Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD0473

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
43995
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2007:BA5189, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Staking landbouwbedrijf. Waardedrukkend effect van duurzame zelfbewoning bij waardering als complex.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 793 met annotatie van Roerdink
FutD 2008-0900
BNB 2008/174
V-N 2008/22.14

Uitspraak

Nr. 43.995

25 april 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 april 2007, nr. BK-06/00131, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde principale hoger beroep gegrond verklaard, het incidentele hoger beroep ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de uitspraak op bezwaar bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende exploiteerde een landbouwbedrijf. Per 30 juni 2001 heeft hij de bedrijfsuitoefening beëindigd. In verband daarmee heeft hij de tot het ondernemingsvermogen behorende vermogensbestanddelen, waaronder een woning met erf, een landbouwschuur, twee bioloodsen en landbouwgrond, overgebracht naar het privévermogen. Deze vermogensbestanddelen zijn in verband met de staking minnelijk getaxeerd. De taxateurs zijn bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer uitgegaan van een waardering als complex. Het erfperceel van dit complex is door de taxateurs in totaal op 5000 m² gesteld. Daarvan was een deel groot 2350 m² (hierna: het restperceel) als bouwland in gebruik in belanghebbendes landbouwbedrijf. Na de staking van de onderneming heeft belanghebbende het restperceel, tezamen met bouwland ter grootte van 1.45.10 hectare, als één aansluitend geheel in gebruik gegeven aan een familielid, die het voor agrarische doeleinden gebruikt.

3.2. Voor het Hof was, voor zover in cassatie van belang, tussen partijen in geschil of het waardedrukkende effect van de duurzame zelfbewoning van de woning zich mede uitstrekt tot de bioloodsen en het restperceel. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur met de gegevens van de taxateurs en de overgelegde foto's voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bioloodsen en het restperceel direct en in volle omvang in gebruik genomen kunnen worden door derden, zodat er geen reden is voor het in aanmerking nemen van een waardedrukkende factor wegens duurzame zelfbewoning voor deze vermogensbestanddelen. Tegen dat oordeel keren zich de middelen I en II.

3.3. Bij de beoordeling van de middelen I en II moet het volgende worden vooropgesteld.

Bij een waardering als complex wordt van de desbetreffende onroerende zaken de waarde bepaald met als uitgangspunt dat deze na de beste voorbereiding als één geheel worden verkocht aan de meest biedende partij, die de onroerende zaken vervolgens direct en in volle omvang in gebruik kan nemen. Deze complexwaarde wordt bepaald ingeval de verkoop van de onroerende zaken als complex meer opbrengt dan de verkoop van de afzonderlijke onderdelen.

Gelijk de Hoge Raad heeft beslist in onder meer zijn arrest van 18 november 1959, nr. 14109, BNB 1960/4, en zijn arrest van 13 november 1996, nr. 31491, BNB 1997/10, is min of meer duurzame zelfbewoning een omstandigheid welke de waarde in het economische verkeer van een woning kan beïnvloeden en waarmee derhalve bij het bepalen van die waarde rekening dient te worden gehouden. Ingeval een woning als zojuist bedoeld behoort tot een complex van onroerende zaken dat als zodanig wordt gewaardeerd, is er slechts reden voor het in aanmerking nemen van min of meer duurzame zelfbewoning bij die tot het complex behorende onroerende zaken die op het moment van staking van de onderneming min of meer duurzaam voor woondoeleinden werden gebruikt.

3.4. 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de bioloodsen en het restperceel op het moment van staking van belanghebbendes onderneming door belanghebbende niet voor woondoeleinden werden gebruikt. Het Hof heeft dan ook - wat er zij van de daartoe door het Hof gebezigde gronden - met juistheid geoordeeld dat er geen reden is voor het in aanmerking nemen van een waardedrukkende factor wegens duurzame zelfbewoning voor meerbedoelde vermogensbestanddelen. De middelen I en II kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5. Middel III betoogt dat het Hof in zijn overwegingen geen aandacht heeft besteed aan de wijze waarop de Inspecteur het als één onroerende zaak gewaardeerde erfperceel van 5000 m² kunstmatig heeft gesplitst in een erf (2650 m²) en een restperceel (2350 m²) - de Inspecteur heeft de waarde van het restperceel berekend als zijnde een evenredig deel van het getaxeerde erfperceel - en dat belanghebbende met verwijzing naar andere taxaties heeft beargumenteerd dat de door de Inspecteur toegepaste berekeningsmethodiek onjuist is. Het Hof is aan deze stelling ten onrechte voorbijgegaan. Middel III dat hierover klaagt, is mitsdien gegrond.

3.6. Middel IV kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.7. Op grond van het hiervoor in 3.5 overwogene kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 106, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2008.