Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD0709

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
03168/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD0709
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuld ex. art. 6 WVW 1994. HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR LJN AO5822. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte als bestuurder van een personenauto ’s nachts met een snelheid van 50 à 60 km/u rijdende over een buitenweg die niet van straatverlichting was voorzien, zonder snelheid te minderen is aangereden tegen het (gedeeltelijk op de rijbaan) zittende s.o. en nog ca. 280m is verder gereden, dat de door verdachte bestuurde auto dimlichten voerde en de koplampen een dusdanig licht uitstraalden dat er goed zicht was tot 15m en een redelijk zicht tot 25m voor het voertuig, en dat het ruim één uur na het ongeval bij verdachte uitgevoerde ademonderzoek als uitkomst opleverde 435 ugl. Het Hof heeft voor het bewijs van het zeer onvoorzichtig en onoplettend rijden i.h.b. van belang geacht dat verdachte in het geheel niet heeft geremd en voorts dat verdachte (mede) onder invloed van alcohol met onverminderde snelheid met zijn auto tegen het s.o. is aangereden. Aldus heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de omstandigheid dat verdachte, (mede) onder invloed van alcohol in de mate als vastgesteld, het s.o. niet heeft opgemerkt en in het geheel niet heeft geremd, duidt op een zodanig onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag dat sprake is van schuld i.d.z.v. art. 6 WVW 1994. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat het s.o. zich zittend (gedeeltelijk) op de rijbaan bevond.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 207
JWR 2008/44
NBSTRAF 2008/207
VA 2009/24 met annotatie van J. Silvis
JOL 2008, 363
NJ 2008, 439
RvdW 2008, 512
VR 2008, 84
NJB 2008, 1139

Uitspraak

29 april 2008

Strafkamer

nr. 03168/06

AM/RR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 24 mei 2006, nummer 24/000075-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 3 januari 2006 - de verdachte ter zake van 1 primair "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en de schuldige verkeerde in de toestand, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Veldman, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing of terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 17 september 2005 in de gemeente Dalfsen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de parallelweg van de Hessenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend, op die weg te rijden, immers heeft verdachte toen en daar nadat hij kort tevoren een hoeveelheid alcoholische drank had genuttigd, niet geremd en is verdachte met dat door hem bestuurde voertuig (personenauto) tegen een persoon ([slachtoffer]), die zich (gehurkt en/of op de knieën) in de berm en gedeeltelijk op de rijbaan van die weg bevond, aangereden waardoor die [slachtoffer] werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994".

3.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

"Afgelopen vrijdagavond (het hof begrijpt: 16 september 2005) omstreeks 20.45 uur ben ik samen met mijn vriend [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) naar het maisfeest aan de Hessenweg gegaan. Wij zijn daar tot ongeveer 01.50 uur gebleven. Vervolgens zijn wij op de fiets gestapt en via de parallelweg van de Hessenweg richting de woning van [slachtoffer] gefietst. Toen wij ongeveer 100 à 200 meter gefietst hadden zijn wij gestopt om een sigaretje te roken. Toen wij stopten legden wij onze fietsen in de rechter berm van de parallelweg. Vervolgens gingen wij op de grond zitten tussen de fietsen en de parallelweg. Ik weet zeker dat ik in het gras van de berm zat. Wij zaten beiden met ons gezicht richting weiland. Het kan wel zijn dat [slachtoffer] op zijn hurken zat. Hij zat in ieder geval met zijn voeten in de berm.

Terwijl wij aan het praten waren kon ik twee koplampen aan zien komen. Ik weet zeker dat ik op dat moment voor [slachtoffer] langs keek. Hij moet dus eigenlijk iets achter mij hebben gezeten. Enige tellen later, terwijl wij verder spraken, zag ik dat de koplampen (naar het hof begrijpt: van een auto) dichterbij kwamen en ineens zag ik dat deze over de parallelweg reed. Toen heb ik nog tegen [slachtoffer] gezegd dat we aan de kant moesten, omdat er een auto aan kwam. Terwijl ik dat zei was de klap er ook. [Slachtoffer] werd aangereden.

