] verplichtte een ongevallenverzekering te sluiten die aan [eiser] recht zou geven op een uitkering van Afl. 80.000,-- bij blijvende invaliditeit. Na verwijzing zal het hof met betrekking tot de vraag of en zo ja in hoeverre het aan [eiser] toekomende bedrag van deze sommenverzekering in mindering behoort te komen op de, opnieuw te begroten door hem geleden materiële en immateriële schade, opnieuw moeten beslissen.

3.9 De overige onderdelen van de derde klacht behoeven geen behandeling. Na verwijzing zal het hof opnieuw, met inachtneming van de ten tijde van zijn beslissing bekende omstandigheden, de door [eiser] geleden en door [verweerster] te vergoeden schade moeten begroten. Het hof zal dan tevens moeten onderzoeken in hoeverre de betalingen die [verweerster] reeds aan [eiser] heeft gedaan van belang zijn voor de door [verweerster] nog verschuldigde wettelijke rente. Dit brengt mee dat ook de vierde klacht (punt II.19) niet behoeft te worden behandeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 19 september 2006;

verwijst het geding naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 8.502,07 in totaal, waarvan € 8.390,07 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 112,-- aan [eiser].

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, J.C. van Oven, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 11 juli 2008.