Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD1069

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
43318
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

art. 5.3, lid 5, Wet IB 2001; wijze van bepaling forfaitair rendement over aan het einde van het jaar vererfd vermogen geen verboden discriminatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2008/187
Belastingadvies 2008/12.5
V-N 2008/22.17 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0995 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 43.318

9 mei 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van A, gewoond hebbende te Z, (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 april 2006, nr. P04/04624, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Ten name van A (hierna: erflater) is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Erflater is overleden op 24 december 2002. Op de voet van artikel 5.3, lid 5, van de Wet IB 2001 heeft de Inspecteur ten aanzien van erflater het forfaitair rendement over het jaar 2002 berekend naar elf maanden.

3.1.2. Ten aanzien van de in Nederland wonende erfgenamen is over het jaar 2002 de per 31 december 2002 berekende waarde van het verkregene in aanmerking genomen bij de berekening van de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar 2002, met verwaarlozing van de omstandigheid dat zij in 2002 slechts gedurende één week gerechtigd zijn geweest tot het verkregene. De erfgenamen die daartegen zijn opgekomen, zijn in het ongelijk gesteld (zie de arresten van de Hoge Raad van heden in de zaken met nrs. 43407 en 43408).

3.2. Het Hof heeft de hiervoor in 3.1.1 omschreven handelwijze van de Inspecteur juist geoordeeld. Daartegen keert zich het middel. Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2008.