Ik heb direct gekeken waar [slachtoffer] was. Hij lag denk ik ongeveer op een afstand van 5 meter van de positie waar wij eerder zaten.

Hierna kwam op een gegeven moment [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) aan lopen. [Verdachte] kwam vanuit de richting Zwolle.

Ik heb nog weer aan [slachtoffer] gevoeld en hoorde toen vermoedelijk zijn laatste hap naar lucht. Daarna hoorde en voelde ik niets meer bij hem."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Op zaterdag 17 september 2005, omstreeks 02.05 uur, kregen wij opdracht van de regionale meldkamer van de politie IJsselland te gaan naar de kruising van de Provinciale weg N340 en de Koesteeg te Dalfsen in verband met een aanrijding met letsel. Wij gingen vanuit Ommen direct ter plaatse. Even later kregen wij via dezelfde meldkamer te horen dat bedoelde aanrijding ter hoogte van bouwbedrijf [A] gelegen aan de Provinciale weg N340 was. Na enige tijd kwamen wij aan bij dit bouwbedrijf.

Op de rijbaan van de Hessenweg, zijnde een parallelweg van de provinciale weg, zagen wij in het schijnsel van onze zaklantaarns twee mannen staan, zijnde de ons bekende [verdachte] en [betrokkene]. Tevens zagen wij dat er een manspersoon op de grond lag, waarbij het bovenlichaam in de noordelijke berm lag van de Hessenweg en het onderlichaam op de rijbaan van de Hessenweg. Naast deze persoon lag een vrouw op haar knieën. Toen wij de op de grond liggende manspersoon beter bekeken, hadden wij sterk de indruk dat deze persoon was overleden. Dit werd even later door het ter plaatse gekomen ambulancepersoneel bevestigd.

[Verdachte] vertelde ons toen dat hij met zijn personenauto een aanrijding had gehad. Hij wees vervolgens naar zijn personenauto, die een paar 100 meter verder stond in de richting van Zwolle. Wij namen waar dat de adem van [verdachte] rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Vervolgens is [verdachte] aangehouden.

[Verdachte] werd voor nader onderzoek geplaatst aan het buro van politie te Dalfsen. Tijdens het onderzoek aan het buro van politie te Dalfsen nam ik, verbalisant [verbalisant 2], waar dat tijdens de ademonderzoekprocedure betreffende verdachte [verdachte] het ademonderzoekresultaat 435 µg/l was."

c. een ademanalyseformulier, als bijlage gevoegd bij het hiervoor onder b vermelde proces-verbaal, voor zover inhoudende:

"Start datum & tijd: 17-09-2005, 03.15

VERDACHTE

Naam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum]-1984

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Ademonderzoekresultaat: 435 µg /l".

d. een rapport van M.A.J. van Keulen, lijkschouwer, voor zover inhoudende:

"naam: [slachtoffer]

voornaam: [slachtoffer]

Lijkschouw conclusie: niet natuurlijke dood, aangereden door een auto;

doodsoorzaak: inwendig letsel buik."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op zaterdag 17 september 2005, omstreeks 02.55 uur, heb ik een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het plaatsgevonden verkeersongeval.

Bij dit ongeval was het volgende voertuig betrokken: personenauto, merk Opel, type Ascona.

Beknopte omschrijving van het ongeval:

Het verkeersongeval had plaats gevonden in de gemeente Dalfsen. De bestuurder van de Opel Ascona is na de aanrijding doorgereden. Zijn voertuig werd aangetroffen op een afstand van circa 280 meter vanaf de botsplaats.

Aan de rechterzijde van de Opel werd schade aangetroffen. Het slachtoffer werd aangetroffen liggend op zijn rug, deels op de rijbaan.

