Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD0544

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
00231/07
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD0544
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuld ex art. 6 WVW 1994. Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval i.d.z.v. art. 6 WVW 1994 – i.c. het bewezenverklaarde aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de ten dezen geboden voorzichtigheid rijden – uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR LJN AO5822). Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat verdachte, toen hij zich vergewiste van mogelijk naderend verkeer, de motorrijdster niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, niet volgen dat verdachte, zoals is bewezenverklaard “aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden”. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/43
JOL 2008, 364
NJ 2008, 440
RvdW 2008, 509
NJB 2008, 1141
VERWIJDEREN
VR 2008, 83

Uitspraak

29 april 2008

Strafkamer

nr. 00231/07

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 mei 2006, nummer 22/007155-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 29 november 2005 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis alsmede ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D. Vermaat, advocaat te Barendrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel beoogt kennelijk te klagen over de motivering van de bewezenverklaarde schuld van de verdachte aan het verkeersongeval.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 9 april 2005 te Geervliet, gemeente Bernisse, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de uitrit van een aan de Groene Kruisweg gelegen tankstation, welke onoplettendheid en verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

- de Groene Kruisweg ter plaatse bestond uit twee rijstroken, bestemd voor verkeer gaande in twee tegengestelde rijrichtingen, en de toegestane maximumsnelheid voor motorvoertuigen ter plaatse 80 km/u bedroeg; gezien die maximumsnelheid was bijzondere voorzichtigheid vereist bij het oprijden van de rijbaan van de Groene Kruisweg,

- een motorrijder op de Groene Kruisweg reed, komend vanuit de richting Hellevoetsluis, gezien de rijrichting van de motorrijder rechts naast de rijbaan van de Groene Kruisweg een tankstation was gelegen,

- bestuurders die uit een uitrit de weg op reden het overig verkeer voor moesten laten gaan,

- in het wegdek van de uitrit van dat tankstation door middel van haaientanden de aandacht werd gevestigd op de verplichting het verkeer op de Groene Kruisweg voor te laten gaan,

- voornoemde motorrijder voornoemde uitrit dicht was genaderd, vanuit de uitrit van voornoemd tankstation de rijbaan van de Groene Kruisweg is opgereden op een moment dat die motorrijder inmiddels zodanig dicht was genaderd, dat zij (die motorrijder), in een poging een aanrijding te voorkomen krachtig is gaan remmen en vervolgens in een slip is geraakt en ten val is gekomen en tegen het door hem, verdachte, bestuurder voertuig is aangegleden en vervolgens op de rijstrook voor het haar (die motorrijder) tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen, waarna een aanrijding met een op die rijstrook rijdende personenauto (Mercedes) is ontstaan;

zijnde zij door die personenauto overreden;

aldus heeft hij, verdachte, zich als verkeersdeelnemer zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden;

door dat ongeval werd aan die motorrijder, genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toegebracht, te weten: een breuk van het bekken, een breuk van het hielbeen, een gebroken vinger en twee gebroken ribben."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt - voor zover in cassatie van belang - op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 9 april 2005 reed ik met mijn auto weg vanaf het benzinestation [A] gelegen aan de N218 te Geervliet. Op het moment dat ik ter hoogte van de afrit van het tankstation reed, remde ik mijn auto af tot bijna stilstand en keek over mijn linkerschouder om te kijken of er verkeer naderde. Ik had vrij zicht over de gehele weg, niets heeft mijn zicht belemmerd. Ik weet dat de N218 een voorrangsweg is en dat ik het naderende verkeer voor moet laten gaan. Ik reed met mijn auto de N218 op. Ik reed ongeveer twintig meter op de N218 in de richting van Spijkenisse toen ik plotseling "iets" hoorde remmen, ik zag tegelijkertijd in mijn achteruitkijkspiegel dat er een motorrijder achter mij reed. Ik zag dat de motorrijder een slingerende beweging maakte. Ik voelde dat de motorrijder tegen de linkerachterzijde van mijn auto aanreed. Ik zag dat de motorrijder de weghelft voor het tegenovergesteld verkeer op gleed. Vervolgens zag ik dat de motorfiets in botsing kwam met een tegemoetkomend voertuig, een Mercedes, en dat de Mercedes daarna met het linkerachterwiel over de motorrijder heenreed."

b. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Ik heb bij de uitrit bijna stilgestaan. Ik zag niets en ben vervolgens stapvoets doorgereden de weg op. Ik ben bij de haaientanden op de weg bij de uitrit van het tankstation niet helemaal tot stilstand gekomen. Ik reed ongeveer 5 kilometer per uur. Toen ik ervan overtuigd was dat de weg vrij was ben ik doorgereden. Vervolgens klapte er linksachter bij mij een motor op mijn auto. De motorrijder schoof over de weg langs mijn auto de andere weghelft op. Daar werd zij overreden door een Mercedes."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 9 april 2005 reed ik op een motorfiets vanuit de richting Hellevoetsluis in de richting van Spijkenisse op de Groene Kruisweg. Ik reed ter hoogte van het [A] tankstation te Geervliet. Ik zag dat er een auto stond te wachten om in te voegen vanuit het tankstation. Net voordat ik bij de auto was voegde hij in. De ruimte om de auto te ontwijken was nihil. Ik reed niet harder dan de toegestane 80 km/h. Een botsing was onvermijdelijk."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

"Op 9 april 2005 reed ik in mijn auto op de Groene Kruisweg te Geervliet, komende uit de richting van Spijkenisse en gaande in de richting van Hellevoetsluis. Voor mij reed een Mercedes. Ik zag dat er vanaf het [A] tankstation een auto wegreed in de richting van Spijkenisse. Ik zag dat er vanuit de richting Hellevoetsluis een motorrijder aankwam. Ik zag dat de motorrijder hard moest remmen om te voorkomen dat deze in botsing kwam met de auto die wegreed bij het tankstation. Ik zag dat de motor een slipbeweging maakte. Ik zag dat de bestuurder van de motor onderuit ging en de auto die bij het tankstation wegreed raakte aan de achterzijde. Vervolgens zag ik dat de motor en zijn berijder doorgleden op de weghelft bestemd voor het verkeer in tegengestelde richting. Ik zag dat de Mercedes die voor mij reed in botsing kwam met de motor en zijn berijder. Ik zag dat de Mercedes over de motorrijder heenreed."

e. een proces-verbaal van politie opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden verkeersongevallenanalist, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"De Groene Kruisweg (N218) te Geervliet is ter plaatse van de aanrijding, die heeft plaatsgevonden ter hoogte van de uitrit van het benzinestation, verdeeld in twee rijstroken en is bestemd voor verkeer in beide richtingen. Op het wegdek van de aansluiting van het benzinestation op de Groene Kruisweg zijn haaientanden aangebracht.

Alle genoemde wegen dan wel weggedeelten zijn of maken deel uit van voor het openbaar verkeer openstaande wegen en zijn gelegen in de gemeente Bernisse. De maximum toegestane snelheid is ter plaatse 80 km/u."

3.2.3. Het bestreden arrest noch de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv bevat een overweging van het Hof met betrekking tot de blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota door de raadsman betwiste schuld van de verdachte aan het verkeersongeval.

3.3. Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden voorzichtigheid rijden - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252).

3.4. Wat betreft het rijgedrag van de verdachte heeft het Hof het volgende vastgesteld. De verdachte was zich ervan bewust dat hij vanaf het terrein van het tankstation een voorrangsweg opreed. Hij heeft zijn auto voor de haaientanden "tot bijna stilstand" gebracht en heeft vervolgens over zijn linkerschouder gekeken om na te gaan of er verkeer naderde. Hij heeft geen naderend verkeer gezien en is vervolgens de voorrangsweg opgereden.

Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat de verdachte, toen hij zich vergewiste van mogelijk naderend verkeer, de motorrijdster aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, niet volgen dat de verdachte, zoals is bewezenverklaard "aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden". De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.5. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 29 april 2008.