Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD1843

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
R07/088HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD1843
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Alimentatie tussen gewezen echtelieden; bij draagkrachtberekening ten onrechte geen rekening gehouden met door de alimentatieplichtige na de echtscheiding aangegane lening, die niet is aangegaan om huwelijkse schulden af te lossen; voor het in aanmerking nemen van een schuld bij de bepaling van de draagkracht is niet vereist dat op deze schuld wordt afgelost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 575
NJ 2008, 402
RvdW 2008, 731
RFR 2008, 104
NJB 2008, 1635
FJR 2008, 91 met annotatie van P. Dorhout
JWB 2008/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 juli 2008

Eerste Kamer

Rek.nr. R07/088HR

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, thans mr. F.M. Ruitenbeek-Bart,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 7 september 2004 ter griffie van de rechtbank Zwolle-Lelystad ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen op € 2.500,-- per maand met ingang van 8 mei 2004, dan wel op het bedrag en met ingang van de datum die de rechtbank juist acht.

De man heeft het verzoek bestreden en zijnerzijds bij zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw op grond van art. 1:160 BW is beëindigd per 8 april 2004, subsidiair per de nog vast te stellen samenlevingsdatum van de vrouw met [betrokkene 1], meer subsidiair per de dag van indiening van het aanvullend verzoek- c.q. verweerschrift.

Na tussenbeschikkingen van 3 februari 2005 en 23 juni 2005, heeft de rechtbank bij beschikking van 13 januari 2006 het verzoek van de man tot beëindiging van zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw op grond van art. 1:160 BW afgewezen. De rechtbank heeft vervolgens bij eindbeschikking van 22 mei 2006 het verzoek van de vrouw afgewezen.

Tegen de beschikking van 22 mei 2006 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij beschikking van 30 januari 2007 heeft het hof de eindbeschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 7 september 2004 € 2.500,-- als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal betalen. Het meer of anders verzochte heeft het hof afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 29 december 1976 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 8 oktober 2003 heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 8 april 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Uit het huwelijk van partijen zijn twee, thans meerderjarige, kinderen geboren.

(iii) De man is sinds 1 juli 1997 voor 80-100% arbeidsongeschikt. Hij is directeur/grootaandeelhouder van Arofra Beheer B.V., welke vennootschap 100% aandeelhouder en bestuurder is van Hers en His Schoonheidssalons B.V., alsmede van Adria Register-accountants B.V., welke laatste weer 49% aandeelhouder en medebestuurder was van Hof Groep Flevoland B.V. Blijkens de geconsolideerde jaarrekening bedroeg het resultaat van Arofra Beheer € 251.952,-- negatief in 2002, € 4.389,-- negatief in 2003, € 20.285,-- negatief in 2004 en € 8.984,-- negatief in 2005.

(iv) Blijkens de jaaropgave over 2005 van Delta Lloyd heeft de man in dat jaar een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen van € 90.756,--. De lasten van de man bedragen per maand € 235,-- aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek, en € 350,-- aan ziektekosten met ingang van 1 januari 2006.

3.2 De vrouw heeft de rechtbank verzocht de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen op € 2.500,-- per maand. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en bepaald dat de man aan de vrouw € 2.500,-- per maand zal betalen. Naar aanleiding van het verweer van de man dat hij onvoldoende draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, met betrekking tot (een aantal van) de door de man genoemde verplichtingen en schulden het volgende overwogen.

"4.12 Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde premie van € 154,- per maand terzake van een overlijdensrisicoverzekering, aangezien de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet heeft aangetoond dat deze verzekering, naast de hierboven (...) genoemde, eveneens is gekoppeld aan de hypotheek op de woning.

4.13 Het hof houdt met de schulden van de man aan zijn familie, aangegaan na de echtscheiding, nog afgezien van de vraag of hij daarop daadwerkelijk aflost, geen rekening, nu aflossing daarop geen prioriteit behoort te krijgen boven de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw en niet is gebleken dat de desbetreffende lening is afgesloten om huwelijkse schulden te betalen.

