Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD1384

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
08/01537
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD1384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bopz; verlening van machtiging tot voortgezet verblijf terwijl de betrokkene met voorwaardelijk ontslag buiten ziekenhuis verblijft, niet-toelaatbare “paraplumachtiging”; verwijzingsinstructie.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 14a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 16
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 452
NJ 2008, 325
RvdW 2008, 597
NJB 2008, 1340
JWB 2008/252
BJ 2008/45 met annotatie van W. Dijkers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juni 2008

Eerste Kamer

Nr. 08/01537

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

t e g e n

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ALKMAAR,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1. Het geding in feitelijke instantie

De officier van justitie in het arrondissement Alkmaar heeft bij een op 18 januari 2008 ter griffie van de rechtbank aldaar ingekomen verzoekschrift verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

Ter zitting van de rechtbank van 1 februari 2008 zijn betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de machtiging verleend voor de duur van zes maanden.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afwijzing van het inleidende verzoek van de officier van justitie.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Betrokkene lijdt aan schizofrenie in combinatie met middelengebruik en was met een voorlopige machtiging opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis. Daaruit is hij - op de voet van art. 47 lid 1 Wet Bopz - met ingang van 23 oktober 2007 voorwaardelijk ontslagen.

Op verzoek van de officier van justitie heeft de rechtbank in de bestreden beschikking machtiging verleend tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, ingaande 1 februari 2008 tot 1 augustus 2008. Zij was van oordeel dat was voldaan aan de wettelijke vereisten voor de verlening van die machtiging. Hieraan voegde de rechtbank toe:

"Het gevaar kan niet door tussenkomst van personen en instellingen buiten het ziekenhuis worden afgewend, maar zou wel door het stellen en naleven van voorwaarden kunnen worden afgewend. Uit de beschikbare gegevens en de verklaringen ter zitting blijkt de rechtbank dat betrokkene zich op dit moment aan de voorwaarden houdt en dat het op die basis goed gaat met betrokkene. Betrokkene heeft echter uitdrukkelijk aangegeven de aan hem te stellen voorwaarden niet langer te zullen naleven. Hij heeft ook daarom het behandelplan niet ondertekend. Onder deze omstandigheden is een voorwaardelijke rechterlijke machtiging geen alter-natief voor opname van betrokkene."

3.2 Het verweer van betrokkene dat hij al enkele maanden met voorwaarden thuis verbleef en dat daarom niet een machtiging tot voortgezet verblijf maar een voorlopige machtiging had moeten worden verzocht, is door de rechtbank verworpen op de grond, kort gezegd, dat betrokkene "formeel" met een rechterlijke machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef en daarom verlenging van die machtiging op zijn plaats is, ook al verbleef betrokkene met ontslag onder voorwaarden thuis.

3.3 De hiertegen gerichte rechtsklacht van onderdeel I van het middel slaagt. Nu betrokkene als gevolg van zijn voorwaardelijk ontslag vanaf 23 oktober 2007 thuis was en ten tijde van de bestreden beslissing niet (meer) in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef, was niet voldaan aan het voor de verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf gestelde vereiste dat de betrokkene ingevolge een voorlopige machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft. Het inleidende verzoek was dus niet voor toewijzing vatbaar. De door de rechtbank verleende machtiging komt neer op een niet toelaatbare "paraplumachtiging".

3.4 Het vorenstaande betekent dat het middel voor het overige geen behandeling behoeft. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene heeft gezegd de hem te stellen voorwaarden niet langer te zullen naleven en dat een voorwaardelijke machtiging daarom geen alternatief voor opname was, lag het voor de hand dat zij op de voet van art. 17 lid 2 in verbinding met art. 8a Wet Bopz de officier van justitie zou hebben kenbaar gemaakt dat een andere maatregel, in dit geval: een voorlopige machtiging, in de gegeven omstandigheden passender was. Tot dit doel zal de zaak worden verwezen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 1 februari 2008;

verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 juni 2008.