Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD1707

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-09-2008
Datum publicatie
16-09-2008
Zaaknummer
00431/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD1707
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 165 WVW 1994 (vordering om als kentekenhouder naam en personalia van de bestuurder kenbaar te maken) en zwijgrecht. Nu de wettelijke regeling tz. naar de kern genomen niet is gewijzigd, heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen hetgeen in HR LJN ZC9475 uit 1993 is overwogen: de kentekenhouder die al als verdachte van een verkeersmisdrijf is aangemerkt, doordat hij tz. dat misdrijf als verdachte is gehoord, is niet verplicht aan de daarna gevolgde vordering ex artikel 41 WVW (oud) gevolg te geven. Daarbij heeft het Hof evenzeer terecht geen onderscheid gemaakt al naar gelang iemand die van een verkeersmisdrijf wordt verdacht, al dan niet gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht. Ook voor de verdachte die geen gebruik maakt van zijn zwijgrecht, geldt dat de verplichting te voldoen aan de vordering ex art. 165.1 WVW 1994 strijdig is met het beginsel dat aan art. 29 Sv ten grondslag ligt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 29
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 165
Wegenverkeerswet 1994 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 655
NJ 2008, 511
RvdW 2008, 863
VR 2009, 24
NJB 2008, 1816
JWR 2008/122
NBSTRAF 2008/386
VA 2009/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 september 2008

Strafkamer

nr. 00431/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 8 september 2006, nummer 24/002143-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 10 november 2005 - de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte althans zonder toereikende motivering heeft ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de gemeente Hardenberg, als eigenaar of houder van een motorrijtuig, voorzien van het kenteken [AA-BB-00], - waarmee op 14 januari 2005 omstreeks 00.37 uur te De Krim op de Jupiterstraat een bij de Wegenverkeerswet 1994 als misdrijf strafbaar gesteld feit, te weten overtreding van artikel 7 van genoemde wet, werd begaan door een bij ontdekking van dat feit onbekend gebleven bestuurder - niet heeft voldaan aan de verplichting om op de hem, op 4 februari 2005, schriftelijk gedane daartoe strekkende vordering binnen de door deze daarbij gestelde termijn van tenminste 48 uur, de naam en het volledige adres van bovenbedoelde bestuurder bekend te maken, immers had verdachte, op 25 maart 2005, nog niet aan deze verplichting voldaan".

3.3. De bestreden uitspraak houdt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang in:

"Het onder A genoemde proces-verbaal houdt onder meer in dat [verdachte] op 14 januari 2005 als verdachte door [verbalisant 1] is gehoord. Aan hem is medegedeeld waarvan hij wordt verdacht en dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Verdachte ontkende de voorgaande nacht met zijn auto te hebben gereden. Een verder voor hem onbekende Albanees, genaamd [betrokkene], zou hebben gereden. Tijdens zijn verhoor is verdachte erop gewezen dat hij de personalia van de bestuurder bekend moet maken. In zijn arrest d.d. 26 oktober 1993 (NJ 1994, 629, LJN: ZC9475) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de kentekenhouder die al als verdachte van een verkeersmisdrijf is aangemerkt, doordat hij terzake dat misdrijf als verdachte is gehoord, niet verplicht is aan de daarna gevolgde vordering ex artikel 41 van de Wegenverkeerswet (oud) gevolg te geven. Die vordering druist dan namelijk in tegen het aan artikel 29 Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel dat een verdachte in het algemeen niet kan worden verplicht of gedwongen informatie te verschaffen welke als bewijs van dat misdrijf tegen hem kan worden gebruikt. Op 1 januari 1995 is de Wegenverkeerswet 1994 in werking getreden. Het hof is van oordeel dat voormeld arrest van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 165, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, dat in de plaats is getreden van voormeld artikel 41 Wegenverkeerswet, zijn betekenis heeft behouden, nu uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de wetgever een uitzondering op voormeld beginsel heeft willen maken. Dat brengt mee dat de kentekenhouder die reeds als verdachte van een verkeersmisdrijf is gehoord niet verplicht is aan de vordering ex artikel 165, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gevolg te geven. Nu het bewezenverklaarde niet strafbaar is ingevolge artikel 165, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, noch elders strafbaar is gesteld, dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging."

3.4. In het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 1993, LJN ZC9475, NJ 1994, 629 is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, overwogen:

"(I) Bij de Wet van 1 april 1988, Stb. 164, is art. 40 WVW gewijzigd en is voorts na art. 40 een nieuw art. 41 ingevoegd. Deze bepalingen hebben betrekking op de strafrechtelijke gevolgen van een verkeersdelict dat is begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder. Bij deze wetswijziging is de voordien in art. 40 WVW vervatte verplichting, welke rustte op degene die met het desbetreffende motorrijtuig heeft doen of laten rijden, om de identiteit van de onbekende bestuurder bekend te maken, omgezet in een dergelijke op de eigenaar of houder van het motorrijtuig rustende informatieplicht. Daarbij is gekozen voor een onderscheid tussen overtredingen en misdrijven en een verdeling van de materie over art. 40 (handelende over een door de onbekend gebleven bestuurder begane - bij of krachtens de WVW strafbaar gestelde - overtreding) en art. 41 (waarbij het gaat over een door de onbekend gebleven bestuurder begaan - bij de WVW strafbaar gesteld - misdrijf).