Tijdens de lijkschouw in het ziekenhuis was het uitwendige letsel van het slachtoffer zichtbaar. Dit letsel bestond onder andere uit een wond aan de rechter zijkant en bloedingen en kneuzingen aan de rechter zijkant. Tussen het bovenbeen en de ribben. De hoogte van dit letsel komt bij knielen dan wel gehurkt zitten overeen met de schade aan de voorzijde van de Opel. Aan de hand van de schades en de aangetroffen sporen werd duidelijk hoe het ongeval had plaatsgevonden en hoe het voertuig in aanraking was gekomen met de voetganger. Hierbij bleek mij dat de bestuurder van de Opel had gereden over de noordelijke parallelweg van de Hessenweg, komende uit de richting Ommen en gaande in de richting Zwolle. Ongeveer 40 meter voorbij hectometerpaal 54,4 had het slachtoffer, samen met een vrouwelijk persoon, gehurkt, dan wel geknield op de rijbaan gezeten. Het slachtoffer had gezien de aangetroffen sporen op het wegdek, tussen 0,50 meter en 1,00 meter vanaf de rechterrijbaan gezeten. Het slachtoffer was ten gevolge van de aanrijding met de Opel ongeveer 6 meter verder, gezien in de richting Zwolle, ruggelings, deels op de rijbaan en deels op de inrit terechtgekomen. Ten gevolge van deze aanrijding was de bovenste ophanging van het rechtervoorwiel van de personenauto afgebroken. Het rechtervoorwiel steunde op dat moment tegen de veerpoot. Zowel de band als de velg schuurden langs de veerpoot. Dit veroorzaakte een vertraging. Dit kan vergeleken worden met remmen. Ondanks deze vertraging was de bestuurder nog circa 280 meter verder gereden. Verder rijden was niet meer mogelijk."

f. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Wegverlichting: geen".

g. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Wij hebben een reconstructie gehouden met betrekking tot het zichtveld dat de bestuurder van de Opel Ascona had voor en op het moment van de dodelijke aanrijding.

De koplampen van dit voertuig straalden dusdanig licht uit dat er een goed zicht was tot 15 meter voor het voertuig en een redelijk zicht tot 25 meter voor het voertuig."

h. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Naar aanleiding van uw verzoek verband houdende met het dodelijk verkeersongeval op 17 september 2005, bericht ik u het volgende.

Ter plaatse van het ongeval werden zowel voor als na het ongeval geen sporen aangetroffen die er op duidden dat er geremd was. Ook op de plaats waar het voertuig werd aangetroffen werden geen sporen aangetroffen die erop duidden dat er geremd was. Het remsysteem van het ongevalvoertuig was volledig in tact na de aanrijding."

i. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Vrijdag, 16 september 2005, was ik 's avonds op een schuurfeest in Dalfsen. Ik ben daar in mijn eigen auto naar toe gegaan. Ik heb op dat feest bier gedronken. 's Nachts wilde ik naar huis gaan. Ik ben in de auto gestapt. Ik reed met een snelheid van ongeveer 50 à 60 km/h op de parallelweg van de Hessenweg. Ik dacht dat ik over een hobbel reed. Omdat de auto hobbelde ben ik verderop gestopt. Toen ik uitstapte hoorde ik iemand gillen. Ik ben erheen gegaan en ik zag een jongen op de grond liggen en [getuige] zat ernaast. Toen had ik pas in de gaten dat ik die jongen, waarvan ik nu weet dat hij [slachtoffer] heet, had aangereden."

j. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik voerde dimlicht die nacht. Er was geen straatverlichting, waardoor het erg donker op de weg was. Ik heb geen groot licht gebruikt. Ik heb niets en niemand op de weg gezien."

3.3. Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover van belang, het volgende in:

"Bewijsoverweging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde onder meer betoogd dat bij verdachte geen sprake is van culpa, als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte het ongeval onmogelijk kon voorkomen. Het ongeval is niet veroorzaakt door het rijgedrag van verdachte, noch de toestand waarin hij verkeerde. Immers verdachte heeft geen andere verkeersfout gemaakt dan het rijden onder invloed, aangezien het niet tijdig remmen door verdachte het gevolg is geweest van een door de slachtoffer gemaakte verkeersfout waar verdachte geen rekening mee hoefde te houden. Het slachtoffer zat namelijk midden in de nacht op een volslagen donkere weg en reageerde totaal niet op de hem naderende, door verdachte bestuurde auto. Het alcoholgebruik van verdachte is weliswaar een factor die kan bijdragen tot het bewijs van culpa in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, maar kan dit bewijs niet zelfstandig dragen. Aldus - tot zover - de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat verdachte op 17 september 2005 omstreeks 02.00 uur in zijn auto op de parallelweg van de Hessenweg in de gemeente Dalfsen heeft gereden en aldaar zonder te remmen tegen de zich (gedeeltelijk) op de rijbaan van die parallelweg bevindende [slachtoffer] is aangereden, tengevolge waarvan deze is overleden.

