Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2008:BD0452

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
08/00155HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD0452
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BOPZ. Afwijzing verzoek tot vermelding dat de kosten van het verblijf en de verzorging van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis volledig ten laste dienden te komen van de Minister van Justitie.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2008/25 met annotatie van Red
JOL 2008, 351
NJ 2008, 260
RvdW 2008, 483
NJB 2008, 1134
JWB 2008/206

Uitspraak

25 april 2008

Eerste Kamer

nr. 08/00155HR

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. Post,

t e g e n

DE OFFICIER VAN JUSTITIE,

in het arrondissement te Rotterdam,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de betrokkene en officier van justitie.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij beschikking van 24 december 2007 heeft rechtbank Rotterdam een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen.

Bij de mondelinge behandeling van het inleidende verzoek had de raadsman van betrokkene uitdrukkelijk verzocht om in haar beschikking op te nemen dat de Minister van Justitie verantwoordelijk is voor de verstrekking van de geneeskundige zorg aan betrokkene. De rechtbank is niet op het verzoek van de raadsman ingegaan.

De beschikking van de rechtbank is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie is niet verschenen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In deze zaak, waarin de rechtbank ten aanzien van betrokkene een voorlopige machtiging heeft verleend, verwijst de Hoge Raad wat betreft de feiten en het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de punten 1.1-1.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal en naar het hiervoor onder 1 overwogene.

3.2 De raadsman van betrokkene heeft op de zitting van 24 december 2007, onder verwijzing naar eerdere correspondentie, verzocht dat de rechtbank in haar beschikking zou vermelden dat, nu de machtiging door de officier van justitie was verzocht, de kosten van het verblijf en de verzorging van betrokkene volledig ten laste dienden te komen van de minister van Justitie. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"De rechtbank gaat niet in op het verzoek van de raadsman om te bepalen dat de Minister van Justitie verantwoordelijk is voor de verstrekking van de geneeskundige zorg aan betrokkene, omdat dat in deze zaak niet ter toetsing voorligt."

Hiertegen keren zich de middelen, waaraan - zoals verwoord in de nrs. 13 en 14 van het cassatierekest - ten grondslag ligt de opvatting dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat het verzoek niet ter toetsing zou voorliggen, omdat te allen tijde een vordering in reconventie - naar de Hoge Raad begrijpt: een zelfstandig verzoek in de zin van art. 282 lid 4 Rv. - mogelijk is en moet zijn en dat het dan wel degelijk aan de rechtbank is om die "tegenvordering" te toetsen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank dat het in 3.2 vermelde verzoek van de raadsman in deze zaak niet ter toetsing voorligt, moet aldus worden begrepen dat de rechtbank van oordeel was dat bij gebreke van een daartoe strekkende bepaling in de Wet Bopz in deze procedure geen plaats is voor een beslissing over de vraag of de minister van Justitie volledig de kosten van de opneming en het verblijf van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis behoort te dragen. Dat oordeel is juist, zodat de middelen die van een andere opvatting uitgaan, reeds om die reden niet tot cassatie kunnen leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 25 april 2008.