(II) In het onderhavige geval is de toepassing van art. 41, eerste lid WVW, in het geding. De strafbaarheid van de eigenaar of houder van het motorrijtuig is in die bepaling gebaseerd op diens verplichting tot medewerking aan de opsporing van een met dat motorrijtuig begaan verkeersmisdrijf. Aan deze verplichting tot medewerking, welke op de eigenaar of houder "als zodanig" rust zonder dat daarbij sprake is van een concrete verdenking (vgl. Kamerstukken II 1984/1985, 19 093, MvT, nr. 3, blz. 11), wordt voldaan door "op vordering" van een der in art. 42 WVW bedoelde personen de naam en het adres van de onbekend gebleven bestuurder bekend te maken.

(III) Een zodanige vordering om deze informatie te verstrekken, het niet voldoen waaraan zelfstandig strafbaar is gesteld in art. 35, derde lid, WVW, is op zichzelf niet onverenigbaar met het beginsel van art. 6, tweede lid, EVRM dat een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig wordt gehouden tot zijn schuld volgens de wet wordt bewezen, noch met het in art. 14, derde lid aanhef en onder g, IVBP neergelegde recht om bij het bepalen van de gegrondheid van een tot iemand gerichte "criminal charge" niet tegen zichzelf te behoeven te getuigen of een bekentenis af te leggen, ook niet in geval de eigenaar of houder de onbekend gebleven bestuurder zou zijn. Toepassing van het bepaalde in art. 41, eerste lid, WVW zou evenwel een niet te rechtvaardigen inbreuk opleveren op het bepaalde in art. 14, derde lid aanhef en onder g, IVBP, alsmede op het in art. 6 EVRM neergelegde "fair trial"-beginsel, indien de eigenaar of houder ter zake van het als bestuurder plegen van het bij de WVW als misdrijf strafbaar gestelde feit, waarop de vordering als bedoeld in art. 41, eerste lid, WVW is gericht, reeds is "charged with a criminal offence" in de zin van die verdragsbepalingen. De eigenaar of houder tegen wie tevoren vanwege de Staat reeds een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat hij ervan wordt beschuldigd als bestuurder van het motorrijtuig het bij de WVW als misdrijf strafbaar gestelde feit te hebben begaan, zou immers door het onder wettelijke strafbedreiging voldoen aan de vordering van art. 41, eerste lid, WVW om de bestuurder bekend te maken in strijd met de evenvermelde verdragsbepalingen onder dwang informatie verschaffen welke als bewijs van dat misdrijf tegen hem kan worden gebruikt (vgl. EHRM 25 februari 1993, Series A vol. 256-A, NJ 1993, 485).

(IV) Met betrekking tot de vraag of een vordering als bedoeld in art. 41, eerste lid, WVW gericht tot de eigenaar of houder van het desbetreffende motorrijtuig die zelf wordt verdacht van een in de WVW als misdrijf strafbaar gesteld feit, onverenigbaar is met het bepaalde in art. 29 Sv is van belang:

(a) enerzijds dat weliswaar in het Nederlandse recht niet is verankerd een onvoorwaardelijk recht of beginsel dat een verdachte op generlei wijze kan worden verplicht tot het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal;

(b) anderzijds echter dat aan art. 29 Sv het beginsel ten grondslag ligt dat een verdachte niet kan worden verplicht tot het afleggen van een verklaring waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd.

Indien nu de eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee het in de WVW als misdrijf strafbaar gestelde feit is begaan van dat feit wordt verdacht en hem bij een verhoor ter zake van dat feit is medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht, druist een op dat feit betrekking hebbende vordering als bedoeld in het eerste lid van art. 41 WVW, gedaan na dit verhoor, in tegen voormeld aan art. 29 ten grondslag liggend beginsel. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat in een zodanig geval art. 41, eerste lid, WVW niet geldt. Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van art. 41 WVW blijkt ook niet dat de wetgever met art. 41 WVW heeft beoogd een inbreuk op evengenoemd beginsel te maken."

3.5.1. Het in de hierboven weergegeven overwegingen genoemde art. 41, eerste lid, WVW luidde tot de inwerkingtreding van de WVW 1994 als volgt:

"Indien een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, is de eigenaar of houder van dat motorrijtuig verplicht op vordering van een der in artikel 42 bedoelde personen binnen een daarbij te stellen termijn, die ten minste acht en veertig uren bedraagt, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend te maken."

3.5.2. In de WVW 1994 is het voordien geldende art. 41 WVW ondergebracht in art. 165, eerste lid, dat thans luidt:

"Indien een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, is de eigenaar of houder van dat motorrijtuig verplicht op vordering van een der in artikel 159 bedoelde personen binnen een daarbij te stellen termijn, die ten minste achtenveertig uren bedraagt, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend te maken."

3.6. Nu de wettelijke regeling terzake naar de kern genomen niet is gewijzigd, heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen hetgeen de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest uit 1993 heeft overwogen. Daarbij heeft het Hof evenzeer terecht geen onderscheid gemaakt al naar gelang iemand die van een verkeersmisdrijf wordt verdacht, al dan niet gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht.

Ook voor de verdachte die geen gebruik maakt van zijn zwijgrecht, geldt dat de verplichting te voldoen aan de in art. 165, eerste lid, WVW 1994 bedoelde vordering strijdig is met het beginsel dat aan art. 29 Sv ten grondslag ligt.

3.7. Het middel faalt.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 16 september 2008.