Uit de uitslag van een ademonderzoek, dat ruim één uur na het ongeval is uitgevoerd, blijkt dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde. Het alcoholgehalte van zijn adem bleek bij dat onderzoek 435 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn.

Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse van de Afdeling Technische VerkeersAnalyse van de regiopolitie IJsselland blijkt dat de parallelweg van de Hessenweg ter plaatse onverlicht was en dat de door verdachte bestuurde auto voorafgaand aan en ten tijde van het ongeval dimlicht voerde. Uit het proces-verbaal Reconstructie van diezelfde afdeling blijkt dat de koplampen van de auto waarin verdachte reed (Opel Ascona) een dusdanig licht uitstraalden dat er goed zicht was tot 15 meter voor het voertuig en een redelijk zicht tot 25 meter voor het voertuig.

Uit bovenstaande leidt het hof af dat de rijbaan ter plaatse in voldoende mate was te overzien. Daaruit volgt dat verdachte het slachtoffer had kunnen en had moeten opmerken en daarop had moeten anticiperen.

Dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden volgt uit het feit dat uit het ingestelde onderzoek ter plaatse niet is gebleken van enig remspoor. Ter zitting van het hof heeft verdachte ook erkend dat hij in het geheel niet heeft geremd, ook niet op het moment dat hij het latere slachtoffer op een zodanig korte afstand was genaderd, dat hij hem heeft moeten kunnen zien. Voorts blijkt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting dat verdachte (mede) onder invloed van de nodige alcohol met onverminderde snelheid met zijn auto tegen het slachtoffer is aangereden.

Het hof is derhalve van oordeel dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is geweest. Dit oordeel geldt temeer nu - daarnaar gevraagd - verdachte geen omstandigheden heeft aan kunnen voeren die hem disculperen, noch is daarvan op andere wijze gebleken.

Het door en namens verdachte aangevoerde, namelijk dat het slachtoffer op de rijbaan zat en niet reageerde op de hem naderende auto, staat niet aan 's hofs oordeel in de weg dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is geweest.

Aldus acht het hof het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen."

4. Beoordeling van het middel

4.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaarde schuld aan het verkeersongeval.

4.2. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaarde zeer onvoorzichtig en onoplettend rijden, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252).

4.3. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging vastgesteld dat de verdachte als bestuurder van een personenauto 's nachts met een snelheid van 50 à 60 km per uur rijdende over een buitenweg die niet van straatverlichting was voorzien, zonder snelheid te minderen is aangereden tegen het (gedeeltelijk op de rijbaan) zittende slachtoffer en nog circa 280 meter is verder gereden, dat de door de verdachte bestuurde auto dimlichten voerde en de koplampen een dusdanig licht uitstraalden dat er goed zicht was tot 15 meter en een redelijk zicht tot 25 meter voor het voertuig, en dat het ruim één uur na het ongeval bij de verdachte uitgevoerde ademonderzoek als uitkomst opleverde 435 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

4.4. Uit de nadere bewijsoverweging blijkt dat het Hof voor het bewijs van het zeer onvoorzichtig en onoplettend rijden in het bijzonder van belang heeft geacht dat de verdachte in het geheel niet heeft geremd en voorts dat de verdachte (mede) onder invloed van alcohol met onverminderde snelheid met zijn auto tegen het slachtoffer is aangereden. Aldus heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de omstandigheid dat de verdachte, (mede) onder invloed van alcohol in de mate als vastgesteld, het slachtoffer niet heeft opgemerkt en in het geheel niet heeft geremd, duidt op een zodanig onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daaraan doet niet af dat het slachtoffer zich zittend (gedeeltelijk) op de rijbaan bevond.

4.5. Het middel faalt derhalve.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, H.A.G. Splinter-van Kan, B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 29 april 2008.