4.14 Met betalingen die de man in privé verricht op de schulden van de vennootschappen, zoals de rekening van Blaisse, gericht aan Adria Register-accountants, van 23 oktober 2006, alsook de BTW-schuld middels de "Lening Schenck", houdt het hof evenmin rekening, aangezien die zakelijke schulden betreffen.

4.15 Nu de man niet, dan wel onvoldoende, heeft aangetoond dat hij structureel aflost op de schuld bij de Rabobank met € 500,- per maand, houdt het hof met die maandlast geen rekening."

3.3 Onderdeel 1.2 - onderdeel 1.1 bevat een inleiding - komt op tegen rov. 4.12 met de klacht dat het hof heeft miskend dat voor het in aanmerking nemen van een verplichting ter zake van een overlijdensrisicoverzekering niet is vereist dat die verzekering is verbonden aan de hypotheek op de woning. De klacht faalt. Gelet op het partijdebat in de feitelijke instanties met betrekking tot de opzegbaarheid van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering (hiervoor vermeld in 3.1(iv)) moet het oordeel van het hof aldus worden begrepen dat het hof heeft geoordeeld dat de premie voor de overlijdensrisicoverzekering overbodig is en derhalve niet bij de beoordeling van de draagkracht in aanmerking behoeft te worden genomen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.4 Onderdeel 1.3 is in de eerste plaats terecht voorgesteld voor zover het erover klaagt dat het hof met de in rov. 4.13 bedoelde schulden van de man aan zijn familie geen rekening heeft gehouden omdat die schulden zijn aangegaan na de echtscheiding. Dat een schuld is aangegaan na de echtscheiding doet immers niet af aan het uitgangspunt dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht van de onderhoudsplichtige (vgl. HR 29 september 1978, nr. 5118, NJ 1979, 143). Ook de omstandigheid dat de lening niet is aangegaan om huwelijkse schulden af te lossen, doet niet af aan voormeld uitgangspunt (HR 10 december 1999, nr. R99/020, NJ 2000, 4). De op dit punt betrekking hebbende klacht van het onderdeel slaagt derhalve eveneens. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling.

3.5 Onderdeel 1.4 richt zich tegen rov. 4.14 en bevat onder meer de klacht dat het hof heeft miskend dat de vaststelling dat het "zakelijke schulden" betreft, geen reden is om deze schulden buiten beschouwing te laten. Ook deze klacht slaagt. Voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat geen rekening behoeft te worden gehouden met door de man in privé verrichte betalingen op schulden van de vennootschappen, gelet op het zakelijke karakter van deze schulden, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 10 december 1999, nr. R99/020, NJ 2000, 4). Voor zover het hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd in het licht van het door de man in de feitelijke instanties gevoerde betoog dat hij die betalingen moest doen om zijn inschrijving als accountant te kunnen behouden met het oog op de mogelijkheid in de toekomst weer inkomen te verwerven als register-accountant. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling.

3.6 Onderdeel 1.5, dat eveneens is gericht tegen rov. 4.14, betoogt dat voor zover het hof in deze rechtsoverweging ook doelt op de door de man opgevoerde belastingaanslagen, het oordeel van het hof onjuist is dan wel onbegrijpelijk. Voor zover het hof niet doelt op die belastingaanslagen, heeft het verzuimd die belastingaanslagen in zijn beoordeling van de draagkracht van de man te betrekken. Hetzelfde geldt voor de door de man genoemde schuld bij Staalbankiers, aldus het onderdeel.

Het hof heeft aan de stellingen van de man met betrekking tot de belastingaanslagen en de schuld aan Staalbankiers niet kenbaar aandacht besteed. Het betreft hier essentiële stellingen, waarover het hof uitdruk-kelijk diende te beslissen. De hierop gerichte klachten zijn derhalve terecht voorgesteld.

3.7 Onderdeel 1.6 klaagt terecht dat het oordeel van het hof in rov. 4.15 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu voor het in aanmerking nemen van een schuld niet vereist is dat op de schuld wordt afgelost (HR 7 juni 1985, nr. 12474, NJ 1985, 719). Het onderdeel behoeft voor het overige geen behandeling.

3.8 Onderdeel 2 behoeft geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 30 januari 2007;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 11 juli 2008.